ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 1 - 50 1,303 resultaten gevonden
Omzetschop (v.)
Houten, hoofdzakelijk monoxiele, schop (ca. 100-140 cm lang) met ondiep holrond blad om het kiemende graan of mout  - dat op de moutvloer of op de eestvloer wordt uitgespreid - om te zetten, d.i. de lagen keren, dooreenwerken en verplaatsen. Te onderscheiden van graanschop. [MOT]
Afbiljoenschaaf (v.)
Kleine schaaf om af te biljoenen, d.i. een plank of een balk van zijn scherpe rand te ontdoen om een vellingkant te bekomen. Er zou een afbiljoenschaaf bestaan zonder geleider, die doorgaans "het maaksel eener grondschaaf heeft doch op de plaats van den beitel is eene overhoeksche sponning aangebracht" (1). Doorgaans heeft de afbiljoenschaaf evenwel een geleider. Het blok is dan een parallellepipedum waarvan de onderste zijde, de zool, uitgehold is in een omgekeerde V. Voor de beitel met op de as loodrechte snede glijdt in onze streken, een stuk hout waarvan het uiteinde ook loodrecht op de as ligt en dat als dieptegeleider dient. De beitel is door een wig vastgezet, de geleider door een schroef, soms ook door de wig (2). In de Verenigde Staten bestond een afbiljoenschaaf met breedtegeleider die de diepte van het werk bepaalde (3). De schrijnwerker laat de beitel enigszins uitsteken en duwt zijn schaaf op de hoek van de plank. Daarna laat hij de beitel en de geleider iets meer uitsteken en schaaft hij opnieuw....
Aasspade (v.)
Langs de kust - bij laag water - in het zand van slijkerige stranden vind je kleine trechtervormige gaatjes en, een 15 cm verderop, rolronde hoopjes. Het zijn de twee uiteinden van een verticale U-vormige gang (ca. 50cm diep), woonplaats van de zeepieren (Arenicola marina) (2). De zeepieren worden gebruikt als aas in de zeevisserij. De aasspade (1) is een spade met dik (ca. 3 mm), klein (ca. 16 x 13 cm), lepelvormig, ijzeren - uitzonderlijk aluminium - blad dat door middel van twee veren is verbonden met een houten D-steel (ca. 80 cm). De kleine afmetingen van de spade vergemakkelijken het snel graven, dat nodig is om het diertje te vangen; bij de geringste trilling van de bodem trekt de zeepier zich immers dieper terug in zijn gang. Sommige legerschopjes werden lichtjes aangepast en als aasspade gebruikt. [MOT] (1) Zie ook het artikel over de aasspade. (2) Vroeger Arenicola piscatorum.
Afgietdeksel (o.)
Keukenwerktuig dat men gebruikt wanneer men hete groenten afgiet. Het bestaat uit een aluminium of roestvrijstalen geperforeerde plaat in de vorm van een halve cirkel, waaraan een handvat bevestigd is. Met één hand houdt men het afgietdeksel over de rand van de pot terwijl men met de andere hand de pot kantelt. Sommige modellen hebben een verschuifbaar handvat met haken, zodat het afgietdeksel op potten van verschillende grootte past. [MOT]
Afhouwhamer (m.)
De afhouwhamer is een stalen hamer met convexe baan, enkel of dubbel, om grove afslagen te maken van een ruw blok natuursteen. Voor hetzelfde doel kan men ook een jop hanteren, die fijner werk levert en ook voor zachtere steen bruikbaar is (1). Hij wordt onder meer gebruikt bij het aanleggen van straten voor het klieven van kasseien en andere straatstenen. De afhouw-spitshamer is een gecombineerd werktuig met een spits aan het andere uiteinde. Zie ook de zwaaispits. [MOT] (1)Taille de la pierre. Guide pratique: 28.
Afgruistang (v.)
De glazenmaker kan de rand van een stuk glas afbreken met een afgruistang. Hij snijdt het glas in met een glassnijder en plaatst de bek van de tang tot aan de snijlijn. Vervolgens knijpt hij het werktuig dicht en breekt het stuk af. De kaken van de tang sluiten enkel op het einde zodat ze glas van verschillende dikte kunnen vatten; voor spiegelglas wordt de voorkeur gegeven aan een tang met een rechte en een gebogen kaak. De bek is vlak of geribd voor een betere grip. [MOT]
Afrondschaaf (Japanse) (v.)
De Japanse bolle schaaf (1) (Japans: sumi maru yoko zuri kanna) wordt door de schrijnwerker gebruikt voor o.m. de afwerking van houten panelen met gewelfd oppervlak. De bolronde schaafbeitel van deze schaaf zit schuin in het schaafblok en is vrij dun (0,4 cm) in vergelijking met dat van de Japanse blokschaaf (Japans: jo shiko hira kanna) (0,8 cm). Met deze schaaf wordt enkel dwars op de draad geschaafd. Ze wordt niet geduwd, maar over het hout getrokken en dient om de hoeken af te ronden. Vergelijk met de bossingschaaf bij ons, om de schuine kant van een plank te schaven. [MOT] (1) We hebben geen eigen benaming voor deze schaaf; ODATE: 118.
