Het museum


Beeldmateriaal


ID-DOC


RCB catalogiBelgische handelscatalogi voor 1950


Red de bakovens!


Wat met de waterput?


Repertorium


Smidstekens


Lectuur


Wat is dit?


DE SNIJPASSER, EEN MIDDELEEUWSE UITVINDING ?

Johan DAVID
in Technologia Bruxellensis 3 (1980)

zie ook ID-DOC, "snijpasser (hout)"


afb. 1

THE WASHER-CUTTER, A MEDIAEVAL INVENTION ?
By studying the tools being used in a well defined period or region, the first task of the historian of technology is to expose what was existing at that time. In this contribution, the author tries to put another tool on the list of the Middle Ages. The washer-cutter -in fact used for making holes in wood- was already known in the 18th and perhaps even in the 17th century. A miniature shows it was already used in 1478.
LE COUPE-RONDELLE, UNE INVENTION DU MOYEN ÂGE ?
Le premier problème que doit résoudre l'historien des techniques lorsqu'il étudie l'outillage d'une période ou d'une région, est de savoir ce qui existait. Pour le moyen âge, où la documentation est pauvre, la question est difficile. Il est donc important de pouvoir ajouter un type à la liste des outils médiévaux connus. C'est l'objet de cette note.Le coupe-rondelle, un outil destiné à faire un trou dans le bois en y découpant, comme son nom l'indique, une rondelle, n'était attesté que jusqu'au 18e, probablement 17e siècles. Une miniature italienne prouve qu'il était connu en 1478.

Het middeleeuws gereedschap is tot nog toe slecht gekend. Wij weten niet precies welke werktuigen de mens toen gebruikte, laat staan in welke mate hij het deed en welke resultaten hij ermee bekwam (David, 1979). De eerste fase van het gereedschapsonderzoek is bijgevolg inventarisatie van de werktuigen die gedurende die periode bestonden. Wegens de schaarsheid van de documentatie en het feit dat de gegevens in allerlei bronnen verspreid zijn, is stelselmatig onderzoek moeilijk. De werkzaamheden vorderen traag. Het is dan ook van belang een item aan de lijst van het middeleeuws gereedschap met zekerheid te kunnen bijvoegen. Hieraan is deze korte bijdrage gewijd. Een miniatuur van 1478 bewijst dat een betrekkelijk zeldzaam werktuig, met name de snijpasser, door de middeleeuwse ambachtsman gekend was.

De houtsnijpasser is een handwerktuig dat hoofdzakelijk door kuipers gebruikt werd om spongaten en de gaten die in een tobbe als handvat dienen, te boren (Salaman (1976) beschrijft een gelijkaardig doch zwaarder werktuig om gaten te verbreden. Om dat te kunnen doen, werd gewoon een cilinder op de punt van een zware snijpasser gestoken, waarvan de doorsnede overeenstemde met de breedte van het gat.^]. Hij bestaat uit een metalen staafje van 15-20 cm met een kruk van ca. 10 cm aan een uiteinde en al dan niet met een boorijzer aan het ander. In een door het staafje geboord gat glijdt een tweede, aan een uiteinde haaks gebogen staafje van ca. 15 cm, dat vastgezet kan worden door een wig, soms door een schroef. Dat gebogen stuk snijdt aan één of aan beide zijden (afb. 1 Snijpasser met boorijzer. De kruk ontbreekt. 20ste eeuw). Het geheel weegt ongeveer 0,5 kg. De vakman vat de kruk, steekt de punt in een vooraf geboord gat of plaatst het boorijzer waar hij moet boren, en doet het werktuig draaien zoals een fretboor. De snijpasser maakt het mogelijk een gat te boren zonder het hout te doen barsten. Daar het mesje verstelbaar is, kan hij bovendien schijven van verschillende middellijn uitsnijden (1). Tenslotte kan hij dat zonder dat de inspanning om hem in beweging te brengen aanzienlijk verandert, wat het geval niet is met de andere boorijzers, die naarmate het gat breder wordt, meer hout moeten verwijderen. Met de snijpasser kan men een gat van 20 cm doorsnede en meer bekomen, terwijl de grootste pomplepelboren, waarmee de buis van de houten waterpompen uitgehold werd, maar een gat van een 15tal centimeter maakten, rekening gehouden met de dikke plaat die er meestal op bevestigd werd.

