ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 451 - 500 1,328 resultaten gevonden
Hijstang (v.)
Sommige lasten kan men makkelijk met een hijstang vastnemen en vervolgens met een hijstoestel verplaatsen. Het gewicht zelf trekt de tang dicht, dus hoe groter het gewicht, des te groter de klemkracht. Er bestaan hijstangen voor steen, stammen, zakken, smeltkroezen, vaten, buizen ... De tang is aangepast aan het voorwerp dat het grijpt. Hieronder volgt de bespreking van een aantal hijstangen. De oudere types zijn de steenschaar, de hijstang voor molenzakken en voor smeltkroezen. In tegenstelling tot haar naam is de steenschaar geen schaar, maar een hijstang voor steen. De kaken kunnen zeer ver opengaan om brede stukken te vatten. Bij de hijstang voor molenzakken is dit echter niet nodig, aangezien de tang slechts de strop van de zak grijpt om de zak naar boven te hijsen. In de huidige catalogi vinden we balktangen en allerlei heftangen voor buizen en vaten. De kaken van de tangen die rond balken of buizen grijpen, zijn vrij groot en halfrond. Bij de tangen die I-vormige balken opheffen, grijpen de kaken net over...
Hoeftang (v.)
Door haar vorm gelijkt de hoeftang op de trektang. Ze is evenwel groter en de bek is vaak platgedrukt. De hoefsmid plaatst de kaken tussen het hoefijzer en de hoef - daarom is de bek hoog - en wringt het ijzer wat los. Zo trekt hij de nagels lichtjes uit de hoef. Daarna slaat hij het ijzer terug op zijn plaats en vat de nagels zoals met een trektang. De hoeftang dient bovendien als steun bij het omslaan van de nagels, ook omnieten genoemd, wanneer het paard beslagen wordt (zie hoefhamer). "De nijptang wordt tegen de omgeslagen niet (=uiteinde) gehouden, terwijl men met de hamer enkele flinke slagen op de 1 mm onder de ondervlakte van het ijzer uitstekende nagelkop geeft. Daarna worden de nu omgehaalde nieten flink aangeslagen en uitstekende randen met de vijl weggenomen" (1). Om de steun te verbeteren, is bij sommige modellen één kaak rechthoekig uitgesmeed. Zie ook nietenkapper, gebruikt voor dat de hoef wordt verwijderd en de onderkapper, gebruikt voor dat de niet van de hoefnagel wordt omgeslagen. [MOT] (1)...
Holpijp (m.)
Men kan gaten van verschillende grootte in leder maken met behulp van een holpijp, d.i. een metalen buis (1) met scherpe randen. De doorsnede varieert van enkele millimeters tot enkele centimeters. Men legt een stuk leder op een houten, loden of koperen steun om de snede niet te beschadigen. Vervolgens plaatst men de holpijp op de plaats waar men het gat wenst en slaat erop met een hamer. Men heeft dus zijn twee handen nodig; dat kan voor kleine gaten vermeden worden met de holpijptang. Zie ook kurkboor. [MOT] (1) Met of zonder schouders. Met schouders spreekt men van schouderholpijp of beugelholpijp (Tech-Term: 11).
Hielafrondmes (o.)
Het hielafrondmes is een mes van ongeveer dezelfde lengte als het krammes (ca. 80-100 cm), ook met aan één uiteinde een dwars houten hecht en aan het andere uiteinde een haak die in een zware kram aan de werkbank bevestigd wordt, maar enkel voorzien van een kort holrond snijdend gedeelte in het midden. Hiermee wordt de hiel afgerond en wordt er een vloeiende overgang gemaakt tussen de hielpartij en het achterste gedeelte van de klomp. Men moet hiervoor dwars op de vezels snijden, aldus is het mes zeer scherp. Ook de bovenzijde van de klompschoen wordt licht uitgehold met het hielafrondmes zodat het de vorm van de voet aanneemt. [MOT]
Hoektroffel (m.)
Troffel (ca. 20 cm) waarvan het blad (ca. 8-10 cm bij 5-7 cm) een hoek van 90 graden vormt. De overgang tussen beide bladhelften kan scherp of afgerond zijn. De stukadoor gebruikt de hoektroffel voor het afwerken van hoeken. Er bestaat een hoektroffel voor uitspringende en één voor inspringende hoeken. Zie ook goottroffel. [MOT]
Hoekomslagboor (v.)
De hoekomslagboor is een omslagboor waarmee makkelijk in hoeken gewerkt kan worden. De overbrenging van booromslag naar werkend deel gebeurt hier door middel van tandraderen of een cardankoppeling. [MOT]
Kabelstripmes (o.)