Afpitstang (v.)
De tegelzetter breekt zeer smalle kantjes van tegels af met een afpitstang. Net zoals bij de tegeltang zet men eerst een lijn uit tot waar men de tegel wil afbreken. Vervolgens snijdt men de glazuurlaag in met een tegelsnijder. Men verkleint zo de kans dat de tegel verder afbreekt dan nodig is. Tenslotte vat men de tegel met de tang en knijpt progressief stukjes van de tegel tot men de uitgezette lijn bereikt.  Alhoewel de afpitstang sterk verwant is met de tegeltang, lijkt ze eerder op een trektang. De bovenste kaak is vrij scherp om de kleine stukjes af te "pitsen". De onderste kaak is afgeknot en dient als steun voor de tegel. [MOT]
Achterijzer (o.)
Schoenmakerswerktuig met een rechthoekig metalen hoofd (ca. 3 cm bij 2 cm; ca. 1 cm dik) met een uitstekend randje (ca. 1-2 mm) waarlangs een gleufje waarin een getand wieltje zit, en een houten rechthoekig hecht. Met het verwarmde achterijzer wordt de bovenrand van de hielzool met was ingesmeerd; op deze wijze wordt er de gewenste vorm aan gegeven en verschijnt er een decoratief lijnpatroon. Zie ook kantijzer (schoenmaker). [MOT]
Afsteekmes voor stopverf (o.)
Het afsteekmes voor stopverf is een handwerktuig van kwekers van tafeldruiven (1) om oude verflagen, voorbewerkt met afbijtmiddel, te verwijderen tegen de ruiten van de serre. In tegenstelling tot het glasafsteekmes en het kleine afsteekmes van schilders is het lange afsteekmes (ca. 50-80 cm) volledig in ijzer vervaardigd. Het naar verhouding kleine mesje wordt in een langwerpig ijzer met ronde gaatjes vastgezet. De ijzeren staaf eindigt in een ring of dwarse staaf om het werktuig te vatten. Zie ook het stopmes. [MOT] (1) Dit werktuig komt vooral voor in de Druivenstreek (Overijse, Huldenberg, Hoeilaart, Tervuren, Terhulpen).
Bankhamer (m.)
Hamer van verschillende vormen waarvan sommige modellen sterk op een schrijnwerkershamer gelijken. De pen, die zowel haaks op als in hetzelfde vlak als de steel kan liggen (1), is wigvormig of is vervangen door een bol (2). Het werktuig weegt tussen 100 en 1300 gr (3). De bankwerker, maar ook de smid, de autohersteller en zelfs de schrijnwerker gebruiken de bankhamer voor allerhande werk. De edelsmid gebruikt een bankhamer met bolle pen om, bij z.g. parketwerk (4), het inlegmetaal op zijn plaats te kloppen. Te onderscheiden van de smeedhamer die zwaarder is. Zie ook haarspit. [MOT] (1) Ook wel penbankhamers genoemd. (2) Ook bolbankhamer genoemd. (3) Door een foute vertaling van de Engelse benaming "engineer's hammer" worden lichte (ca. 100-375 gr) bankhamers ook wel ingenieurshamers genoemd. (4) Techniek waarbij men vormpjes van verschillende metalen inlegt in een nauw aaneensluitend "lapjespatroon".
Bandhaak (wiel) (m.)
De bandhaak is een metalen (1) hefboom om de band op de velgen van een wiel te trekken. Het is een rechte staaf met losse haak (2), waarvan de afmetingen (0,50-2 m) verschillen naargelang van de grootte van het wiel (kruiwagen, wagen enz.). De haak kan door middel van een ring op de staaf glijden (3) of aan de staaf bevestigd zijn door een beugel of een spil. Hij kan ook door de staaf steken (4) of erop bevestigd zijn door een verstelbare bout. Soms wordt een dubbele haak gebruikt waardoor de staaf gestoken wordt. De gloeiende band wordt op de velgen gedragen, de uiteinden van twee of drie bandhaken onder de velgen gestoken en de haken op de band geplaatst. Door het naar beneden drukken van de hefbomen, wordt de band op de velgen getrokken terwijl de vakman er met een zware hamer op slaat. Het gaat hier om een smidswerktuig maar de wagenmaker had meestal ook bandhaken voor herstellingen waarvoor de smid niet nodig was. De heier gebruikt een bandhaak om de beslagring van de heipaal te verwijderen wanneer...
Beerlepel (m.)
