ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoekresultaten 451 - 500 1,525 resultaten gevonden
Handzaag (v.)
Zaag met smaller toelopend stijf blad (20-120 cm) waarop een open of gesloten pistoolkolf of een recht hecht (1) bevestigd is. In de pistoolkolf steekt de vakman doorgaans slechts drie vingers: de wijsvinger rust tegen het blad. De zaagtanden hebben een schuine en een rechte zijde zodat men zowel dwars als in de lengterichting (zie schulpzaag) van het hout kan zagen. Aan het uiteinde van de rug van veel handzagen steekt een klein puntje uit. Het nut hiervan blijft een raadsel: voor de ene is het een vizierkorrel, voor de andere duidt het het einde van de zaag aan wanneer gezaagd wordt, voor vele is het een versiering (2). De handzaag wordt voor allerlei werken gebruikt en heeft de gewone spanzaag vervangen. De Japanse handzaag (Japans: anahiki kataba noko) heeft een licht (ca. 300 gr) flexibel stalen blad (ca. 10 bij 40 cm) dat in een lang (ca. 35 cm), lichtgebogen hecht steekt, dat steeds met twee handen vastgehouden wordt. Het blad is onregelmatig van vorm. De zaagsnede is niet recht,...
Handzaag voor cellenbeton (v.)
Cellen-, schuim- of gasbeton is een betonproduct met gasbelletjes erin, waardoor het materiaal licht, sterk en gemakkelijk verwerkbaar is met de handzaag voor cellenbeton en met de steenschaaf. De handzaag voor cellenbeton heeft een dik (ca. 1,5 mm) smaller toelopend blad (ca. 50-70 cm) waarop meestal een gesloten pistoolkolf bevestigd is. De grote hardmetalen (widia) tanden (30-40 tal) zijn schuin naar voor gericht, ze zagen dus bij het duwen van het werktuig. Zie ook handzaag en steenzaagje. [MOT]
Handzaaimachine (v.)
Met de handzaaimachine wordt in één handeling een zaaivoor gemaakt, het zaad - meestal van groenten - gelijkmatig in rijen gezaaid, de zaaivoor weer dicht gemaakt en de aarde aangedrukt. De handzaaimachine bestaat uit een ijzeren, nu ook aluminium, onderstel gedragen door een groot (diam. ca. 28 cm) smal voorwiel en een breed achterwiel van ijzer of plastic (diam. ca. 16 cm; breedte ca. 7 cm), dat in het midden wat uitgehold is. Men duwt het geheel voort door middel van twee houten of ijzeren armen (ca. 130 cm). Het onderstel bestaat uit een houten, ijzeren of plastic zaadbak (1), met onderaan een tandrad dat door middel van een ketting of een ander aandrijfmechanisme met het voorwiel verbonden is. De zaadbak versmalt naar onder toe met aan de achterwand een regelbare opening, naargelang de grootte van het zaad dat wordt gebruikt. Soms zijn hiervoor verschillende tandraderen voorzien (2). Bij het voortduwen van het toestel komt het tandrad in de zaadbak in beweging, waardoor het zaad...
Hanenkam (m.)
De hanenkam dient om het stof af te nemen tussen een muur en de achterwand van kasten. Het is een smalle (ca. 1 cm), lange (ca. 35-40 cm) handborstel waarvan het hecht in hetzelfde vlak als het werkend deel ligt en soms omhoog gebogen is. Het bestaat uit één rij haarbundels (ca. 20-25) uit paardenhaar die 'getrokken' in het borstellichaam zitten: gaten (1) worden door het hout geboord waardoor men een lus van dun roestvrij ijzerdraad steekt. Door de lus komt het koppeneinde van de haarbundel. Laatstgenoemde klemt in het geboorde gat bij het aantrekken van de draad. Grotere modellen (ca. 50-125 cm) zijn op het uiteinde en gedeeltelijk op de bovenzijde van het borstellichaam voorzien van haarbundels (ca. 25-30). [MOT] (1) "Van de ene kant tot op het midden der houtdikte, wijde gaten en van de andere kant, op de wijde aansluitende, nauwe gaten, zodat er in het midden van het gat een vernauwing of borst ontstaan is." (BOERMAN: 42).
Hangijzer (o.)
Een hangijzer werd aan de haak van ketting-, schroef- of zaaghaal gehangen om er een pan of wafelijzer op te plaatsen. Onderaan is er een ring waar een pan of een wafelijzer op gezet kon worden; vervolgens zijn er twee diametraal daarvan uitgaande, eerst horizontaal verlopende en dan schuin opwaarts naar elkaar toe stijgende hangarmen; bovenaan tenslotte zit een scharnierend of vast, meestal maanvormig hengsel dat aan de haak van de haal gehangen werd. [MOT]
Herdersstok (m.)