Het kabelstripmes is een handwerktuig om de mantel, uit rubber of PVC, van een elektrische kabel door te snijden en af te trekken. Om de kabel te strippen, draait de elektricien het kabelstripmes er met lichte druk om en snijdt dan de mantel overlangs open door het kabelmes over de kabel te laten glijden. De isolatie klemt hij vervolgens tussen duim en mes en trekt ze los. Er bestaan vele verschillende modellen die al dan niet beide operaties mogelijk maken. Het kan vooreerst een knipmes zijn, vaak met houten hecht, waarvan het blad aan de basis dikker en meestal holrond is. Op een ander model is het een veel korter, vast holrond blad. Het hecht is dan vaak van isolerende kunststof. Een ander model kabelstripmes bestaat uit een mes met holrond blad dat wordt gebruikt om de mantel, veelal van platte kabels, in zijn gehele lengte overlangs open te snijden. Daarnaast steekt in het plastic handvat een miniscuul, draaibaar mesje (lengte 2 à 4mm), waarbij de diepte van de incisie wordt bepaald door een stelschroef,...
Kanthaak (voor stam) (m.)
De kanthaak dient tot het wentelen van stammen, soms van balken (vgl. palter en zethaak). Met een modern model, met name log jack (1) is het bovendien mogelijk een stam op te lichten om hem door te zagen. Het werktuig bestaat uit een houten stang van ca. 1,20-1,75 m, waaraan door middel van een ring een zware metalen haak vastgemaakt is. Die haak draait rond een spil. Het onderste uiteinde is met een metalen plaat beslagen of eindigt in een metalen punt die het mogelijk maakt met het werktuig te duwen (2). In de haak zijn soms gaten geboord; hij is dan door middel van een bout vastgemaakt en kan versteld worden. De kanthaak (voor stam) wordt zoals de palter gehanteerd behalve dat de stang aan de ring vast is. Over het algemeen werken twee of drie man te samen. Wanneer alleen gewerkt wordt, worden soms twee kanthaken gebruikt die om beurt de stam verder rollen. De kanthaak (voor stam) wordt vooral in de zagerij of op de opslagplaats gebruikt. De houthakker verkiest...
Kaphamer (m.)
Metselaarsgereedschap (600-800 gr) met één uiteinde dat ofwel beitelvormig, plat en licht gebogen ofwel wigvormig is, maar in beide gevallen een scherpe snede heeft - waarmee de bakstenen bijgehakt kunnen worden - en een ander hamervormig uiteinde waarmee op de sabel geslagen wordt bij het op de juiste lengte doorslaan van de steen. Ook voor het opruimen van bestaand metselwerk en voor het verwijderen van specie van de stenen wordt de kaphamer gebruikt (1). Meestal is de steel van hout maar er bestaan ook modernere zwaardere versies met een metalen steel met rubberen handvat. [MOT] (1) De term kaphamer wordt soms ook gebruikt voor een  metselaarswerktuig met tweede bijlvormige snede, het metselaarshouweeltje.
Kantijzer (schoenmaker) (o.)
Met een kantijzer 'zet' de schoenmaker de rand van de schoenzool, d.i. met behulp van was polijsten. Na het kantijzer opgewarmd te hebben, gaat hij er - lichtjes drukkend - mee langs de rand van de zool. Daarmee is de zool ook verzegeld en dus waterdicht. Het kantijzer (ca. 15-18 cm) bestaat uit een metalen rechthoekig (ca. 2-3 cm bij 1-2 cm; ca. 1 cm dik) hoofd dat bevestigd is in een houten hecht. De baan van het hoofd kan verscheidene vormen aannemen, naargelang de vorm van de zoolrand. [MOT]
Kampeermes (o.)
Het kampeermes is een handig knipmes bij het kamperen of op reis. Het bevat een lemmet, een eetlepel en meestal een eetvork. Soms nog een blikopener, kurkentrekker e.d. (1). Ofwel is het één geheel waarbij de uitklapbare eetlepel en het lemmet aan het hecht vast zijn. Ofwel hebben lemmet, eetlepel en -vork afzonderlijke hechten die van elkaar kunnen losgekoppeld worden (2). Te onderscheiden van het reisbestek, dat geen knipmes is. Zie ook zakmes. [MOT] (1) Zie een exemplaar met tal van accessoires in LEVINE: 27. (2) Bv. ARMINJON & BLONDEL:247.
Kantijzer (sjouwer) (o.)