Grote lepel met meestal een halfbolvormig (gegalvaniseerd) ijzeren schepblad (diam. ca. 25-30 cm) bevestigd aan een lange (ca. 120-140 cm) houten steel. Met de beerlepel wordt de gier of de beer uit de beerkuip geschept en verspreid over voornamelijk weiland. Soms wordt hiervoor ook een emmer of een oude klomp (1), vastgespijkerd aan een steel, gebruikt. Te onderscheiden van de stokemmer waarmee de beer uit de beerput in de beerkuip wordt geschept. Een gelijkaardige lepel, maar dan van koper en met een lange dille, werd in Duitsland in plaats van de blekersschop gebruikt (2). [MOT] (1) VAN DAM: 33 spreekt dan van een beerklomp. (2) ''Die grosse Wäsche'': 161.
Balsteker (m.)
Keukengerei met een metalen halve bol (ca. 0,5-3 cm) aan één of beide uiteinden van een recht hecht. Met de balsteker kan men balletjes draaien uit aardappelen, meloen, knolgewassen, boter, appelen en kaas en klokhuizen van halve appelen of peren verwijderen. Vaak is het gecombineerd met ander keukengereedschap zoals een botertrekker (1). Het is te onderscheiden van de ijslepel en van de comedonendrukker. Zie ook flesopener voor kroonkurk. [MOT] (1) Bv. BRIDGE & TIBBETTS: 43.
Behangmesje (o.)
Met het behangmesje kan men zoals met een behangsnijwieltje tijdens het aanbrengen van behang gemakkelijk langs plint en plafond, langs deur- en raamkozijnen, rond schakelaars e.d. snijden. Hecht en houder van dit handwerktuig bestaan uit één geheel. In de houder (4,5 cm bij 2 cm) wordt een vervangbaar scheermesje geklemd met behulp van één of meerdere metalen plaatjes en een schroef. Het hecht is van hout, aluminium of plastic. Zie ook behangersmes. [MOT]
Bandspreider (m.)
De garagehouder gebruikt de bandspreider om de binnenzijde van de buitenband na te kijken. Dit is nodig na elke reparatie aan de binnenband, aangezien het heel goed mogelijk is dat er nog scherpe delen door de buitenband steken. Ook breuken in de canvaslagen kunnen worden vastgesteld. Als de band niet te stug is, kan men hem met de handen uiteen te buigen. Bij grotere banden is een bandspreider noodzakelijk. Met de stelschroef is het mogelijk de bandspreider op elke stand vast te stellen. [MOT]
Behangsnijwieltje (o.)
Tijdens het aanbrengen van behang moet langs plinten en plafond, langs deur- en raamkozijnen, rond schakelaars e.d. veel gesneden worden. Dat gaat gemakkelijk met een behangsnijwieltje. Het heeft een stalen snijwieltje (ca. 4 cm doorsnede) met een scherp geslepen snede, dat aan een houten of plastic hecht bevestigd is. Te onderscheiden van het deegradertje en het pizzawieltje. Zie ook het behangmesje en het behangersmes. [MOT]
Bijenraamheffer (m.)
In de bijenkast kan propolis zich tussen de sponning van de ramen en de kast vasthechten, wat het oplichten van de ramen bemoeilijkt. Met de bijenraamheffer worden de vastzittende ramen lichtjes losgewrikt en opgelicht door het werktuig onder de toplat van het raam te schuiven en daarna als hefboom te gebruiken. Daarna kan de imker met zijn handen of met behulp van de tang voor bijenramen de ramen verder optillen. Het gewoon model bestaat uit een roestvrijstalen platte haak waarvan de holle zijde al dan niet is geribt. Een uitstulping – gebruikt als steunpunt – is aan de andere zijde van de haak voorzien. Dit model kan geheel van metaal (1) zijn of voorzien zijn van een handvat in hout of plastic. Veelal is de bijenraamheffer gecombineerd met een schraapbeitel, soms ook met een tang voor bijenramen. [MOT] (1) Zie een model in aluminium (MUSSCHE: 23).
Bietenrooispade (v.)
Kleine spade waarmee men suikerbieten rooit. Ze bestaat uit een plat, al dan niet versterkt met een rib, of holrond blad (ca. 14-22 cm) waarin een T-, D- of L-steel (ca. 28-40 cm) steekt. Soms is de snede van het blad V-vormig. Het werktuig wordt met één hand achter de biet gestoken en achterovergeduwd terwijl de plant met de andere hand uit de grond getrokken wordt. Zie ook bietenrooivork en bietenrooitang. [MOT]
Bloemenschaar (v.)
Op de kaken van de bloemenschaar is een v-vormige veer bevestigd. De punt van de 'v' zit vast op de draaispil en de beide uiteinden ervan, op de uiteinden van de kaken; soms is de veer vervangen door twee repen ijzer, die haaks op de kaken bevestigd zijn. Er bestaat een kort model, van zo'n 15 cm, en een lang, van zo'n 60 cm. Het lange model gelijkt enigszins op een afvaltang. Met de bloemenschaar kan men de stengel van een bloem doorknippen én vasthouden: wanneer men knipt, drukt men de veer dicht of komen de twee reepjes naar elkaar, en vat men de stengel tussen de armen of de veertjes. Vaak kan men het werktuig sluiten met twee haakjes aan de ogen van de schaar wanneer men het op zak draagt. [MOT]
Bikhamer (m.)