Deze nieuwe werktuigfiche is in opbouw. [MOT]
Hielafrondmes (o.)
Het hielafrondmes is een mes van ongeveer dezelfde lengte als het krammes (ca. 80-100 cm), ook met aan één uiteinde een dwars houten hecht en aan het andere uiteinde een haak die in een zware kram aan de werkbank bevestigd wordt, maar enkel voorzien van een kort holrond snijdend gedeelte in het midden. Hiermee wordt de hiel afgerond en wordt er een vloeiende overgang gemaakt tussen de hielpartij en het achterste gedeelte van de klomp. Men moet hiervoor dwars op de vezels snijden, aldus is het mes zeer scherp. Ook de bovenzijde van de klompschoen wordt licht uitgehold met het hielafrondmes zodat het de vorm van de voet aanneemt. [MOT]
Hielmes (o.)
Het hielmes dient om de hiel van een klomp binnenin glad te snijden. Zijn ca. 4 cm lang tweesnijdend blad, waarvan een uiteinde soms naar boven gebogen is, eindigt in een op zijn vlak haaks staande angel. Deze laatste steekt in een rechte houten steel van ca. 30 cm. Het blad heeft ook soms de vorm van een platgedrukt vraagteken. Met zijn linkerhand vat de klompenmaker de steel bij het ijzer, de rechterhand houdt hij dichtbij het uiteinde. [MOT]
Hijstang (v.)
Sommige lasten kan men makkelijk met een hijstang vastnemen en vervolgens met een hijstoestel verplaatsen. Het gewicht zelf trekt de tang dicht, dus hoe groter het gewicht, des te groter de klemkracht. Er bestaan hijstangen voor steen, stammen, zakken, smeltkroezen, vaten, buizen ... De tang is aangepast aan het voorwerp dat het grijpt. Hieronder volgt de bespreking van een aantal hijstangen. De oudere types zijn de steenschaar, de hijstang voor ijs, hijstang voor molenzakken en voor smeltkroezen. In tegenstelling tot haar naam is de steenschaar geen schaar, maar een hijstang voor steen. De kaken kunnen zeer ver opengaan om brede stukken te vatten. Bij de hijstang voor molenzakken is dit echter niet nodig, aangezien de tang slechts de strop van de zak grijpt om de zak naar boven te hijsen. In de huidige catalogi vinden we balktangen en allerlei heftangen voor buizen en vaten. De kaken van de tangen die rond balken of buizen grijpen, zijn vrij groot en halfrond. Bij de tangen die I-vormige balken opheffen, grijpen...
Hijstang voor ijs (v.)
Deze nieuwe werktuigfiche is in opbouw. Hijstang om blokken ijs te grijpen. [MOT]
Hoedenborstel (m.)
Smalle borstel (niet breder dan 5 cm) met zachte varkens-, paarden- of geitenharen om vilten (1) of zijden hoeden (2) te ontdoen van stof en pluisjes door ze schoon te borstelen en glad te strijken. Met de ene hand wordt de hoed van onderen vast gehouden, terwijl je met de andere hand de hoedenborstel vat en de hoedrand van bovenaf tegen de klok in (3) begint te borstelen. Vervolgens worden de bovenzijde en de schacht van de hoed onder handen genomen. Als laatste wordt de onderzijde van de hoedrand en eventueel de hoofdband geborsteld. De hoedenborstel bestaat in verschillende modellen. Veelal gelijkt hij sterk op de kleerborstel maar is korter en smaller (zie afbeelding uit Miele & Co 1901: 38). Zeer smalle (ca. 1 cm) zakmodellen, meestal voorzien van reclameopdruk, kunnen ook gebruikt worden als kleerborstel of tafelschuier. Andere modellen hebben een zijdelings licht gebogen borstellichaam - al dan niet voorzien van een steel (4) - om zich aan de vorm van de hoed aan te passen en om...
Hoefhakbeitel (m.)
De hoefhakbeitel (1) is een handwerktuig met stalen blad en T-vormig houten handvat. Er bestaan zowel lange (ca. 50 cm) modellen die op een kleine spade gelijken als korte (15 à 20 cm) beitel- of spatelvormige modellen. Zie ook de enkele nietenkapper met kort blad. Deze korte modellen hebben meestal een kleine knik halverwege, die dient om de hoeven van een paard te bekappen, in aanvulling op courantere handwerktuigen zoals het hoefhakmes (2). [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Zie het Engelse horse hoof chisel ten opzichte van het Franse spatule à sabot of pelle à sabot. (2) WIESENDANGER H., Klauen- und Hornpflege des Rindes, Zürich, s.d., 24-25 toont gelijkaardige beitelvormige werktuigen voor de zachte hoornlaag aan de achterklauwen van een rund: "Ausstossmesser für das schneiden der Sohlen der Hinterklauen."
Hoefhakmes (o.)