De sjouwer gebruikt een kantijzer om zware I-profielen over ingevette laadladders (1) tot onderin het ruim te kantelen of te stuwen. Het bestaat uit een lange stang (ca. 60 cm) met een breed (ca. 8 cm) en dik (ca. 3 cm) U-vormig werkend deel. Het andere uiteinde is plat uitgesmeed (vgl. koevoet). [MOT] (1) "Stukken rail met een lengte van twee tot vier meter, langs één kant voorzien van een ring. Aan de andere kant was een plaatje bevestigd om te beletten dat de rail zou omkantelen." (EECKELAERT: 418).
Kappersschaar (v.)
Licht schaartje (ca. 50 gr), volledig van metaal - eventueel met plastic omhulde armen - met driehoekige smalle (ca. 1 cm) bladen, waarmee de kapper haren knipt. De haren worden per strookje tussen wijs- en middenvinger genomen en op de gewenste lengte afgeknipt. Ook de kleermaker gebruikt zulk een schaar voor het knippen van delicate stoffen zoals bv. lingerie. Zie ook effileerschaar. [MOT]
Keukenspatel (v.)
Een keukenspatel kan van plastic, rubber of hout zijn. De buigzame plastic en rubberen spatels hebben een rechte, respectievelijk plastic en houten, steel (ca. 13-45 cm lang) met een plat en rechthoekig blad, waarvan één hoek afgerond is. Deze spatels - ook wel pannenlikkers genoemd - worden naast het dooreen scheppen van mengsels vooral gebruikt om alle restjes uit een kom of pan te schrapen. Met de rechte hoek van de spatel kan men makkelijk in rechte hoeken werken, terwijl de afgeronde hoek geschikt is voor komvormige recipiënten. Houten spatels (ca. 25-45 cm lang) hebben een breder uitlopend, langwerpig of ovaalvormig plat blad met rechte of afgeronde hoeken. Zij zijn licht en stevig en worden gebruikt voor het roeren en dooreen scheppen van mengsels en voor het keren of uit de pan halen van voedsel. Het blad van de houten keukenspatel kan zich ook in een knik ten opzichte van de steel - dus niet in de as ervan - bevinden. Om smout te roeren gebruikt men een houten spatel die veel dikker en dus steviger is....
Keukensnijmachine (v.)
Met een keukensnijmachine kan men brood, vleeswaren, groenten e.d. snijden. Hij heeft een al dan niet getand snijwiel (ca. 20 cm doorsnede) dat door middel van een zwengel in beweging gebracht wordt. Het geheel rust op een houten of plastic plaat met een schroefklem of zuignappen. De dikte van de plakken is instelbaar met een geleider die door middel van een draaiknop of schroef dichter of verder van het snijwiel kan gezet worden. Men beweegt het te snijden voedsel over de plaat langsheen het snijwiel, terwijl men aan de zwengel draait. Opdat het voedsel makkelijker zou glijden, kan er een rollertje in de plaat verwerkt zijn. Andere modellen hebben een slede die over het voetstuk heen en weer kan bewegen. Schroefklem en het gedeelte van de plaat waarover het voedsel glijdt, kunnen vaak omhoog geklapt worden zodat de snijmachine makkelijker opgeborgen kan worden. Zie ook broodsnijder. [MOT]
Kiezentrekker (voor paal) (m.)
Vissers gebruiken een kiezentrekker om de houten palen waar hun netten aan bevestigd worden, uit te trekken. Ook de landbouwer gebruikt dergelijk werktuig om houten of metalen palen van afrastering uit de grond te trekken. De kiezentrekker bestaat uit een smeedijzeren 8-vormig werktuig waarvan één bocht afgeplat kan zijn. De andere bocht is soms voorzien van enkele piramidevormige tanden (1). Het werktuig wordt over de paal geschoven en aan een hefboom (of een takel) vastgemaakt. Zie ook paaluittrektang. [MOT] (1) Bijv. LUNDBAEK: 90.
Kerfmes (o.)
Mesje dat de houtsnijder gebruikt bij het kerfsnijden en dat te onderscheiden is van het rozenmesje. Het heeft een klein, lichtjes haakvormig blad met een rechte snede die zich in het vlak van het werktuig bevindt. Het blad is breder (ca. 1,5 cm) dan dat van het rozenmesje en de snede is doorgaans korter (ca. 3 cm). Zie ook steekmes (houtsnijder). [MOT]
Kettinghaak (m.)
De kettinghaak is een ca. 80 cm lange ijzeren haak met T- of ringhandvat, waarmee op de schepen of in de haven de zware (anker)kettingen versjouwd worden, bijvoorbeeld bij controle. Wanneer bij het te water laten van een boot, het vaartuig door middel van een ketting tegengehouden wordt, haalt de arbeider aan de kaapstander die ketting in met behulp van twee kortere kettinghaken (1). [MOT] (1) FROST: 140.