De bikhamer is een ijzeren hamer (ca. 400-500 gr) met 2 wigvormige pennen, waarvan zich één haaks op het vlak van de steel (ca. 25-35 cm) en één in hetzelfde vlak als dat van de steel bevindt. Sommige modellen hebben op de kaak van de kop een bijkomende dunne pen (1). Andere modellen zijn voorzien van een borsteltje (2). De bikhamer wordt door de ketelmaker gebruikt voor het verwijderen van ketelsteen. Ook de lasser gebruikt de bikhamer i.p.v. de lasbikhamer. [MOT] (1) Bv. ''Tech-term'': 1.13. (2) Bv. BAIRD & COMERFORD: 69.
Blaaspijp (huisraad) (v.)
Ijzeren of houten buis (ca. 50-60 cm) waardoorheen men met de mond lucht blaast om het vuur van de haard aan te wakkeren (1). Het benedenuiteinde kan eventueel puntvormig - opdat het niet dadelijk in de as terecht zou komen - gaffel- of spatelvormig zijn en doet dan eveneens dienst als haardvork of -schopje. Het benedenuiteinde kan ook dicht gesmeed zijn met in het midden een klein gaatje. Zo kan men veel effectiever lucht blazen. Aan het andere uiteinde is er een haak of ring waarmee de pijp wordt opgehangen. Zie ook blaaspijp (glasblazer). [MOT] (1) Soms werd voor dat doeleinde een oude geweerloop gebruikt (WEYNS 1974: 73).
Blaaspijp (glasblazer) (v.)
Lange (ca. 1,30-2 m), ijzeren buis (doorsnede opening is ca. 1-2 cm) met één breder uitlopend uiteinde - het glasstuk - en één uiteinde waar soms een houten omhulsel rond zit - het mondstuk. De glasblazer steekt de blaaspijp in de smeltkroes en neemt een hoeveelheid gesmolten brij op. Hij blaast zacht en voortdurend in de pijp; de brij wordt een peervormig blaasje dat steeds verder uitzet en dunnere wanden krijgt. Ondertussen draait de glasblazer de pijp rond. Wanneer het de gewenste vorm heeft, wordt het glas van de pijp afgeknipt. Zie ook blaaspijp (huisraad). [MOT]
Blekersschop (v.)
Houten, lange (ca. 2-2,15 m) gootvormige schep waarmee de bleker het linnen - dat op de wei uitgespreid lag - besproeide met water uit de gracht. Door de combinatie van het zonlicht, het gras waarop het linnen lag en het water werd het grauwe linnen wit van kleur. In Duitsland werd hiervoor een koperen lepel met lange dille gebruikt, die enigszins gelijkt op de beerlepel, of een gieter (1). Zie ook boezemschop. [MOT] (1) ''Die grosse Wäsche'': 161.
Borduurschaartje (o.)
Het borduurschaartje is een schaartje (ca. 8-10 cm) met twee korte (ca. 2-3 cm), smalle, puntige bladen. Het wordt tijdens het borduren gebruikt om draad af te knippen maar ook algemeen bij het naaien. De hoedenmaker knipt er de stof, de linten en de andere opsmuk mee (1). Een ander (Japans) model (2) kan tijdens het naaien makkelijk in de hand worden gehouden. Het bestaat uit één stuk U-vormig gebogen staal (ca. 10 cm) met twee korte (ca. 3 cm), driehoekige snijbladen. [MOT] (1) MIDGLEY & LAWTHER: 292. (2) Ook wel draadknippertje genoemd.
Bovenvolder (m.)
De bovenvolder wordt, al dan niet in combinatie met een ondervolder, gebruikt bij het insmeden van kragen en halzen. Hij wordt tevens gebruikt voor het verlengen van staven of banden, het opstuiken van een voetje aan het uiteinde van een staaf en om een lokale verdunning aan te brengen. De bovenvolder bestaat uit een halfronde - soms ook trapeziumvormige - hamerkop (diam. ca. 0,5-8cm) en een vlakke baan, waarin een houten steel (ca. 35-45 cm) steekt. Op de baan van het werkend deel wordt met een smeedhamer of een voorhamer geslagen. [MOT]
Bovenzadel (o.)
Smidswerktuig dat wordt gebruikt, al dan niet in combinatie met een onderzadel, om ijzeren staven op een bepaalde maat rond te smeden of een bepaalde vorm, gelijk aan de vorm van het zadel, te geven - zoals bijvoorbeeld het smeden van een rond uiteinde aan een staaf. Het werktuig bestaat uit een hamervormig werkend deel waarvan één uiteinde meestal voorzien is van een halfronde (diam. ca. 1-10 cm) goot of ander profiel en het andere uiteinde een vlakke baan heeft. Dat werkend deel wordt door middel van een steel (ca. 40 cm) van hout of van zware ijzerdraad gehouden terwijl er met de smeedhamer of een voorhamer op geslagen wordt. Bij het smeden van kleine stukken gebruikt de smid een zadeltang. [MOT]
Bouchardbeitel (m.)