Het hoefhakmes is een meestal volledig metalen mes zonder hecht, met een lange rechte snede (tussen 15 en 35 cm); er bestaat ook een model met hecht en een kort (ca. 7 cm) werkend deel. De rug van het hoefhakmes is breed (5 mm), zodat de hoefsmid er met behulp van zijn hoefhamer op kan slaan. Met het mes wordt het overtollige hoorn van de paardenhoef weggehakt. Zodoende wordt de hoef klaargemaakt voor het bevestigen van een hoefijzer. Wat de vorm betreft, is verwarring mogelijk met het metselaarsgereedschap, de sabel, om bakstenen op maat door te kappen. Zie ook hoefrasp. [MOT]
Hoefhamer (m.)
De hoefhamer is een hamer (300-600 gr) met ronde, vlakke baan en gespleten pen die sterk op de klauwhamer (timmerman) lijkt maar er toch van te onderscheiden is doordat zijn klauw meestal korter en sterker gebogen is. De hoefsmid gebruikt deze hamer om het hoefijzer - wanneer het na verscheidene verhittingen en behameringen perfect op de hoef past - vast te nagelen. De nagels dienen naar buiten toe geslagen te worden om het vlees van de voet niet te kwetsen. Met de klauw worden de nagels die buiten de hoef uitsteken, geklonken. [MOT]
Hoefijzerdoorslag (m.)
Na het ritsen (zie ritsbeitel (metaalbewerking)) en het vormen van de nagelgaten (zie stokpuntslag (hoefsmid)) in het hoefijzer, gebruikt de hoefsmid een hoefijzerdoorslag om de gaten door te slaan of te vergroten. De hoefijzerdoorslag is een lange (ca. 25-40 cm) ijzeren beitel die uitloopt in een kleine rechthoekige (ca. 3 mm bij 1,5 mm) punt. Zie ook nietenkapper. [MOT]
Hoefkrabber (m.)
De hoefkrabber is een ijzeren of plastic haak (ca. 15 cm lang) waarmee het vuil uit de hoeven van een paard verwijderd wordt. Het handwerktuig is vaak gecombineerd met een kalkoensleutel of een borsteltje, soms ook met een ringsleutel. Het maakt veelal deel uit van het ruitersknipmes. [MOT]
Hoefmes voor paarden (o.)
Handwerktuig dat de hoefsmid gebruikt om de hoeven van paarden bij te werken. Het heeft een meestal lichtjes gekromd blad dat op het uiteinde omgebogen is en dat over de ganse lengte snijdt. (Vergelijk met de balkenrits, de boomrits, de kuipersrits en de klompenmakersrits). Dat blad steekt in een vaak naar boven gebogen houten hecht. Met het mes wordt overtollig hoorn weggesneden. Met het omgebogen uiteinde - dat eveneens snijdt - kunnen onzuiverheden aan de binnenzijde van de hoef verwijderd worden. Er bestaan modellen voor zowel links- als rechtshandigen (1). Zie ook ruitersknipmes. [MOT] (1) Bv. Encyclopédie 1740-80, deel 13: s.v. Marechal-ferrant.
Hoefrasp (v.)
Rechthoekig handwerktuig (ca. 4 cm breed; ca. 25-50 cm lang), al dan niet met handvat, dat zowel rasp als vijl combineert; aan de ene zijde met een dubbele vijlhouw en aan de andere zijde met een rasphouw. De korte zijde(n) is/zijn meestal licht afgerond. De lange zijden zijn soms gegroefd als een vijl. Bij de hoefrasp zonder handvat, ook wel dubbele hoefrasp genoemd (1), raspen of vijlen de twee helften in de tegenovergestelde richting. Soms is er maar één zijde bekapt waarvan de ene helft met een dubbele vijlhouw en de andere helft met een rasphouw. Na het overtollige hoorn van de paardenhoef weg gehakt te hebben met het hoefhakmes en de hoefhamer, gebruikt de hoefsmid de hoefrasp om de rand van de paardenhoef die op het hoefijzer zal dragen, geheel vlak te raspen/vijlen; ook, om de buitenrand van de hoef te breken om inscheuren te voorkomen. Het model zonder handvat gelijkt sterk op de schoenmakersrasp, die evenwel korter is. [MOT] (1) Tech-term: 11.6.
Hoefsmeedhamer (m.)
Zware (ca. 1,400-2 kg), trapeziumvormig gesmede hamer met vlakke of licht bolronde baan en korte (ca. 20-25 cm) steel. De hoefsmid smeedt hoefijzers meestal met een smeedhamer. In sommige gebieden van Frankrijk daarentegen gebruikt men een specifieke hamer, de hoefsmeedhamer. Door de trapeziumvormige kop kan hij uitzonderlijk op de houwhamer gelijken. [MOT]
Hoeftang (v.)