Kleedkuil (m.)
De schieman gebruikt de kleedkuil (1) om touw te bekleden, d.i. een dun touwtje rond een dikker te draaien teneinde het afschavelen te voorkomen, en de kuiper om een rond de uiteinden van een hoepel gedraaide teen aan te spannen. Het is een houten of metalen cilinder (middellijn ca. 3-9 cm; lengte ca. 4-7 cm) met rechte steel van ca. 20 cm, waarin een groef in de lengte gesneden is. De groef wordt op het touw of op de hoepel geplaatst en het touwtje 2-3 maal, de teen éénmaal rond de steel gedraaid. De vakman doet dan de kleedkuil rond het touw of de hoepel draaien. Een gewone stok of een stuk duig van ca. 30 cm met drie gaten (2) of een plankje met twee gaten (3) vervangt soms de kleedkuil. [MOT] (1) Volgens PILAAR: 125, BLY: 212, V.D., de ''Maritieme Encyclopedie'' enz. zijn moskuil en kleedkuil gelijkbetekenend maar volgens TIDEMAN: 224 is de moskuil een houten hamer om op een beitel te slaan, volgens MOSSEL: s.v., een houten hamer om mos te pletten, volgens AUBIN: s.v. maillet, een breeuwhamer of een zware...
Klinksleutel (m.)
De klinksleutel is een drie- of vierkantige, smaller wordende inbussleutel, soms gecombineerd met een of meer dopsleutel(s), ook wel met een schroevendraaier, waarmee sloten van kasten e.d. in rijtuigen of schepen geopend of vastgedraaid kunnen worden. Bouwvakarbeiders zoals de slotenmaker, schrijnwerker, isolatiewerker en schilder gebruiken soms een klinksleutel wanneer er geen deurkruk in het slot steekt, bv. op een bouwwerf. Er bestaan vouwbare modellen. De klinksleutel komt ook voor als onderdeel van een werfknipmes. [MOT]
Klinknageltegenhouder (m.)
Zware stang (tot 8 kg) om de snapkop van klinknagels tegen te houden bij het maken van de sluitkop. Men gebruikt een klinknageltegenhouder als het werkstuk te groot is om het op het aambeeld te laten rusten, bijvoorbeeld bij het klinken van naden van ketels, reservoirs en bruggen. De klinknageltegenhouder bestaat meestal uit een stang met verbreed uiteinde dat vlak kan zijn of voorzien is van een uitholling. Hij wordt onder de snapkop van de klinknagel geplaatst waarbij de arbeider aan het ander uiteinde van de klinknagel een sluitkop, eventueel met behulp van een snapper vormt. Het kan ook een blokje zijn (bv. 6 cm bij 4 cm), voorzien van één of meerdere uithollingen, dat op het aanbeeld rust en gebruikt wordt bij kleinere werkstukken. Dit model wordt ook wel drijfblok, klinkbank of klinktas genoemd (1). [MOT] (1) Zie Tech-term: 2.8.
Klompen om aan te stampen (m.)
Klompen die op een plank (ca. 30 bij 40 cm) vastgespijkerd zijn en waarmee de tuinier na het zaaien de grond aanstampt. De klompen worden soms vervangen door een plank voorzien van riemen die je om je schoen vastmaakt; of voorzien van touwen die met de hand strak gehouden worden (1). De turfsteker gebruikt dergelijke klompen om de uitgespreide natte baggerspecie aan te stampen om er het water uit te persen vooraleer het met het slagijzer verdeeld wordt. Om op modderige oppervlakten te lopen worden trippen onder de schoenen of de laarzen bevestigd; daar is het de bedoeling het draagvlak te vergroten. [MOT] (1) Bv. CROMPVOETS & WIJNGAARD afl.2: 169.
Klompenmakersboor (v.)
De klompenmaker gebruikt een stel avegaars met lepelboorijzers van verschillende breedte (ca. 2-5,5 cm) om de klompen uit te hollen. Die klompenmakersboren (1) werken door een draaiende maar ook door een zijdelingse beweging. Daarom staat de kruk dikwijls niet loodrecht op het boorijzer: de hoek is iets kleiner aan de achterzijde van het boorijzer. De draaiende beweging is aanhoudend of afwisselend. Bij de zijdelingse beweging wordt het uiteinde van de kruk soms onder de oksel geplaatst. [MOT] (1) De klompenmaker spreekt van mansboor, vrouwenboor enz. naargelang van de maat van de klompen waarvoor ze gebruikt worden, en soms van voorboor voor de smalle boor waarmee hij het eerste gat boort (VAN BAKEL 1963: 101).