De bouchardbeitel is een steenbeitel (ca. 12-19 cm) waarvan de doorsnede (ca. 1-2 cm) rond of polygonaal is en het uiteinde bestaat uit een vierkantig, rechthoekig, cirkelvormig, driehoekig of octogonaal hoofd met puntige tanden in de vorm van vierzijdige piramides. Het aantal tanden ligt tussen 6 en 49. De steenhouwer gebruikt de beitel samen met een metalen steenhouwersklopper om oneffen vlakken natuursteen vlak te maken, en kan daarmee veel nauwkeuriger werken dan met een bouchardhamer. [MOT]
Boterspaan (v.)
Uit de karn geraapt, dient de gewonnen boter te worden gekneed om de karnemelk eruit te werken. Dat kneden kan met de hand gebeuren of met een boterspaan. Dat is een houten handwerktuig met een plat, geribbeld blad en een recht of T-vormig handvat. [MOT]
Boterstempel (m.)
Houten of keramische rol of schijf met een stempelindruk waarmee boter gedecoreerd wordt. Wanneer het een rol betreft, is deze vergelijkbaar met de deegrol voor koekjes, maar hij is wel korter (ca. 10 cm); de schijf (ca. 1-3 cm dik en 2-10 cm doorsnede) is vierkantig of rond, met een handvat in het midden van de bovenzijde. Deze is te onderscheiden van de houten broodstempel. Zie ook botervorm. [MOT]
Buizenlepel (m.)
Voor het leggen van draineerbuizen wordt eerst een sleuf één à twee steken diep (en ca. 50-60 cm breed) uitgegraven met de tuinspade en de steekspade. Na de losse aarde die de spade niet heeft kunnen opnemen, verwijderd werd met een zandschop (metselaar), ook wel met een soort vlakke buizenlepel, wordt de sleuf op diepte gebracht met de spade (holle). Met de buizenlepel wordt tenslotte, zeer nauwkeurig en onder de vereiste helling, de bodem van de sleuf afgewerkt zodat de buizen erop gelegd kunnen worden (zie leghaak); de arbeider staat hierbij naast de sleuf. De buizenlepel bestaat uit een holrond blad (ca. 25-35 cm lang en ca. 8-11 cm breed), dat naar de snede toe soms iets wijder wordt (1). Dat werkend deel wordt met een scherpe (ca. 45°) of een stompe hoek (ca. 135°) aan een lange houten steel (ca. 140-300 cm) door middel van een dille bevestigd. Soms is de steel in het midden van het blad bevestigd en er bestaan ook regelbare modellen (2). [MOT] (1) Larousse agricole: 1.501. (2) Catalogus ''Sears, Roebuck...
Ceseel (o.)
Zware geheel metalen steenhouwersbeitel met dubbele vouw waarvan de hoek tussen 10° en 40° bedraagt, afhankelijk van de hardheid van de steen. De rechte snede is tussen ca. 3,5-12 cm en meer breed. Soms heeft het ceseel een houten hecht, gebruikt voor zachtere steensoorten (1). Na het steenoppervlak bewerkt te hebben met de bouchardbeitel of de bouchardhamer gebruikt de steenhouwer hoofdzakelijk een ceseel om te scharreren (2) en te frijnen. Dit is het steenoppervlak eerst ruw bewerken en daarna afwerken door het aanbrengen van ribben en (smalle) groeven waarbij deze bij het frijnen evenwijdig liggen en bij het scharreren niet. Hiervoor kan ook een vlecht worden gebruikt. In tegenstelling tot het bordijzer, waarmee men enkel langs de rand van het te bewerken vlak werkt, bewerkt men met het ceseel het hele vlak. De richting van het snijvlak wordt enigszins schuin t.o.v. de reeds bestaande rand geplaatst. [MOT] (1) BESSAC: 121. (2) Door JELLEMA: 47 ook schreren genoemd.
Champagnemesje (o.)
Met een champagnemesje kan men de kurk van de hals van een champagnefles loswrikken (1). Het is een mesje met houten hecht waar een kort (ca. 3 cm), bot en dik blad (ca. 5-7 mm) in steekt, dat eindigt in een gebogen punt. Deze punt wringt men tussen de verdikking van de kurk - die boven de rand van de hals uitsteekt - en de hals van de fles. Vervolgens beweegt men het mesje al wrikkend volledig rond de hals. Zo komt de kurk los en kan men hem gemakkelijk verwijderen. Een ander model champagnemesje, met vast blad, heeft tussen het hecht en de stompe punt nog een ruw snijvlak (ca. 4 cm) waarmee men voor het ontkurken eerst het halslood wegsnijdt. Het champagnemesje kan ook één van de onderdelen zijn van een kelnersmes dat ook een kurkentrekker en kort, scherp lemmet (ca. 4 cm) bevat. Zie ook champagnetang. [MOT] (1) LUCAS s.d.: 472 vermeldt dat men het champagnemesje tevens kan gebruiken om de muselet open te breken.