Door haar vorm gelijkt de hoeftang op de trektang. Ze is evenwel groter en de bek is vaak platgedrukt. De hoefsmid plaatst de kaken tussen het hoefijzer en de hoef - daarom is de bek hoog - en wringt het ijzer wat los. Zo trekt hij de nagels lichtjes uit de hoef. Daarna slaat hij het ijzer terug op zijn plaats en vat de nagels zoals met een trektang. De hoeftang dient bovendien als steun bij het omslaan van de nagels, ook omnieten genoemd, wanneer het paard beslagen wordt (zie hoefhamer). "De nijptang wordt tegen de omgeslagen niet (=uiteinde) gehouden, terwijl men met de hamer enkele flinke slagen op de 1 mm onder de ondervlakte van het ijzer uitstekende nagelkop geeft. Daarna worden de nu omgehaalde nieten flink aangeslagen en uitstekende randen met de vijl weggenomen" (1). Om de steun te verbeteren, is bij sommige modellen één kaak rechthoekig uitgesmeed. Zie ook nietenkapper, gebruikt voor dat de hoef wordt verwijderd en de onderkapper, gebruikt voor dat de niet van de hoefnagel wordt...
Hoefvoeltang (v.)
Tang waarmee de hoefsmid zieke, pijnlijke hoeven onderzoekt. In de hoef kan pijn ontstaan doordat vormveranderingen van de hoornige delen een druk op de daarbinnen gelegen delen uitoefenen en doordat inwendige delen van de hoef gezwollen zijn en hierdoor een directe druk op de zenuwen van de hoef uitoefenen. De hoefvoeltang is een vrij grote tang (ca. 30-40 cm lang) met een bek die ver open kan zodat de hoef ertussen kan. De kaken zijn rechthoekig of rond in doorsnede en zijn op het uiteinde voorzien van nopjes. Met de tang worden de verschillende delen van de hoef beknepen; aan de hand van de reactie van het paard kan men de pijnlijke plaats achterhalen. [MOT]
Hoekomslagboor (v.)
De hoekomslagboor is een omslagboor waarmee makkelijk in hoeken gewerkt kan worden. De overbrenging van booromslag naar werkend deel gebeurt hier door middel van tandraderen of een cardankoppeling. [MOT]
Hoektroffel (m.)
Troffel (ca. 20 cm) waarvan het blad (ca. 8-10 cm bij 5-7 cm) een hoek van 90 graden vormt. De overgang tussen beide bladhelften kan scherp of afgerond zijn. De stukadoor gebruikt de hoektroffel voor het afwerken van hoeken. Er bestaat een hoektroffel voor uitspringende en één voor inspringende hoeken. Zie ook goottroffel. [MOT]
Hoepeldrijver (m.)
Werktuig om de hoepels op een kuip te drijven. Voor metalen hoepels is het een metalen blokje met een houten in de lengte gericht hecht, waarvan een zijde overdwars holrond is (geheel 15-20 cm; breedte ca. 5-8 cm; dikte ca. 0,8-2 cm); het kan ook geheel van metaal zijn. Het ondereinde is overdwars uitgehold of gekarteld om het wegglijden te voorkomen. Soms wordt een steel haaks in het werktuig gestoken zodat het op een hamer gelijkt; deze drijfijzers zijn voor grote tonnen bestemd en worden stokhoepeldrijvers genoemd. Voor houten hoepels kan hetzelfde werktuig aangewend worden maar meestal wordt gebruik gemaakt van een geheel houten hoepeldrijver. De kuiper plaatst de hoepeldrijver op de hoepel met de holronde zijde tegen de duig. Met een hamer of met zijn rechte dissel slaat hij erop tot wanneer de hoepel op zijn plaats is. [MOT]
Hoepelhaak (v.)
De hoepelhaak is een hefboom van de tweede soort om de laatste hoepels op een ton te trekken en om de duigen van elkaar te verwijderen wanneer de bodemstukken in de kroos geplaatst worden of wanneer werk of riet tussen de duigen gestoken wordt. Het is een rechte stang (ca. 60 cm; middellijn 4-5 cm) met een door een metalen plaat beslagen afgeschuind uiteinde. Op enige afstand van dat uiteinde is een losse L-vormige ijzeren haak (1) vastgemaakt. De hoepel wordt op de ton gelegd. Aan een kant wordt hij meestal tegengehouden door een klemhaak, d.i. een metalen aan één uiteinde haaks gebogen staaf, waarop een haak glijdt. De haak van de hoepelhaak vat de hoepel aan de overkant terwijl het afgeschuind uiteinde op de ton steunt. De druk van boven naar beneden trekt de hoepel op de duigen. Het werktuig is te vergelijken met de bandhaak (wiel), de palter en de haagtrekker. [MOT] (1) De houten haak (DUNARE: 614) is waarschijnlijk uitzonderlijk.