Klompenmakershakbijl (v.)
Met zijn hakbijl geeft de klompenmaker de vorm van een klomp aan het gekloofd stuk. Dat gebeurt op het kapblok. Deze bijl van ca. 1,1 kg heeft een korte steel (14-20 cm) en een breed blad (ca. 15-20 cm; asymmetrisch onderaan) dat uit de as ligt en één enkele vouw heeft. De steel steekt in een meestal omgeplooid oog of in een dille. [MOT]
Kloofbijl (v.)
De kloofbijl dient om brandhout te kloven. Ze bestaat uit een rechte steel van ca. 70-80 cm en een zwaar (3-4 kg) ijzer met driehoekige doorsnede, waarin, aan het uiteinde, een oog gesmeed is. De snede is vaak langer dan het lichaam zelf hoog is. Op de kloofbijl wordt nooit geslagen (vgl. stokwig). Zie ook kloofwig. [MOT]
Kloofwig (v.)
De kloofwig is een driehoekig stuk hout of metaal (ca. 15-25 cm lang, 1-2 kg) (1) om hout te kloven. De gebruikte houtsoorten zijn o.m. haagbeuk (Carpinus betulus), iep (Ulmus) en sleedoorn (Prunus spinosa). Veel metalen kloofwiggen hebben in beide schuine zijden een groef (2). Dat belet in een zekere mate het uitspringen van het werktuig. Sommige eindigen in een dille waarin een kort hecht steekt. De scherpe hoek van de metalen wig wordt op het te kloven stuk geplaatst in de richting van de vezels en met een moker of een sleg geslagen. Zo nodig wordt een tweede of een derde (houten) wig verder in de spleet of naast de eerste gedreven. Indien enkel houten wiggen gebruikt worden, wordt eerst een spleet gemaakt met behulp van een kloofbijl. De kloofwig dient vooral om lange liggende stukken te kloven, in tegenstelling tot het kloofmes en de stokwig. Zie ook velwig. [MOT] (1) GLÄSER 1931: 366 geeft een tabel van de lengten van de kloof- en velwiggen. (2) Hakkels genoemd.
Kloofmes (o.)
Het kloofmes is een helemaal van metaal vervaardigd handwerktuig om korte staande blokken te kloven. Het is een rechthoekig ijzer (20-50/5-10/0,5-1,5 cm) waarvan een lange zijde scherp is en de andere verlengd is door een in hetzelfde vlak liggende staaf (ca. 10-15 cm) die als hecht dient. De vakman, bv. de klompenmaker of de kuiper, plaatst het werktuig op de doorsnede van het te kloven stuk en slaat erop met een kloofklopper. De kloofwig dient vooral om lange liggende stukken te kloven, in tegenstelling tot het kloofmes en de stokwig. [MOT]
Klopper (mandenmaker) (m.)
Werktuig van de mandenmaker om de reeds gevlochten tenen aan te drijven. Het kan een rechthoekig plankje (ca. 1/20/2-5 cm) van hard hout met een korte steel zijn. Meestal is het echter een gesmeed rechthoekig (ca. 12-15/5-6 cm) stuk ijzer van 400-1000 gr, met driehoekige doorsnede. Het smaller uiteinde eindigt vaak in een ring en dient als steel. De ring kan dienen om tenen te buigen (vgl. buigijzer). [MOT]
Klompenmakersrits (v.)
Handwerktuig dat sterk op de boomrits en op de balkenrits gelijkt en door de klompenmaker gebruikt wordt om de klompen te versieren. Zie ook hoefmes voor paarden. [MOT]
Klompenmakersdissel (m.)
Na de hakbijl gebruikt de klompenmaker een dissel om de hiel en de bek, d.i. de opening van de klomp, uit te houwen. Zijn dissel weegt ca. 1,600 kg en heeft een breed (15-18 cm) sterk gebogen blad dat meestal aan de overzijde van de snede in een metalen blokje eindigt. Dat blokje is geen hamer, het geeft enkel meer gewicht en evenwicht aan het werktuig. De steel is kort (ca. 10-15 cm). [MOT]
Kloofklopper (m.)
Een kloofklopper is een stuk hard rondhout (o.m. haagbeuk) van zo'n 30-40 cm, waarvan een uiteinde dunner gesneden werd om als handvat te dienen. Met de kloofklopper slaat de kuiper op het kloofmes en de lattenklover, op het kloofijzer. [MOT]
Klompenmakershamer (m.)