Ondanks dat alles, werd de snijpasser bij de houtbewerking weinig gebezigd, althans in onze streken, omdat hij een grote kracht vereist. Om leer (ook rubber, fineerbladen e.d.) te bewerken, was zijn gebruik daarentegen algemeen tot in de 20ste eeuw. Het werktuig was dan lichter gebouwd, eindigde altijd in een punt en droeg soms twee messen om in één keer twee cirkels te kunnen uitsnijden en aldus een ring te bekomen. De bedoeling was immers niet zo zeer het maken van een gat maar wel het snijden van schijven of ringen (2) (Knight, 1876-84).

De documentatie betreffende de houtsnijpasser is schaars. Wat de twintigste eeuw betreft, vindt men er hier en daar een spoor van, zo in België in een catalogus uitgegeven in 1911 door de Gentse firma Dutry-Colson (afb. 1 Snijpasser met boorijzer. De kruk ontbreekt. 20ste eeuw) (3). Uit de negentiende eeuw is de afbeelding van Prechtl bekend (afb. 2 Snijpasser zonder boorijzer. 19de eeuw) (Prechtl, 1830-55).


afb. 2

De oudste tot nog toe gekende voorstelling van het werktuig was die uit het werk van Sprengel, dagtekenend van het einde van de achttiende eeuw (afb. 3 Snijpasser met boorijzer. 18de eeuw) (Sprengel & Hartwig, 1778-88). Bij zijn beschrijving voegt (Maissen, 1943) een tekening van een exemplaar waarin 1964 gesneden werd. Noch het oudheidkundig bodemonderzoek noch de teksten schenen het tot dusverre mogelijk te maken hoger in de tijd op te klimmen. M.b.t. de leersnijpasser schijnt de informatie slechts tot de negentiende eeuw terug te lopen.


afb. 3

Dank zij een Italiaanse miniatuur uit de Codex dei Falegnami, die bewaard wordt in het Museo Civico te Cremona, kan men de geschiedenis van de snijpasser nu reeds in 1478 doen beginnen (afb. 4).


afb. 4

De afbeelding toont allerlei werktuigen van de timmerman en van de kuiper (4). De snijpasser is er duidelijk te herkennen, rechts van het schild. Het mes wordt er door middel van een wig vastgezet. Het uiteinde van de verticale stang is schroefvormig. Men mag zich afvragen of hier een echte schroef bedoeld werd. Daar een snijpasser met schroef tot nog toe nooit aangetroffen werd, mag men evenwel vermoeden dat de kunstenaar een schroefboorijzer heeft willen, maar wegens de geringe afmetingen van de afbeelding, op een meer preciese wijze niet heeft kunnen voorstellen. Een technische reden staaft deze mening. Indien de vertikale stang een schroef zou zijn, dan zou het werktuig waarschijnlijk gauw klem geraken omdat de verhouding tussen gesneden hout en indringingssnelheid niet evenredig zou zijn. Als enkel het uiteinde van de stang schroefvormig is, dan verdwijnt dat bezwaar doch is de wrijving groot en barst het hout licht.

Het is dus bewezen dat de houtsnijpasser op het einde van de middeleeuwen gekend was. De vraag is nu of het werktuig al dan niet een middeleeuwse uitvinding is.

Voortdurend leest men in de studiën over de stoffelijke cultuur dat iets van de dertiende eeuw b.v. dagtekent of, deze formulering is juister maar nog dubbelzinnig, dat iets in de dertiende eeuw voor het eerst voorkomt, omdat een bron, d.i. een archeologische vondst, een tekst of een afbeelding het bestaan ervan in die periode bewijst. Dat is uiteraard fout. Het argumentum e silentio is slechts uitzonderlijk geldig (David, 1979). In zulke gevallen mogen wij meestal enkel stellen dat het voorwerp op die datum reeds gekend was, zonder meer. Men zal hierop nooit genoeg de nadruk leggen. Met de snijpasser hebben wij daar nogmaals een voorbeeld van: wij hadden geen inlichtingen voor het einde van de zeventiende eeuw en, dank zij één enkele afbeelding, is het nu mogelijk twee eeuwen hoger te gaan.

Wij mogen dus aannemen dat de snijpasser in 1478 gekend was. Of hij nog (veel) ouder is, kan tot nog toe bij gebrek aan informatie niet bepaald worden. Daar de miniatuur van het einde van de middeleeuwen dagtekent, mag men zich wel afvragen of het werktuig niet gedurende die periode uitgevonden werd, maar dat blijft louter vermoeden.

Over de plaats waar de snijpasser ontstond, kan evenmin uitsluitsel verworven worden. De eerste melding is weliswaar Italiaans maar een andere vondst kan het bestaan van het werktuig duizend kilometer verder bewijzen. De vraag blijft eveneens open.