Holle schaaf (v.)
De holle schaaf (1) dient om dunne ronde voorwerpen te schaven, bv. een steel (2) of een spaak (3), ook - gepaard met een bolle schaaf - een rond stuk dat in een ander moet sluiten, bv. een vensterraam. Het is een betrekkelijk smalle schaaf (0,7-4,5cm) zonder keerbeitel noch aanslag, waarvan de zool in de breedte holrond is. [MOT] (1) De neusschaaf (Fr. nez-de-marche) is een holle schaaf speciaal bestemd om de neus van een trede rond te schaven. (2) LEGROS 1950: 300. (3) STURT: 97.
Holpijp (m.)
Men kan gaten van verschillende grootte in leder maken met behulp van een holpijp, d.i. een metalen buis (1) met scherpe randen. De doorsnede varieert van enkele millimeters tot enkele centimeters. Men legt een stuk leder op een houten, loden of koperen steun om de snede niet te beschadigen. Vervolgens plaatst men de holpijp op de plaats waar men het gat wenst en slaat erop met een hamer. Men heeft dus zijn twee handen nodig; dat kan voor kleine gaten vermeden worden met de holpijptang. Zie ook kurkboor. [MOT] (1) Met of zonder schouders. Met schouders spreekt men van schouderholpijp of beugelholpijp (Tech-Term: 3.7-3.9).
Holpijptang (v.)
Met de holpijptang kan men gaatjes in leer (1) maken. Op de ene kaak is een holpijpje (zie holpijp) bevestigd - d.i. een buisje met scherpe randen - en op de andere kaak bevindt zich een koperen steun om de snede niet te beschadigen. Wanneer men de tang dichtknijpt, drukt men een gat in het leer. De holpijp is doorgaans in de tang geschroefd. Men kan ze verwijderen om ze te slijpen of om ze te vervangen door een holpijp met een andere doorsnede. Bij sommige modellen is de binnenzijde van een van de armen voorzien voor andere pijpjes. Nog handiger is de revolverholpijptang. Op een van haar kaken draait een radje, waarop zes holpijpen van verschillende doorsnede bevestigd zijn. Vele holpijptangen gaan automatisch open dankzij een veer en er bestaan er met gelede armen. De holpijptang is verwant met de knoopsgatentang, die echter lange smalle openingen in leer snijdt voor knoopsgaten. Zie ook metaalponstang. [MOT] (1) In de 19de eeuw werd het gebruik van de holpijptang ook wel aangeraden...
Hondenscheermes (o.)
Het handvat van dit werktuig mondt uit in een rechthoekige houder met twee schroefjes. Daartussen wordt een rechthoekig scheermesje (van ca. 5 cm) dat aan beide zijden snijdt, vastgeklemd. De hondenscheerder snijdt hiermee het haar van de hond korter, of gebruikt het mes samen met een kam als effileermes. Men trekt het haar glad tussen wijs- en middelvinger van de linkerhand. Met de rechterhand houdt men het mes horizontaal vast net boven de linkerhand. Terwijl het haar strak wordt getrokken, snijdt men met een verticaal schrapende beweging het haar van de hond korter. Zie ook tondeuse voor honden en schapen en tondeuse voor paarden en runderen. [MOT]
Honinglepel (m.)
Een honinglepel is een stampervormig stuk bestek, meestal van hout, om honing uit een pot te verdelen op bv. brood (1). Hij bestaat uit een rechte steel met bolvormige kop met cirkelvormige uitsparingen. Men dipt hem in verticale positie in de honing zodat deze in de uitsparingen blijft hangen. Om de honing te verdelen, draait men hem traag rond tot een horizontale positie. [MOT] (1) Strikt genomen is het geen werktuig voor de genoemde beroepen. Omdat hij slechts efficiënt is bij veelvuldig gebruik, om hem niet telkens te hoeven afwassen, is hij vooral in gebruik als bestek bij buffetten en als gadget bij het proeven van honing. Metalen honinglepels zijn minder gangbaar als keukengerei omdat ze bij langdurig contact met honing een chemische reactie kunnen veroorzaken.
Honinglosser (m.)
Deze nieuwe werktuigfiche is in opbouw. [MOT]
Honingzeef (v.)
Tijdens het slingeren, het uit de raat halen van honing door middel van een slingermachine, kan de imker onder de tapkraan van de slingermachine een honingzeef hangen. Zo kan de druipende honing al gereinigd worden van broed, wasdeeltjes en andere onzuiverheden. De honingzeef heeft een metalen huis (ca. 20 cm doorsnede) en een bodem van metalen gaas. Met de twee hengsels kan de zeef over een bak gehangen worden. Er bestaan platte, bolvormige en conische honingzeven. [MOT]
Hooihaak (m.)