De klompenmakershamer is een zware, ronde houten hamer met korte steel. Hij wordt gebruikt om op de klompenmakersguts te slaan en zo het binnenste van de klomp grof uit te kappen. [MOT]
Kruishout (o.)
Het kruishout is een handwerktuig (1) om in een effen stuk hout of steen één of twee aan een rand evenwijdige lijn(en) te krassen. Het bestaat uit een houten, soms metalen of plastic, stang van ca. 20-30 cm, die door een aanslag, d.i. een vierkantig of ovaal plankje van 7-8 cm, kan glijden (2). Op de houten kruishouten van betere kwaliteit is soms een koperen plaatje in de aanslag ingelegd om sleet te voorkomen. Indien lijnen op gebogen stukken gekrast moeten worden, zijn twee latjes op de aanslag bevestigd. De stang kan vastgezet worden door middel van een wig of een schroef; de centimeters staan er soms op aangeduid. Aan haar uiteinden steken, zijdelings, één of meer korte puntjes van ca. 1 mm. Een punt om één lijn te trekken, twee om evenwijdige lijnen te trekken (3). De afstand tussen de twee punten is een lengte die de vakman vaak moet overbrengen, bv. de breedte van een pengat. Soms draagt elke zijde van de stang puntjes op verschillende afstand. Wanneer de vakman een ongewone pen moet aftekenen, moet...
Kramspade (v.)
Het talud van een zeedijk wordt boven hoog water beschermd met een grasnerf, verkregen door zoden in rijen in verband te leggen. Opdat de nog niet vastgehechte zoden bij zeer hoog water door de golfslag niet zou worden weggeslagen, legt men ze vast met krammen of beugels van stro. Een handvol rechte halmen worden op de grond gelegd en om de 10 à 12 cm met een kramspade dubbel gevouwen in de grond gedrukt. De kramspade bestaat uit een ca. 20 cm lang, smal (ca. 3 cm) en dik (ca. 0,5 cm) blad met rechthoekige, halvemaanvormige of ruitvormige uitsparing in de "snede" - zodat er twee platte tanden ontstaan - en een korte (ca. 50 cm) houten steel met dille. Het werkend deel wordt op het stro gezet, het vlakke uiteinde van de steel tegen de kramplaat (1). De arbeider buigt dan de knieën en door zijn gewicht duwt hij het werktuig in de grond. [MOT] (1) Een kramspade met D-steel wordt enkel in vers opgeworpen aarde gebruikt en zonder hulp van de kramplaat.
Kroosschaaf (v.)
Handwerktuig om de kroos uit te snijden, d.i. de groef in het uiteinde van de duigen, waarin de bodemstukken steken (zie ook krooszaag). De kroosschaaf is een kleine schaaf met bolrond blok en verstelbare geleider (1). De schaafbeitel is zeer smal. Daar het werktuig de vezels steeds dwars snijdt, heeft het meestal één of twee zijdelingse mesjes die de randen afsnijden. De kroosschaaf wordt vooral voor grote kuipen aangewend. De geleider glijdt op het uiteinde van de duigen, vooraf effen geschaafd met de kimschaaf, en de kroosschaaf snijdt de kroos uit. Er bestaan betrekkelijk zeldzame kroosschaven met vaste geleider. Zie ook kuipersboogschaaf. [MOT] (1) Te vergelijken met de veerploeg. Trouwens BRUNET 1925: 66 en MAIGNE: 73 spreken van een bouvet-jabloir.
Kuipersboogschaaf (v.)
Wanneer de hoepels rond de duigen gedreven zijn, moet de kroos uitgesneden worden om er de bodem in te kunnen steken. Vooraleer de kuiper met de kroosschaaf of de krooszaag te werk gaat, moet hij het binnenste van de ton, waar de kroos gesneden zal worden, effen maken; de naast elkaar geplaatste vlakken van de duigen vormen immers een veelhoek. Dat geschiedt met behulp van een kleine holle kuipersdissel, van een kroostrekmes of van de kuipersboogschaaf. De kuipersboogschaaf (1) is een brede bolronde boogschaaf die in de breedte ook bolrond is. Ze is dikwijls van een geleider voorzien en wordt zoals de kroosschaaf gehanteerd. De kuiper beschikt over een stel kuipersboogschaven van verschillende grootten. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Is de gerfschaaf of beugelschaaf (KARMARSCH: 1.737) een kuipersboogschaaf? De beschrijving is niet duidelijk.
Krulstok (m.)