Capsuleklopper (m.)
De capsuleklopper (1) is een handwerktuig waarmee een capsule - d.i. een metalen dop met pinnetjes onderaan (2) - over de spon van een wijnton geplaatst wordt, zodat deze verzegeld is en klaar voor transport. Het is een houten langwerpige cilinder met onderaan een rond metalen (koperen) onderdeel dat met twee veren verbonden is met de rest van het werktuig. De diameter is afhankelijk van de grootte van het spongat. Bovenaan is er een beslagring aangebracht. De capsule wordt in het werktuig geplaatst, dat vervolgens over het spongat geplaatst wordt. Met een hamer klopt men op het werktuig en de capsule wordt in de ton gedreven. De capsule is groter dan het spongat en omsluit het dus. Het spongat is op deze wijze hermetisch afgesloten. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. (2) De capsule kan gemarkeerd zijn met het kenmerk (cijfer) van de verkoper of met motieven die met de wijnbouw te maken hebben zoals bv. een tros druiven. Gele capsules worden gebruikt voor...
Buigijzer (mandenmaker) (o.)
Het buigijzer is een werktuig van de mandenmaker om tenen te buigen. Het is een metalen (1) staafje van ca. 25-30 cm met een oog aan beide uiteinden (het een groter dan het ander) of met twee evenwijdige haaks staande staafjes van ca. 5 cm aan één uiteinde. De teen wordt in het gat, het oog of de keep, of tussen de twee staafjes geplaatst en het werktuig tegen de teen gedrukt (2) (zie klopper (mandenmaker)). [MOT] (1) Er bestaan ook houten modellen. Het bestaat uit een korte houten stang van ca. 30 cm met een gat in het uiteinde of een lange stok van 60-80 cm met een verdikking aan een uiteinde waarin een diepe keep gesneden is. De hoepelmaker gebruikt ook soms zulk een werktuig. DUHAMEL DU MONCEAU 1764: 1.234 en DARTHUY: 2.15 noemen het billard maar voor BRUNET 1925: 44 en RENARD 1921: 45 is de billard een soort raam om de hoepels te maken, dat in de grond gestoken wordt. DUHAMEL DU MONCEAU 1760: pl. 5 fig. 45 duidt met het woord ook een ander werktuig aan: espèce de maillet...
Briketpers (m.)
De briketpers is een tang om papierpulp tot rechthoekige briketten samen te persen, die dienen als brandstof voor het haardvuur. Modellen voor huishoudelijk gebruik bestaan uit een rechthoekig ijzeren recipiënt, dat wordt gevuld met versneden papier en karton, dat in water heeft geweekt. Er wordt een bijpassend ijzeren raster op geplaatst en stevig aangedrukt door een hefboom van twee zijdelingse beugels in elkaar te drukken. Eenmaal de briket is gevormd, kan men hem met de hand via de onderzijde uitdrukken. Volgens hetzelfde principe bestaan er ook persen op industriële schaal om bv. zaagsel en houtsnippers samen te persen. [MOT]
Castreertang (v.)
De castreertang (1) is een relatief zware (ca. 2-5 kg) tang met lange armen (ca. 30 cm) en een brede bek (ca. 8 cm) met sterk gebogen kaken, die gebruikt wordt om stieren te castreren. Eventueel bevindt er zich aan de onderzijde van één van de armen een U-vormige beugel die als steun op de knie gezet kan worden. Men plaatst de bek van de tang achtereenvolgens achter beide testikels - ter hoogte van de zaadstreng - en knijpt de tang gedurende een dertigtal seconden dicht. Na enkele dagen begint het scrotum te verschrompelen; de testikels verkleinen en sterven af. Zie ook castreerschaar. [MOT] (1) Zie BERTHELON.
Chaquitaclla (v.)
De chaquitaclla (1) (spreek uit tsja-ki-tak-li-ja) is een typisch landbouwwerktuig in het Andesgebergte van Zuid-Peru en Noord-Bolivië. De man gebruikt ze om braak liggende grond te bewerken door de kluiten te doen kantelen - zoals met de Spaanse laya-, waarna de vrouw de aardappelknollen poot met de hand (2). Niet zelden werkt een vijftal mannen naast elkaar; dan doen ze in één keer een hele reep kantelen. De chaquitaclla evolueerde van een graafstok naar een werktuig met een scherp metalen uiteinde, een gebogen of recht handvat, en een voetsteun. Het is ongeveer 1 à 1,5 meter lang en heeft een diameter van ongeveer 6 cm. De voetsteun bestaat uit twee stokken van ca. 20 cm lang die evenwijdig met elkaar zijn vastgesnoerd op ongeveer 45 cm hoogte. Het houten handvat is aan de steel vastgebonden met repen van lama- of runderleer. Wanneer op steile hellingen wordt gewerkt, is een lager geplaatst handvat -dicht bij de voetsteun - handiger om in evenwicht te blijven. De steel past in de dille...