De hooihaak wordt gebruikt om een pluk hooi uit het binnenste van een hooimijt of van de hooizolder te trekken. Dat staaltje kan dan onderzocht worden op toestand en kwaliteit. Zowel voor de voedingswaarde als voor de veiligheid (zelfontbranding) is het immers belangrijk na te gaan of het hooi binnenin droog is. De hooihaak bestaat meestal (1) uit een ijzeren stang (ca. 30 cm) eindigend in een punt en op ca. 5 cm van het uiteinde voorzien van een weerhaak met licht gebogen punt (2). Het werkend deel en de rechte houten steel (ca. 80 cm) zijn door middel van een dille met elkaar verbonden. Soms is het werktuig geheel uit ijzer en eindigt de stang in een oog (3). Hij is dan niet te verwarren met de pomphaak. [MOT] (1) Volgens DAVID 1973: 25 bestaan er ook volledig houten hooihaken. (2) SELLENS: 233 vermeldt dat een hooihaak twee of meer haken kan tellen. (3) Bv. DEVLIEGHER: 82.
Hooihark (hand) (v.)
De hooihark (1) is een grote hark om bij het hooien het gras bijeen te trekken (2) en/of te keren (3) (zie ook hooivork). In de (moes)tuin wordt ze ook al eens gebruikt als grondhark (4).   De hooihark is een houten of ijzeren - nu ook aluminium - werktuig, ca. 35-150 cm breed (5), met rechte of gebogen tanden. Het werkend deel (6) staat haaks of schuin op de ca. 150-165 cm lange steel. Nu bestaan er ook hooiharken waarbij de richting van de balk instelbaar is. Het aantal tanden, met een lengte van ca. 10-20 cm en een onderlinge afstand van ca. 5 cm, varieert van zes tot twintig of meer. Soms steken de tanden door de balk zodat beide zijden van het werkend deel gebruikt kunnen worden. Vaak verstevigt een schuin stuk of een beugel de verbinding tussen het werkend deel en de steel, of is de steel zelf gaffelvormig of gespleten. Bij het breedste (ca. 150 cm) ijzeren model (7) is een al dan niet verschuifbaar D-vormig handvat, voor de tweede hand, voorzien. Een ander breed (ca. 100-200 cm)...
Hooimes (o.) / Hooizaag (v.)
Het hooimes heeft een 50 tot 100 cm lang blad met al dan niet getande snede; wanneer er tanden aanwezig zijn, spreekt men van een hooizaag. Met dat handwerktuig of de hooizaag wordt samengeperst hooi, maar ook mest of ingekuild veevoer in stukken gesneden met een verticale beweging. [MOT]
Hooispade (v.)
Met een hooispade kan men sterk in elkaar geperst hooi afsteken (zie ook hooizaag). Nadien kan men het verder verwerken met de hooivork. Zij heeft een plat blad waarvan de scherpe snede in het midden (V-vormig) uitgehold is (1); een steun voor de voet is haaks op het blad of de (lange) dille bevestigd. De houten steel (ca. 100 cm) is recht. Te onderscheiden van de zodensteker. [MOT] (1) Er bestaan ook modellen met dubbele V-vormige uitholling. Volgens SELLENS: 268, zou dit evenwel een zodensteker zijn.
Hooivork (v.)
De hooivork is een vork met 2 à 3 - soms vier - ronde of vierkantige, puntige, licht gebogen, ijzeren of stalen tanden (ca. 15-30 cm; tussenafstand: ca. 7-20 cm), die door middel van een dille, een angel of twee veren, met een rechte houten steel van uiteenlopende lengte (ca. 100-300 cm) verbonden is. Soms ook is het een monoxiel gaffelvormige tak (1). De landbouwer geeft de voorkeur aan een stalen hooivork met twee tanden, om bij de oogst, de schoven op de kar te steken of het vanaf de kar op de zolder te steken. Deze met drie tanden of de houten hooivork wordt veelal gebruikt om het hooi te keren (zie ook hooihark (hand)). Er bestaat ook een dubbel model met een rij van 3 tanden onderaan en een rij van 2 tanden bovenaan om het hooi samen te brengen tot hooioppers (2). [MOT] (1) Bv. ROBERT: 8-20. (2) Dit dubbel model is in de handel verkrijgbaar onder de benaming javeleuse.
Hoornvijl (v.)
De hoornvijl (1) dient om hard hout, hoorn, ivoor of lood door wrijving te bewerken. Het is een metalen rechte of gebogen staaf (15-25/0,5-3/0,5 cm) met diepe evenwijdige keepjes in de breedte, in een kort houten hecht van ca 15 cm gestoken (2). Het werktuig is te onderscheiden van de rasp voor hout, die puntjes heeft. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Omdat het werktuig veel gebruikt wordt om hoorn te bewerken, stellen we deze benaming voor. (2) Zie een bijzonder model dat op een strijkijzer gelijkt in ROUBO: 3 pl. 328.