Monoxiele, naar het uiteinde smaller toelopende stok met een recht hecht (ca. 30 cm) - te onderscheiden van de vingerstok - bestemd om pijpenkrullen in het haar aan te brengen. Na een eerste vormgeving van de lok met een krultang, wordt deze gekroesd en rond de krulstok gedraaid. De rond de stok gedraaide lok wordt geborsteld, van boven naar beneden en met de richting mee. Wanneer de krulstok uit het haar getrokken wordt, is de lok in een pijpenkrul gedraaid. [MOT]
Kurkboorslijper (m.)
Werktuig waarmee men een kurkboor slijpt. Het is een metalen kegelvorm met een gleuf waarin een uitklapbaar mes zit, bevestigd aan een houten hecht. Men schuift de kurkboor over de kegel, drukt het mes ertegen en draait de kurkboor rond. De kegelvorm maakt het mogelijk om kurkboren van verschillende grootte te slijpen. [MOT]
Kuipersrits (v.)
Handwerktuig om kuipen te merken door er een teken in te snijden; zowel de kuiper als de eigenaar of bv. de accijnsambtenaar konden zo'n teken aanbrengen. Twee modellen kunnen onderscheiden worden: de eenvoudige en de samengestelde kuipersrits. Met de eerste kunnen alleen bogen of cirkels gesneden worden. Het is een gaffelvormig ijzer waarvan één arm spits toeloopt terwijl de andere in en V- of U-vormig scherp blad eindigt (1). Met de samengestelde kuipersrits kunnen en bogen en rechte lijnen uitgesneden worden. Van dat model bestaan er drie submodellen: het eerste waar het blad voor rechte lijnen en het blad voor bogen uit hetzelfde ijzer gesmeed zijn, het tweede waar het blad voor rechte lijnen vouwbaar is en het derde waar het blad voor bogen verstelbaar is om kleine en grote bogen te kunnen trekken. Om een rechte lijn te snijden trekt de kuiper het werktuig naar zich toe. Om een boog te snijden steekt hij de punt in het hout en draait hij het werktuig zoals hij het zou doen met een passer. Beide sneden moeten...
Kuipersbijl (v.)
Duigen worden gekloofd. Vervolgens bewerkt de kuiper de stukken op een kapblok. Hij houwt de brede zijden om een nagenoeg vlakke binnenzijde en een enigszins bolronde buitenzijde te bekomen. Van de uiteinden van beide smalle zijden hakt hij een lange driehoek af opdat de duig breder zou zijn in het midden dan aan de uiteinden. Dat gebeurt met een  duigenhouwer of met een bijl. De kuipersbijl (1) is een brede (ca. 20-25 cm) bijl van ca. 1,5 kg met één vouw, waarvan het vaak T-vormig blad niet in de as van de steel ligt. Ijzer en steel zijn door een dille of door een oog verbonden; dat laatste is steeds omgeplooid (zie glossarium). De 30-40 cm lange steel wordt met één hand gevat. In Frankrijk komt een veel zwaarder (tot 5 kg) en breder (tot 40 cm) rechthoekig blad voor waarvan vele verschillende vormen bestaan (2). De steel is ca. 40 cm lang en wordt dicht bij het ijzer gevat, zijn uiteinde rust op de dij van de kuiper. [MOT] (1) Ook baars (het W.N.T. geeft als tweede betekenis holmes maar in alle aangehaalde voorbeelden...
Kuipersdissel, holle (m.)
Sommige kuipers gebruiken een holle dissel (1) van ca. 0,5-1 kg, met sterk gebogen en breed (9-13 cm) blad om de binnenzijde van de duigen, waar de kroos uitgeschaafd of uitgezaagd zal worden, effen te houwen. De holle dissel vervangt dan de kuipersboogschaaf of het kroostrekmes. De afmetingen van het werktuig verschillen naargelang de grootte van de ton. Aangezien de holle dissel haaks tegenover de richting van de vezels hakt, moet hij zeer scherp zijn. De snede moet enigszins schuin op de vezels vallen om het hout niet te doen barsten. Het werktuig wordt ook soms gebruikt i.p.v. de rechte kuipersdissel om de kim af te schuinen. Het wordt dan met beide handen gevat (2). [MOT] (1) Fr.: paroir de tonnelier. Het woord paroir duidt ook het krammes van de klompenmaker aan. (2) Bv. RENARD 1921: 180.
Kroostrekmes (o.)
Het kroostrekmes (1) dient tot het effen snijden van de binnenzijde van de duigen, waar de kroos uitgeschaafd of uitgezaagd zal worden (zie kuipersboogschaaf en kuipersdissel, holle). Het is een gebogen trekmes (zie glossarium) van ca. 30 cm met één gebogen angel waarop een houten hecht steekt, en een recht metalen hecht. Dat laatste wordt in de kuip gestoken. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Duidt blaajmes (VAN BAKEL 1962/ 12) enkel het kroostrekmes aan? Vgl. DE BONT: 1.37 en 1.88, die ook dondermes aanhaalt maar twee verschillende tekeningen geeft.
