Tarière (f.)

code d'identification

ID 19

morphologie

métier

métier

métier

métier

métier

métier

holotype

MOT V 81.0467 L=48cm l=42cm pds=0,91kg. Inscription: 14.

alias

boulonnier (syn.) (OSLET b: 33)

alias

rouanne (syn.)
description
La tarière (1) est un outil à main pour percer des trous, composé d'une manivelle et un foret ou une mèche. Le tabouret de 20 à 50 cm de long (voir tarrière à moyeu et tarrière à pompe) est en bois, parfois en métal.


La tarière est utilisée par de nombreux artisans de bois, surtout menuisiers; d'où les nombreux noms.

Voir aussi tarière de poitrine, vrille, vrille à sonnette, cuillère de sabotier, bondonnière, amorçoir, gibelet.


(1) In het Frans vindt men ook esseret en rouanne voor een lange avegaar; quillier (ook quille?) voor de boor die voor de naafboor gebruikt wordt (N.L.I.); barroir (ook vrille à barrer: MAIGNE: 84) voor de lange avegaar om de gaten te boren voor de houten nagels die het dwarsstuk op de bodem van een ton bevestigen. Daar de kuiper aan de andere kant van de ton staat om die gaten te boren, moet de avegaar langer zijn dan de middellijn van de ton. Voor BRUNET 1925: 69 is de losset een kleine avegaar die de vilebrequin vervangt. FELIBIEN: 748 en AUBIN: s.v. tarière, onderscheiden de grote avegaar van de kleine door het genus: un grand tarière maar une petite tarière".