Hoosvat (o.)
Een hoosvat (1) is een houten recipiënt om een relatief grote hoeveelheid water te hozen, ten opzichte van de kleinere boezemschop waarmee ook modder en bagger kan worden gehoosd. Er zitten tot vier handvatten aan, zodat er ook met twee man tegelijk kan worden gewerkt. Baggeraars en griendwerkers hozen er een afgedamde sloot mee leeg. De bodem is ca. 50 x 50 cm en licht gebogen, de hoogte ca. 25 tot 0 cm (2). [MOT](1) V.D.(1950) s.v. hoosvat: "schepper met steel om te hozen of te gieten" s.v. hoosbak: "grote bak die van voren open is en met touwen aan een bok hangt, en die dient om grote hoeveelheden water uit een funderingsput of over een dam uit te werpen"(2) VINK G.: Gereedschap voor de griendcultuur, in Ambacht & gereedschap, afl. 20 (2001): 15.
Hopkapper (m.)
De hopkapper bestaat uit een S-vormig blad (ca. 30-35 cm bij 6 cm) met aan de buitenzijde een scherpe snede, dat in het midden haaks op een dille is gelast of geschroefd. De steel is 3-10 m lang. In het verlengde van de dille ligt een U-vormige haak (ca. 10-12 cm breed) die ca. 3 cm boven het blad uitsteekt. Bij sommige modellen is de dille vervangen door een ring die op het verlengde van de haak is gelast. Nog een ander model heeft een half blad dat links of rechts aan de dille is bevestigd. Bij het oogsten van de hop die door draden ondersteund wordt (en niet door staken), worden eerst de ranken die zich mogelijk rond de ca. 3-10 meter hoge horizontale draden hebben gewikkeld, afgesneden met de hopkapper. Daarvoor wordt de haak over de horizontale topdraad geduwd. Nadien kunnen de verticale (of schuin lopende) steundraden waarop de hoprank groeit al schokkend worden losgehaakt van de topdraad (1). De rijpe hopranken vallen neer voor de voeten van de plukkers die dan de hopbellen of...
Horlogeglastang (v.)
De horlogeglastang (1) is een metalen tang met parallelle armen. Op beide bekken is een ronde schijf met zacht oppervlak gemonteerd. De uurwerkmaker kan er de glazen voor een horloge mee grijpen en manipuleren zonder ze te beschadigen door de druk te verdelen. Deze tang is vergelijkbaar met de brillenglastang van opticiens. [MOT] (1) Tech-Term 18.33: "horlogeglastang"
Horlogekastsleutel (m.)
Een horlogekastsleutel is een verstelbare sleutel om deksels van horlogekasten vast en los te draaien, om aan het mechanisme te kunnen werken, tegenwoordig vooral om de batterij te vervangen. Een model (1) heeft een gleuf met twee verstelbare draaiknoppen met schroefdraad, waaraan twee van de bijhorende opzetstukjes worden bevestigd die in de holtes van een specifieke horlogekast passen om deze los te klikken. Aan het uiteinde van het werktuig zit een kort omgebogen lipje om in een smalle gleuf van de horlogekast te haken om ze met een hefboom te lossen. [MOT] (1) Tech-Term: 20.6 toont ook een tweede model met slechts één draaiknop.
Horlogesleutel (m.)
De horlogesleutel is een kleine pijp- of dopsleutel waarmee horloges opgewonden worden. Het handvat is meestal een ring. [MOT]
Hostie-ijzer (m.)
Een hostie-ijzer is een grote tang (ca. 50-90 cm lang) met gekruiste armen en platte, rechthoekige, cirkel- of ovaalvormige kaken waarmee men hosties bakte, schijfjes brood van ongezuurd tarwemeel. Het lijkt sterk op het wafelijzer dat men boven de haard gebruikte maar de bek is rond of ovaal, het wafelijzer meestal rechthoekig. Veelal zijn de kaken aan de binnenzijde gesierd met religieuze motieven om een afdruk in de hostie te maken. Wanneer de bek het formaat en motief van één enkele hostie heeft, kan men per bakbeurt één grote broodhostie produceren (1). Vaak kunnen meerdere broodhosties en kleine witte hosties tegelijk gebakken worden, als de bek meerdere ronde afbeeldingen - zowel voor grote als kleine hosties - combineert. [MOT] (1) Een bakbeurt zou een drietal minuten vergen.
Houthakkersbijl (v.)