Cultivator (hand) (m.)
Tuingereedschap dat bestaat uit een meestal 130-150 cm lange (1) houten steel met drie tot vijf - maar steeds in een oneven aantal - gebogen ijzeren tanden om de grond open te werken en om te woelen. Het werkend deel (ca. 10 tot 25 cm breed) kan vast of verwisselbaar zijn. In het laatste geval kan men het aantal tanden kiezen. De punten van de tanden zijn ovaal of driehoekig afgeplat. In tegenstelling tot de krabber wordt met de handcultivator de vaste onderliggende grond, met de scherpe platte punten en door zijn trekkende beweging enigszins omhoog gehaald en opengewerkt. De middelste tanden van een handcultivator zijn iets korter zodat de kluit kan worden verkruimeld. Te onderscheiden van de klauw met lange steel die smaller is en vooral dient om de grond oppervlakkig te breken. Zie ook sleepcultivator (hand) en handschoffelmachine. [MOT] (1) Volgens JACKSON: 339 kan de steel ook kort (25-90 cm) zijn.
Dolhamer (m.)
Zware hamer om te slachten vee te bedwelmen, om ze nadien met de halssnede te doden. Het bedwelmen kan geschieden met een slachtmasker, een (pen)schiettoestel of een dolhamer (1). Het kan een houten hamer (ca. 5-6 kg) met lange steel zijn (zie sleg). Het werkend deel kan ook van metaal zijn en gelijken op een steenklophamer. Of een hamer met een metalen kop die aan één zijde een staafvormig uiteinde heeft, waarmee men doorheen de schedel kan slaan om de hersenen te verbrijzelen. Een ander model bestaat uit een uitgeholde pen en een haak als ander uiteinde. De haak zou dienen om de pen, wanneer deze vast komt te zitten, uit de schedel te trekken. Zie ook stokdoorslag. [MOT] (1) Verboden sinds 1920 (bij Kon. Besluit van 5 juni) in Nederland. In Frankrijk sinds 1964.
Dekkersbijltje (o.)
Het dekkersbijltje is een licht bijltje - te onderscheiden van de leidekkershamer- van ca. 750 gr met oog en met rechte, betrekkelijk dunne steel (ca. 30 cm), waarvan het ijzer, bevestigd door één of twee veren, tegenover het blad in een vierkantig hamertje eindigt. De bovenzijde van het blad is doorgaans recht. In de onderzijde is dikwijls één (soms twee) inkeping(en) gesmeed om nagels uit te trekken. De snede is recht. Soms is heel het werktuig, steel inbegrepen, van metaal; het uiteinde van de steel wordt dan in lederen schijfjes gestoken of in een houten hecht. Deze vormen schijnen in onze streken echter weinig voor te komen. [MOT]
Deegsnijrol (m.)
Met een deegsnijrol snijdt de bakker in één keer verschillende reepjes uit een dunne lap deeg. Het is een lange cilinder (ca. 75-85 cm) met aan beide uiteinden een recht hecht en snijwieltjes op gelijke afstand van elkaar. Bij een ander model kunnen de snijwieltjes als een soort harmonica uit elkaar getrokken worden (1); de afstand tussen de snijwieltjes is dus regelbaar. Zie ook deegradertje en figuursteker. [MOT] (1) Dit model wordt ook wel Jan-hagelsnijder genoemd (FENNEMA: 235).
Dassenpers (v.)
Een das is steeds verkreukt daar waar men de knoop legt. Om deze kreuken eruit te krijgen, kan ze tussen een dassenpers gelegd worden. Die bestaat uit twee plankjes (ca. 25 cm bij 10 cm) waarvan de onderlinge afstand door middel van twee schroeven geregeld kan worden. Men stopt de das tussen de plankjes, de schroeven worden aangedraaid en zorgen zo voor de nodige druk; de das zal mooi glad geperst worden. Zie ook broekpers. [MOT]
Decorateurstang (v.)
Een decorateurstang is een samengesteld werktuig om zoveel mogelijk handelingen met één werktuig te kunnen uitvoeren. Deze tang bestaat uit een trektang, een fitterstang, een draadknipper, een hamer, een bijl, een koevoet en een schroevendraaier. [MOT]
Dekspaan (v.)
Nadat het riet is vastgeklemd met de dekkersheugel worden met de dekspaan de stoppeleinden van de rietstengels gelijk en op de vereiste dikte opgeklopt. Zo verkrijgt men een dak met vlak en egaal aanzien (1). De dekspaan is een vierkante of rechthoekige (ca. 14-20 cm x 24-30 cm) dikke (ca. 3-4 cm) houten (eik of essehout) plank (2) met aan de onderzijde rijen geboorde gaten (diam. ca. 1 à 1,5 cm; diepte ca. 1,5 à 2 cm). De stoppeleinden van de rietstengels passen in de doorboorde gaatjes van de dekspaan zodat ze niet kan wegglijden (3). Bovenaan is een houten steel (ca. 35-100 cm) bevestigd die een hoek van ca. 15° met het werkend deel vormt. De modellen met korte steel zijn soms voorzien van een zetje (zie haakpriem) en veelal gebruikt bij reparatiewerken. Deze met lange steel worden gebruikt voor het zwaardere drijfwerk. De dekspaan is soms voorzien van een haak om het tijdelijk op het dak te hangen. Na het opkloppen kan het riet vastgebonden worden (zie haakpriem en schoppriem). [MOT] (1) VAN HEMERT & VAN...