Met betrekking tot de wijze van ontstaan van de snijpasser is niets gekend. Avegaars en fretboren bestonden maar of ze al dan niet de aanleidende werktuigen waren, d.i. de werktuigen die de uitgangspunten waren om de snijpasser uit te denken, kan niet uitgemaakt worden.

Om te eindigen zou ik nog even willen stil staan bij de waarde van het beeldmateriaal voor de studie van de stoffelijke kultuur. Ze werd meer dan eens betwijfeld, vooral door mensen die de afbeeldingen niet als een gewone geschiedkundige bron beschouwden maar er een wondermiddel wilden in vinden. Op voorwaarde de algemene regels van de historische kritiek toe te passen en te weten wat het beeldmateriaal al dan niet kan bieden, is deze bron nochtans zeer rijk. Voor de historicus die de stoffelijke beschaving bestudeert, mag ze zelfs onmisbaar genoemd worden. De snijpasser illustreert dat zeer goed. Nagenoeg al de informatie waarover wij beschikken in verband met dat werktuig werd ons immers door tekeningen verschaft.


Bibliografie

  • J. DAVID, 1977. - Notes sur trois outils anciens du charpentier: le bondax, la bisaiguë, le piochon. Rev. archéologues et historiens d'art de Louvain 10: 162-178.
  • J. DAVID, 1979. - Het middeleeuws gereedschap. Enkele problemen, in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis gesticht onder de benaming Société d'Emulation te Brugge 116: 5-26.
  • P. FELLER & F. TOURRET, 1970. - L'outil, dialogue de l'homme et de la matière. Sint-Genesius-Rode, afb. 91.
  • K. KARMARSCH, 1860. - Handboek der mechanische technologie. Leiden, p. 266.
  • E.H. KNIGHT, 1876-84. - American mechanical dictionary. New York, s.v. Washer-cutter.
  • A. MAISSEN, 1943. - Werkzeuge und Arbeitsmethoden des Holzhandwerks in Romanisch Bünden. Genf-Erienbach-Zürich (Romanica Helvetica, 17): 142-144.
  • J. PODOLAK, 1969. - Horehronie. Kultura a spôsob zivota ludu. Bratislava, p. 376.
  • J.J. PRECHTL, 1830-55. - Technologische Encyklopaedie. Stuttgart, pl. 37.25.
  • R.A. SALAMAN, 1976. - Dictionary of tools used in the woodworking and allied trades, ca. 1700 - 1970. London, p. 38.
  • P.N. SPRENGEL & D.L. HARTWIG, 1778-88. - Kunste und Handwerke in Tabellen. Berlin, 1 pl. 4.

1) De verstelbare centrumboor, een jonger werktuig, kan eveneens gaten van verschillende doorsnede boren doch snijdt geen schijf uit. De sponzaag daarentegen kan niet versteld worden maar zaagt wel schijven uit. De geschiedenis van dat laatste werktuig is nog nagenoeg ongekend.
2) Vandaar de benamingen schijfboor, washer-cutter en coupe-rondelle. Men maakte ook gebruik van een stokpasser waarvan een punt door een mes of een scherpe stalen priem vervangen werd ((Karmarsch, 1860 ), die dan van snijpasser spreekt) of van een werktuig dat op de hier besproken snijpasser geleek maar waar er i.pl.v. de kruk een recht hecht was of een angel die in een booromslag geplaatst diende te worden (b.v. de niet gedateerde catalogus van de firma C.S. Osborne & C°., Standard tools: 8-9;).
3) p. 310. Zie verder (Maissen, 1943) , m.b.t. Zwitserland ; Feller & Tourret, 1970 , m.b.t. Frankrijk, doch deze auteurs identificeren het werktuig niet; (Salaman (1976)) , vooral m.b.t. Engeland; op te merken valt dat afb. 719 waarschijnlijk een snijpasser voor hout en niet voor leer voorstelt; Podolak, 1969 , m.b.t. Tjekoslovakije; enz.
4) Rechts van de passer, boven de fretboor, is een werktuig te zien dat niet met zekerheid geïdentificeerd kan worden. Wellicht gaat het om een dwarsaks, d.i. een timmermanswerktuig waarrnee pen- en gatverbindingen gehouwen werden. Het zou dan een van de eerste gekende afbeeldingen van dat werktuig zijn (zie (David, 1977) ).





Webwww.mot.be

Wil je elke maand informatie over de geschiedenis van de technieken en het MOT ("MOTnews")? Klik dan hier.

MOT's MSN community - FORUMS - LINKS - CHAT
email