Het museum


Beeldmateriaal


ID-DOC


RCB catalogiBelgische handelscatalogi voor 1950


Red de bakovens!


Wat met de waterput?


Repertorium


Smidstekens


Lectuur


Wat is dit?


HET VORKJE VAN DE 19de EEUWSE POSTBODE

by Johan DAVID uit Eigen Schoon en De Brabander 76 (1993) 87-90

zie ook ID-DOC, "wandelstok met vorkje"

In Belgische musea en verzamelingen treft men vaak een tweetandig vorkje aan waarvan men vertelt dat het in de vorige eeuw door de postbode op het platteland werd gebruikt om honden, ganzen of varkens of afstand te houden. In die dagen liepen heel wat dieren inderdaad nog vrij over de wegen waar ook nog geen auto’s op reden. De toenmalige brievenbesteller kon dus waarschijnlijk zo’n “wapen” best gebruiken, maar bij nader inzien rijzen er enkele vragen rond de herkomst, de vorm en het gebruik van het vorkje.

Laten wij beginnen met een beschrijving. De steel is doorgaans een ruwe stok van hazelaar of een gedraaid stuk uit essenhout. Het vorkje zit geschroefd in een ijzeren of koperen dille waarin de steel steekt (afb. 1) (1). De tanden zijn vierkantig in doorsnede en vaak bot, hoewel ze bij verscheidene exemplaren juist zeer scherp zijn. De totale lengte bedraagt 97 tot 106 cm, het totale gewicht ongeveer 500 gr (2). De kwaliteit en de afwerking variëren sterk: van gewoon ijzer en een betrekkelijk ruw uitzicht (afb. 2) tot een combinatie van rood en geel koper, een kapje en een lus (afb. 3-4). Men krijgt dus de indruk dat er twee verschillende reeksen bestonden, een gewone en een “luxe-uitvoering”.

Wat is er op dit ogenblik officieel bekend over de uitrusting van de 19de eeuwse postbode? In 1852 besliste de minister van Openbare Werken Van Hoorebeke dat de landelijke postboden een “kleine vork” zouden dragen. De voorwaarden voor het maken van duizend vorkjes werden bekend gemaakt (3) en voor de aanbesteding kwamen vijf inschrijvingen binnen. Het contract werd toegekend aan Edouard Naije-Nalinnes uit Chatelet, die ze voor BEF 2,55 zou maken (4). In mei 1853 kreeg die fabrikant uitstel en mocht hij de stelen uit essen balken vervaardigen omdat hij geen essen takken vond (5). We weten dus dat het voorwerp wel degelijk tot de uitrusting van ambtenaren van de Posterijen behoorde. Bovendien, we mogen stellen dat de hier bedoelde vorkjes op een goedkope wijze uitgevoerd werden en dat we hier dus te maken hebben met de gewone reeks. Blijft nog de “luxe-uitvoering” over. Men zou zich kunnen afvragen of sommige postboden niet, op eigen kosten, een mooiere uitvoering hebben laten maken. Toch klinkt dat vrij onwaarschijnlijk. Er waren immers zo al klachten: “de arme landelyke briefdragers… moeten de kosten van die zonderlinge voorwerpen betalen… Men telt 1.186 landelyke briefdragers; dus mag men verzekeren dat degenen welke deze 1.186 vorkjes, aen 1 fr. 20 ct. het stuk, heeft mogen leveren, eene goede daghuer zal gewonnen hebben” (6)… Waarom en voor wie die “luxevorkjes” dan gemaakt zouden geworden zijn, is dus niet meteen duidelijk. Welke de oorsprong van het vorkje als wapen is, evenmin.

Laten we eerst eens kijken of er elders geen gelijkaardige vorkjes bestaan. Er is de ovenvork (7), die diende om takkenbossen in de broodoven te verplaatsen, en de “forket”, de steun waarop een musket of een geweer rustte. Die maken ons echter niet veel wijzer. Een mogelijk verband is er wel met een vorkje van de landbouwer: om bij het ploegen aarde en planten van het rister te duwen, gebruikte de boer een gaffelvormige stok, een stok met een kleine ijzeren spatel of een vorkje. Zo’n stok, dan wel versierd, droeg hij bovendien soms als statussymbool (8).

Maar waarom zou een postbode nu juist zo’n vorkje met een dubbele, dunne punt dragen? We onderzoeken enkele mogelijkheden. Ongetwijfeld was een wandelstok voor de toenmalige postbode uitermate handig; wie vroeger veel stapte over onze ongelijke, modderige wegen en paden gebruikte trouwens altijd zo’n hulpmiddel. Dat een stevige stok voorts goede diensten kon bewijzen om loslopende dieren op afstand te houden wanneer men een boerderij binnen moest, hoeft evenmin een betoog. Maar kon men daar zo’n vorkje voor gebruiken?

