Gietersstrijkijzer (o.)

identificatiecode
ID 1298
morfologie
morfologie
beroep
holotype
MOT V 2020.0404 (dubbele hoek) L=19cm B=3,7cm G=84gr
alias
hoek (syn.)
alias
lissoir (syn.)
alias
polijstnok (syn.) ( Dictionnaire international de fonderie, 234)
alias
slikker (syn.) ( Dictionnaire international de fonderie, 234)
beschrijving

Deze nieuwe werktuigfiche is nog in opbouw.

De vormgieter of mallenmaker in een ijzergieterij (bv. tingieter, kopergieter) gebruikt een heel arsenaal van gietersstrijkijzers (1) om een gietvorm op te bouwen en het zand passend aan te drukken. De gieter heeft enkele tientallen tot zelfs honderden gereedschappen voor handen, telkens iets afwijkend van vorm en afmetingen maar steeds licht en compact (ca. 10-30 cm lang en 5 cm breed, 5-50 gr zwaar, uitzonderlijk tot 150 gr. Afhankelijk van het model gaat het om stalen of bronzen werktuigen, uitzonderlijk ook aluminium en koperen onderdelen.

Er bestaat een grote variatie aan gietersstrijkijzers; zowel enkele als dubbele (bij dubbele modellen staan de bladen steeds in tegengestelde richting), met hol, gutsvormig of recht blad, met gebogen of hoekig uiteinde,...

De stalen werktuigen zijn troffel-, spatel- of haakvormig. Men kan dan spreken van gieterstroffels, vormspatels en zandhaken.

De bronzen werktuigen zijn haak-, spatel-, guts-, of stampervormig. Men kan dan spreken van polijsthaken, vormspatels, vormgutsen en vormstampers.

Binnen de bronzen werktuigen is er een grote variatie aan ijzers om het zand glad te strijken (2) in diverse geometrische vormen, al dan niet verbonden aan een staaf van 5-10 cm. De meeste zijn hoekig, enkele ovaal en uitzonderlijk volledig rond. Het lepelvormige strijkijzer wordt soms polijstlepel genoemd.

De kopergieter hanteerde nog enkele specifieke spatel- en haakvormige werktuigen.

Het gietersstrijkijzer is gemakkelijk te verwarren met het stukadoorspaleerijzer (3), in mindere mate ook met het boetseerijzer en het krabijzer. [MOT]

(1) Eigen algemene benaming voor dit werktuigtype. In Franse handboeken zijn pogingen gedaan om voor elk model een eigen benaming te onderscheiden. Zie DUPONTCHELLE, J.: Manuel pratique de fonderie, 1914, 128-131 en AMIC, E.: L'apprenti fondeur, Liège, 1927, 5-11. Dit meertalig woordenboek is een poging om terminologie internationaal af te stemmen, ook in het Nederlands: Internationaal Gieterijtechnisch Woordenboek, Paris, 1962, 482 blz.

(2) Afgeleid van het Franse lissoir. Gieters spraken meestal van 'hoeken'. Slikker of polijstnok komt ook voor.

(3) De inhoud van de gereedschapskoffer van een vormgieter wordt wel eens verward met uitrusting van de stukadoor, getuige dit artikel: Een kist vol gietgereedschap. Was het voor stucwerk of voor metaalgieten? in Gildebrief Ambacht en gereedschap, 2011, 4-8.

Dubbele hoek MOT V 2020.0404

Gootvormig gietersstrijkijzer MOT V 2020.0385

Gootvormig gietersstrijkijzer MOT V 2020.0202

Rond gietersstrijkijzer MOT V 2003.0601

Polijstlepel MOT V 2003.0561

Polijstlepel MOT V 2020.0452

Enkele hoek MOT V 89.0564

Enkele hoek MOT V 2003.0559

AMIC E., L'apprenti fondeur, Liège, 1927: 9

AUGÉ C., Larousse Universel en 2 volumes, 1923: 71

Gietersstrijkijzer (hoek) MOT V 2020.0392/1-29

Gietersstrijkijzer (hoek) MOT V 2020.0437/1-55