Bijl gebruikt om jonge bomen te vellen, om een gevelde boom van zijn takken te ontdoen, om te snoeien, om brandhout op het kapblok te hakken, enz. Er bestaan allerlei vormen, soms wordt zelfs een mijnwerkersbijl of een zware timmermansbijl gebruikt. Het gaat echter doorgaans om een bijl van ca. 0,7-1,3 kg, met een oog en twee vouwen. De steel is zo'n 30 cm lang. De bijlen om brandhout te hakken (zie kloofbijl) gelijken sterk op sommige houthakkersbijlen maar zijn lichter. Deze bijlen zijn te onderscheiden van de brandweerbijl, de aks en van de topbijl. [MOT]
Houtsnijdersguts (v.)
De houtsnijder gebruikt verscheidene steek- en hakgutsen die allemaal een verschillende vorm hebben. Vorm en maat van het blad bepalen uiteraard de indruk die in het hout wordt aangebracht. Naast hol kan de bladdoorsnede ook V-vormig zijn. Steekgutsen worden met de hand geduwd. Zij hebben één vouw, die zich aan de binnen- of buitenzijde kan bevinden en hebben in principe geen borst. Zij kunnen een recht hecht of een geknikte stang als hecht hebben. Hakgutsen (zie schrijnwerkersguts) hebben één vouw en een borst. Zij zijn bestemd voor het zwaardere werk en worden met een hamer geslagen (zie steenhouwersklopper (houten)). [MOT]
Houweel (o.)
Handwerktuig van de grondwerker en de landbouwer, gebruikt om steen- of rotsachtige grond los te hakken, muurwerk op te ruimen en aangestampte aarde te breken. Het houweel bestaat uit een zwaar boogvormig ijzer van ca. 40-60 cm lang dat met een oog dwars op een houten steel (ca. 80-120 cm) is bevestigd. Het ijzer eindigt meestal in een punt en, aan de andere kant, in een plat en snijdend deel van ca. 6 cm breed dat haaks op het vlak van de steel ligt. Soms is de punt vervangen door een bijlvormig uiteinde, om de diep gelegen wortels door te hakken. Bij de meeste modellen is het oog naar het uiteinde toe breder zodat de steel gemakkelijk kan vervangen worden en het ijzer niet lost tijdens de arbeid. Het houweel bestaat ook in een kleinere uitvoering, met een werkend deel van zo'n 40 cm lang en een steel van ca. 40 cm. Dat model maakt, samen met het legerschopje, deel uit van het gereedschap van de infanterist (1). Hij gebruikt het om muren te slopen, om schietgaten in muren te breken,...
Houwhamer (m.)
De houwhamer is een metalen hamer van zeer diverse afmetingen en gewicht (ca. 50-4000 gr), naargelang het te vervaardigen vijlmodel. De hamerkop is trapeziumvormig gesmeed, waarbij de baan naar het kopeinde smaller toeloopt tot een rechthoek of cirkelvorm en naar de houten steel toe buigt. Deze steel is meestal licht gebogen en 15-20 cm lang. Hij wordt stevig gegrepen opdat de kop niet onnodig hoog oplicht tijdens het kappen en om het houwen te doseren. Door het intense gebruik vertoont het hout vaak gebruikssporen van de vingers van de vakman. De vijlenmaker hanteert de houwhamer bij de fase van het kappen van de nieuwe vijl of rasp of het herkappen van een oude, door met de ene hand honderden fijne, precieze, zeer regelmatige slagen op een bijhorend houwbeiteltje te geven, dat met de andere hand schuin naar zich toe op de vijl in bewerking wordt geplaatst. Zo bekomt men het gewenste reliëf. Deze vijl ligt op een houwaambeeld. Het zwaartepunt van het werktuig ligt sterk bij de hamerkop. De vijlenkapper maakt...
Hulsschaar (v.)
Hulzen voor hagelpatronen worden herbruikt. Na 2 à 3 keer is het uiteinde ervan uitgerafeld. Ze wordt dan afgesneden met de hulsschaar (1). Een metalen schijfje (diam. ca. 1,5 cm; dikte ca. 0,3 cm) met kleine aanslag bovenaan vormt de ene kaak. Deze wordt in de huls gestoken. Met de andere kaak met gebogen snede wordt de kartonnen of plastic huls doorgeknipt. Manufrance (1973): 88 toont een model dat gelijkt op een peilglassnijder. Zie ook de lonttang en patroontrekker. [MOT] (1) Eigen benaming.
IJsbijl (voor wak) (v.)
De ijsbijl wordt gebruikt om 's winters een wak, een gat in het ijs te hakken, bv. om te kunnen ijsvissen. Hij werd ook gebruikt bij de oogst van grote blokken ijs nadat deze met een ijszaag en eventueel ijsploeg waren verdeeld. De lange houten steel steekt in een dille, die soms versterkt is met bijkomend ijzerbeslag. De ijsbijl gelijkt op sommige zware modellen van de aks. De vouw wordt onder een specifieke hoek geslepen zodat hij bij het hakken niet in het ijs blijft steken. [MOT]