Het vorkje is merkelijk minder sterk dan het beslag dat gewoonlijk aangebracht werd aan het uiteinde van de wandelstok. Nader onderzoek van de overblijvende exemplaren wekt zelfs de indruk dat ze nooit echt als wandelstok gebruikt werden; de punten zijn daarvoor in te goede staat, zelfs wanneer de scherpe exemplaren – die eventueel nooit gediend hebben – buiten beschouwing worden gelaten. De geschiedenis van de wandelstok, de ploegstok, de prikstok, de herdersstok,, de distelsteker, enz. dient nog geschreven te worden maar andere “beroepswandelaars” schijnen zo’n vork toch niet gedragen te hebben, wel een rechte stok, al dan niet met één ijzeren punt.

Dan is er het gebruik als wapen tegen loslopende dieren. Wou men het dier niet kwetsen, dan had men de punten kort en bot gemaakt, zoals dat bv. het geval was met de drietand van de veedrijvers in de Franse Camargue. Maar hier had men juist twee scherpe punten die gevaarlijk waren, wat de landbouwer of de eigenaar van een hond zeker niet kon appreciëren. Dat het met het uitdelen van dat vorkje werkelijk de eerste bedoeling was de postbode met een wapen uit te rusten, lijkt bijgevolg ook weinig waarschijnlijk.

Het blijft dus de vraag of de vorm van deze “stok” (het vorkje) vooreerst wel echt een praktisch nut had. Evenmin is het duidelijk waarom het vorkje en de steel altijd door middel van een schroef verbonden zijn, en niet met een angel of zelfs een dille zoals bij grotere vorken. Was het de bedoeling gemakkelijk een versleten of gebroken vorkje te kunnen vervangen? In het geval van het vorkje van de boer lijkt dat nuttiger: zo kon hij (maar deed hij het?) zonder veel moeite op dezelfde steel een vorkje of een spatel bevestigen. Maar waarom werd dat ook op het vorkje van de postbode toegepast, ogenschijnlijk zonder direct nut, als hij het vorkje niet eens echt gebruikte?

Zijn die z.g. luxe-uitvoeringen dan erevorken van landbouwers en zou men daar dan de oorsprong van het vorkje van de postbode moeten zoeken? Zou dat statussymbool van de boer het model geweest zijn van de stok van de postbode? Zou men aldus meer prestige hebben willen geven aan die ambtenaar?

Het vorkje van de postbode, een courant voorwerp, bewijst andermaal dat er in verband met de studie van onze materiële cultuur, al dan niet met een “vorkje”, nog een lange weg valt af te leggen.


1) Tekeningen door Jan Marievoet, Museum voor de Oudere Technieken, Grimbergen.
2) Het metalen gedeelte is zo’n 24,5 tot 28,5 lang. De tanden, gemeten vanaf de binnenbasis van de U zijn 6,5 – 7 cm lang en aan de basis 0,5 cm dik. De afstand tussen beide punten is 4 tot 4,5 cm, de dille is binnenin 2-3 cm breed. Het vorkje weegt slechts zo’n 70 gr, met de dille wordt dat zo’n 250 gr en met de steel zo’n 500 gr.
3) Ministère des Travaux Publics, Cahier des charges 110 de 1852.
4) Ministerieel Besluit van 30 september 1852.
5) Ministerieel Besluit van 25 mei 1853.
6) De onpartijdige 29 mei 1853: 2. Hier wordt naar verwezen door A. STROOBANTS, Dendermondse postberichten in Dendermondse Museum- en Archiefberichten, 3 (1988) 16-19. Op te merken valt dat noch het aantal noch het bedrag overeenkomt met de officiële cijfers.
7) Zie bv. J. WEYNS, Volkshuisraad in Vlaanderen, Beerzel, 1974: 881.
8) Over de stok met schopje, zie H. STALPAERT, De boerenmakke in Biekorf46 (1945) 127-129. L. VAN ACKER, Een verdwenen gebruiksvoorwerp: de boerenvorke in Biekorf 53 (1952) 56-59 beschrijft een vork die eveneens een statussymbool was, maar van grote afmetingen (lengte 166 cm, afstand tussen de punten, 10,6 cm).

Wil je elke maand informatie over de geschiedenis van de technieken en het MOT ("MOTnews")? Klik dan hier.

Webwww.mot.be