|
Catalogues commerciauxCatalogues commerciaux belges d'avant 1950
|
HET MIDDELEEUWS VEEGMES OF EEN BELANGRIJKE KLEINIGHEID Johan DAVID in Technologia Bruxellensis 3 1982:5(1) zie ook ID-DOC, "Veegmes (Klompenmaker)", ID-DOC, "Veegmes (hoefsmid)" Résumé
Le maréchal-ferrant utilise entre autres un boutoir pour enlever la corne superflue du sabot du cheval. La première preuve de l'existence de cet outil semble être jusqu'à présent une miniature de 1373. Elle représente un boutoir sans garde, forme qui s'est maintenue en Grande-Bretagne et en Amérique. Sur le continent, par contre, l'outil continua son évolution et reçut une sorte de garde.
Abstract
The farrier uses a.o. a buttress-knife to cut off the horn of the hoof. The first evidence of such a tool seems to be a miniature of 1373, where a knife without " guard " can be seen. This form was used till recently in Great-Britain and America. On the continent the tool knew a further evolution: a " guard " was forged on it.
Vooraleer de smid het hoefijzer op de hoef plaatst, verwijdert hij het overtollige hoorn opdat het ijzer goed zou passen en de poot van het paard niet vervormd zou worden. Dat kan hij met verschillende werktuigen doen, die men vaak met elkaar verwart. Het hoefmes is een gewoon mesje, waarvan het blad zijdelings gekruld is, m.a.w. niet in één zelfde vlak ligt (afb. 2 onderaan). De vakman snijdt hiermee met één hand. Hij oefent dus betrekkelijk weinig kracht uit en gebruikt het werktuig dan ook vooral om de hoef te reinigen of af te werken. Met de houwkling daarentegen hakt hij. Ze bestaat uit een recht lemmer met brede rug, zonder hecht, waarop de hamer slaat. Het derde werktuig, waarover iets meer in dit artikeltje, is het veegmes, waarmee gesneden noch gehakt, maar gestoken wordt. ![]() William Marples & Sons, Sheffield, Price List 1909: 130 nr 4514 Het, tot nu toe, oudste bewijs van het bestaan van het veegmes is een miniatuur uit een Franse vertaling van het Rustican du cultivement van Petrus de Crescentiis, gedateerd van 1373 (afb. 1). Men ziet er een smid op die een hoef bewerkt. Zijn veegmes bestaat uit een hecht op een betrekkelijk lange ijzeren stang, die in een blad eindigt. Het uiteinde van dat blad is scherp. Met zo'n werktuig steekt de vakman het hoorn af. Hij duwt het veegmes naar voren. Om te vermijden dat zijn vingers tegen de hoef stoten, liggen hecht en blad niet in hetzelfde vlak. Opmerkelijk is dat het werkend deel hier boven het handvat afgebeeld werd. Onmogelijk is dat niet, maar toch weinig waarschijnlijk. Men mag zich afvragen of de kunstenaar het werktuig niet ondersteboven getekend heeft. ![]() Parijs, B.N. ms. fr. 12.330 f° 214 v°. Over de hoefstal zie David, 1981. Zo'n veegmes vinden wij ook elders, b.v. in Italië op het waarschijnlijk recenter fresco De Christus van de ambachtslui in de kathedraal van Biella (rechts boven de beslagbijl) (afb. 3). Wij treffen het nog aan in het gereedschap van de negentiende eeuwse hoefsmid. De stang is eveneens nagenoeg haaks gesmeed (Sloane, 1964) of zacht gebogen (Brandford, 1974), ook wel S-vormig (Jaffeux & Prival, 1975). Haar lengte schommelt tussen 10 en 30 centimeter. Het gedeelte van de stang, waarop het hecht bevestigd is, is soms uitgesmeed als steun voor de duim van de smid, en als haak om het werktuig tegen te houden (afb. 2) . Meestal duwt de vakman het werktuig met zijn rechterhand. De voorarm of het uiteinde van het hecht rust op de dij of de buik (Lafosse, 1771); daarom is het uiteinde van de greep soms zeer breed of min of meer T-vormig. De linkerhand rust dan op het verticaal gedeelte of de boog, en stopt de voorwaartse beweging. Het veegmes is immers én voor de helper én voor het paard een gevaarlijk werktuig (Allarousse, 1924), waar de smid steeds een goede greep moet op hebben (1). ![]() Merkwaardig is dat men deze middeleeuwse vorm van veegmes hoofdzakelijk in Groot-Brittannië (2) en de Verenigde Staten aantreft. Op het vasteland evolueerde het werktuig verder. Op een blazoen in het graduale van Lomnice nad Popelkou (Bohemen), daterend van 1578-82, vinden wij een duidelijke afbeelding van veegmes (afb. 4) . Het gelijkt sterk op het hierboven besproken model behalve dat de stang waarop het blad gesmeed is, achter het verticaal gedeelte doorloopt. ![]() Praha, Univ. bib. cod. XVII A 53/b f° 233. Op het eerste gezicht is dat maar een kleinigheid, maar nader onderzoek toont aan dat deze vorm het uitgangspunt was van een verschillende evolutie van het werktuig. Bij de Garsault (1741) en in de Encyclopédie (afb. 5) treffen wij een voorbeeld aan van de verdere ontwikkeling. Het werktuig bestaat hier uit twee aaneen gewelde stukken, het ene recht, met het blad op het einde, het ander min of meer U-vormig met een angel waarop het hecht steekt. De stang met het blad loopt onder het hecht door tot meer dan de helft van dat laatste. Dat stukje beschermt de vingers van de vakman, die anders tegen de hoef kunnen stoten. Daarom zouden wij, naar analogie met de blanke wapens, van het veegmes met beugel kunnen spreken. ![]() Dat veegmes met beugel is 25-30 cm lang en weegt zo'n 0,5 kg. De vorm van het werktuig is uiteraard niet altijd en overal dezelfde gebleven. Lengte en breedte van het blad verschillen, op sommige modellen - ook op het hoger besproken model - zijn opstaande randen op het blad gesmeed. Er bestaan zelfs veegmessen waarvan het blad door middel van een schroef met het hecht verbonden is, wat het slijpen vergemakkelijkt en het vervangen mogelijk maakt (3). Een blijkbaar veel minder gewone variante van dat model, in het bezit van het Museum voor de Oudere Technieken te Grimbergen, is afgebeeld op fig. 6 . De stang met het blad en het hecht zijn hier ook achteraan verbonden: de angel steekt door de plat gesmede stang. Het stuk, dat 28 cm lang is en een klein 0,7 kg weegt, dateert waarschijnlijk van ca. 1900 en is afkomstig van Grimbergen. Er is geen merk op te bespeuren. ![]() Museum voor de Oudere Technieken, inv. nr. 81.0103. De geschiedenis van het veegmes zou dus als volgt geschetst kunnen worden. Wellicht was het aanleidend werktuig een gewone rechte beitel. Om kwetsuren te voorkomen heeft men dan de stang gebogen zodat het hecht niet meer in hetzelfde vlak als het werkend deel lag. Wanneer dat gebeurde is niet bekend. Net zoals voor de hoefstal mag men zich afvragen of het werktuig niet uitgedacht werd na de uitvinding van het hoefijzer, en dan zou het middeleeuws zijn. Over het verzorgen van de hoeven in de oudheid is er evenwel nog betrekkelijk weinig bekend zodat het niet volkomen uitgesloten is dat men het veegmes reeds in die periode gebruikte. Al wat wij met zekerheid weten is dat het reeds in 1373 bestond. Ten laatste in de 16de eeuw evolueerde deze grondvorm dan verder. Men smeedde er een "beugel" op om de hand nog beter te beschermen. Merkwaardig is dat die ontwikkeling niet algemeen was. Op het vasteland treft men vooral het verder geëvolueerd veegmes met beugel aan. In Groot-Brittannië en Amerika daarentegen heeft de hoefsmid de oude vorm behouden. Deze schets toont eens te meer aan dat het fout is zo maar te stellen dat het gereedschap door de eeuwen heen weinig of niet veranderde (David, 1979). Nader onderzoek bewijst dat de werktuigen wel evolueerden en dat een kleine morfologische wijziging niet te verwaarlozen is, maar in feite van een afzonderlijke ontwikkeling kan getuigen. 1) Lafosse (1771) raadt de leerjongen aan met het veegmes op dode paarden te oefenen. Bibliografie
|
|
Pour recevoir chaque mois de l'information à propos de l'histoire des techniques et du MOT, cliquez ici. |
|
| |
|
|