Kurkboor (v.)
De kurkboor wordt gebruikt in laboratoria of door de apotheker om een stop van kurk of rubber uit te boren, of een schijf uit te snijden die een dopje waterdicht maakt. Ze bestaat uit een set holpijpen uit inox met verschillende diameters (ca. 0,5-1,5 cm). Het werkend deel heeft een schuine, scherpe snede en het andere uiteinde is voorzien van 2 handvatjes (ca. 2 cm). Zie ook kurkboorslijper. [MOT]
Kurkenklopper (m.)
Monoxiel handwerktuig met een plat, vaak ovaalvormig deel waarmee men klopt en een rechte steel - te onderscheiden van de wasklopper - om stopsel in de fles te kloppen. Flessen kan men ook kurken met een flessenkurker. [MOT]
Laarzentrekker (m.)
Een stevige metalen haak (ca. 10-23 cm) met een houten, benen of metalen T-handvat (soms een ring, zie laarzenknecht) waarmee men hoge laarzen aantrekt. Soms werd op het uiteinde van het T-handvat een knopenhaakje en een holpijp gesmeed (1). Men steekt de laarzentrekker in het riempje dat aan de bovenzijde van de laars bevestigd is; vervolgens steekt men de voet in de laars en trekt men de laars aan. Wanneer de laars twee riempjes heeft, kunnen twee laarzentrekkers gebruikt worden. De haak kan een gedecoreerde schacht hebben of een bolvormig knopje op het uiteinde om te vermijden dat de haak uit het riempje zou glijden; sommige zijn vouwbaar. Om laarzen makkelijk uit te trekken, kan men een laarzenknecht gebruiken. [MOT] (1) David Stanley Auctions. 65th international auction 28th March 2015: 11.
Leerschaar (v.)
Schaar (ca. 20 cm) van de leerbewerker waarvan één blad rechthoekig (ca. 8 cm bij 1 cm) is. De bek van de schaar wordt steeds haaks ten opzichte van het materiaal gehouden om te voorkomen dat men onregelmatige snijkanten in het leder krijgt. [MOT]
Kuipersstopmes (o.)
Het kuipersstopmes (1) is een houten of metalen mes met breed en stomp lemmet, door de kuiper gebruikt om werk in te brede naden te duwen (vgl. kuipersbeiteltje). Het handwerktuig is te vergelijken met het breeuwmes, dat dezelfde bestemming heeft. [MOT] (1) Er wordt gewoonlijk van stopmes gesproken maar dat woord duidt ook een werktuig aan om stopverf open te strijken. Daarom stellen wij deze benaming voor.
Messingschaaf (v.)
De messingschaaf is een ploegschaaf (zie groefschaaf) om de messing uit de schaven. In het midden van haar zool, evenals in haar beitel is een groef uitgespaard. Tussen beide benen van de beitel wordt soms een stukje hout geklemd om te vermijden dat het gat door schaafsel verstopt geraakt. Een aanslag bepaalt de afstand tussen de messing en de rand van de plank. De zware messingschaven hebben soms een handvat en twee beitels. Soms vormen de messingschaaf en de groefschaaf één enkel werktuig, met name de dubbele ploegschaaf. De steeds smalle beitels staan dan in tegenovergestelde richting. Men kan de messingschaaf ook aan een veerploeg bevestigen. [MOT]
Mes voor kunststofplaten (o.)
Mes waarvan de korte snede eindigt in een scherpe ruitvormige punt. Hiermee wordt op de achterkant van een kunststofplaat, al trekkend, een snede van 1,5 mm diepte gemaakt. Door met de duim licht op de snijlijn te drukken breekt men de plaat. Is de afstand tussen de rand van de plaat en de snijlijn niet groter dan zo'n 12,5 mm dan gebruikt men de inkeping aan de bovenzijde van het handvat om de band af te breken. Voor het afbramen van de zijkanten gebruikt men de ronding in het mes en schuurt men hiermee langs de kant van de plaat. Zie ook balatummes. [MOT]
Melkzeefje (o.)
Klein, cirkelvormig (ca. 10 cm doorsnede), vlak met opstaande randen of lichtjes holrond zeefje van aluminium of email om het vliesje dat zich op gekookte melk vormt, te verwijderen. Te onderscheiden van het theezeefje. [MOT]