Dijkboor (v.)
Moet men het regen- of sneeuwwater op de akkerlanden snel afvoeren, dan kan men een gat boren door de dijk met behulp van een bijzondere grondboor, de dijkboor. Ze bestaat een uit een boorijzer (diam. 5-15 cm), dat guts- of schulpboorvormig (1) is, op een ijzeren stang (lengte ca. 180-320 cm; diam. ca. 3 cm) voorzien van een afneembaar ijzeren kruk (ca. 60 cm) (2). De meeste modellen kunnen verlengd worden door stangen (ca. 140-260 cm) in elkaar te steken en te bevestigen met een bout met moer. De lengte van de stang bij de dijkboor (ca. 140-260 cm) is langer dan bij de grondboor (ca. 80-150 cm). [MOT] (1) In dat geval is er aan het uiteinde vaak een haak (vgl. naafboor). (2) ''Landverbeteringen'' uit DAVID 1975a : 202, beschrijft een dijkboor waar de kruk niet op het einde van de stang bevestigd is. Dat uiteinde loopt door en er wordt een balk of plank tegen gedrukt, die werkt als hefboom en het indringen vergemakkelijkt.
Doorslag (smid) (m.)
Korte (10-17 cm) stalen cilinder, aan de omtrek vaak gekarteld, met steeds een vlak uiteinde (diam. ca. 1,5-6 mm), om gaten in dun plaatijzer te slaan. Onder de plaat wordt een stukje lood of kopshout gelegd, de doorslag wordt op de plaat geplaatst en aan het andere uiteinde wordt er met een bankhamer op geslagen. De smid gebruikt ook een zwaarder (15-25 cm; diam ca. 1 cm) model om in een gloeiend stuk ijzer gaten te slaan. Onder het werkstuk wordt dan een onderlegplaat gelegd en er wordt op de doorslag geslagen met de smeedhamer. De doorslag kan verschillende vormen aannemen naargelang het gat rond, vierkantig of langwerpig moet zijn (1). Zie ook stokdoorslag. Te onderscheiden van de drevel die een kegelvormig of licht uitgehold uiteinde heeft. [MOT] (1) Bv. ZWIERS: s.v. doorslag.
Dooierscheider (m.)
Met een dooierscheider kan men eiwit en dooier makkelijk van elkaar scheiden. Het is van blik of plastiek, rond (ca. 6-10 cm), met gaten of sleufjes onderaan en eventueel met een handvat. Wanneer men de dooierscheider boven een kommetje plaatst en het ei erboven breekt, blijft de dooier liggen in de kleine uitholling in de bodem van de dooierscheider terwijl het eiwit door de openingen in het kommetje druipt. De dooierscheider kan ook van steen zijn. Het bestaat dan uit een schaaltje met gleuf dat op een recipiënt past. Schaaltje en recipiënt vormen aldus één geheel. [MOT]
Diamantzeef (v.)
Diamantwerkers hanteren diverse modellen van de diamantzeef (1). De meeste dienen om diamanten te sorteren of om in een onderliggend recipiënt gruis op te vangen om verder te gebruiken bij het slijpen en zagen (2). Een model heeft schuin opstaande randen die passen onder een bijhorende machine bv. diamantsnijmachine om het afspringende gruis op te vangen. Een bijzonder model bestaat uit een koker met een bijpassende reeks van enkele tientallen koperen kalibers waarmee verschillende steengroottes van edelstenen gesorteerd worden. [MOT] (1) Te onderscheiden van de zeef om diamant te scheiden van bv. zand bij het opsporen of winnen van diamant. (2) Dit 'klateersel' wordt verder verpulverd tot bruikbaar diamantpoeder met een diamantvijzel.
Dekkersdisseltje (o.)
Het dekkersdisseltje is een kleine, licht gebogen dissel van ca. 1 kg, met hamer, door de dekker gebruikt om met de hamer latten vast te nagelen en met de dissel een keep in de sporen te houwen, latten recht of op lengte te hakken enz. Het werktuig is te onderscheiden van het pannendekkershamertje (1) van ca. 500-800 gr met een licht gebogen afgeschuinde pen om pannen te houwen, en van de kaphamer (2) van de metselaar, die erop gelijkt. Beide laatste werktuigen hebben een langere steel. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Fr.: martelet. (2) POLLING: 29. Fr. frelet (ook gurlet: N.L.I.).