ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 401 - 450 1,328 resultaten gevonden
Roerspaan (huisschilder) (m.)
De huisschilder gebruikt een roerspaan om de verf te roeren, wat steeds moet gebeuren voor men begint te schilderen. Het is een houten spatel van variërende lengte (ca. 20-40 cm), afhankelijk van de grootte van de verfpot. [MOT]
Rondmes (o.)
Het rondmes wordt gebruikt door de lederbewerker en in het bijzonder door de zadelmaker, om stug leder op maat te snijden. Het heeft een halfcirkelvormig blad (ca. 20 cm) en een recht hecht dat precies boven het midden van het blad is aangehecht. Bij het middeleeuwse rondmes staat het hecht horizontaal t.o.v. de bovenzijde van het blad. Men kan met dit mes een lange, mooie snede mee maken, terwijl de hand volle drukkracht uitoefent. De hoek van het rondmes plaatst men op het leder en meegaand met de omtrek van het mes, snijdt men het leder op de gemarkeerde lijn door. Bij het eindpunt wordt het mes opnieuw neergezet tot de gehele snede is uitgevoerd. Het mes horizontaal houdend, snijdt men in de dikte van het leder of schuint men de rand af. [MOT]
Rooiijzer (m.)
Om de grienden te onderhouden, gebruikt de griendwerker naast een steekspade en een aks ook een rooiijzer om dode stoven te rooien door de dikke wortels ervan door te steken en nadien ermee door de kop van de stoof te beuken. Dat om laatstgenoemde om zijn as te kunnen draaien, totdat de stronk los van zijn wortels is geraakt. Het rooiijzer wordt ook gebruikt om stronken te kloven (1) om brandhout te maken. Het rooiijzer bestaat uit een ijzeren stang (ca. 100-110 cm lang; gewicht 6-8 kg) waarvan één uiteinde (ca. 30 cm bij 5,5cm) beitelvormig is en het andere in een ring of een (houten) D-handvat eindigt. Een ander model heeft een werkend deel dat naar de snede toe breder wordt (breedte ca. 8 cm). [MOT] (1) VINK: 16.
Rozenmesje (o.)
Het rozenmesje is een mesje met een kort en smal blad (ca. 4 cm / 8 mm) dat aan de bovenzijde gebogen is en een rechte snede heeft die zich in het vlak van het werktuig bevindt. Het wordt door de houtsnijder bij het kerfsnijden gebruikt. Hierbij steekt of schaaft men iedere keer een houtschilfer weg om zo een ingesneden patroon te krijgen. De houtsnijder gebruikt hiervoor kleine (ca. 15-20 cm), zeer scherpe mesjes met speciaal gevormde snijbladen (zie ook steekmes (houtsnijder) en kerfmes). Elk mesje moet altijd zo worden vastgehouden, dat beide handen zich achter het lemmet bevinden. De duim kan op het hout rusten om zo een steunpunt te verlenen, maar ook hij moet steeds buiten de snijlijn worden gehouden. [MOT]
Roostervork (v.)
Met een roostervork roostert men brood of vlees in de open haard. Het is een vork met 3 ijzeren of roestvrij stalen tanden die al dan niet licht gebogen zijn, en een lange steel (ca. 30-40 cm). Sommige modellen zijn uitschuifbaar (1). Bij een bijzonder model hangt de vork aan de – soms hoornen - steel door middel van een cardankoppeling. Zo kan men een snede brood aan beide zijden roosteren gewoon door de steel te draaien. Zie ook vleesvork. [MOT] (1) Tot ca. 75 cm (WATTEL: 796).
Schrijnwerkershamer (m.)
De schrijnwerkershamer is een hamer met stalen kop (ca. 100-600 gr), taps toelopende platte pen en licht bolronde baan om het houtoppervlak niet te beschadigen. De schrijnwerker, maar ook andere houtbewerkers, gebruikt deze hamer hoofdzakelijk om nagels in te drijven. Met de pen worden korte nagels in het hout geslagen tot ze voldoende houvast vinden om ze nadien met de baan van de hamer verder in te slaan. De Japanse schrijnwerker gebruikt een stalen hamer (1) met twee vlakke banen, die in verschillende vormen (cilindrisch, ovaal, achthoekig, enz.) en vijf verschillende formaten (2) bestaat. De kleinste modellen hebben één vlakke en één licht bolronde baan. In tegenstelling tot de Westerse schrijnwerkershamer wordt de Japanse tevens gebruikt om op de beitel te slaan (3). Te onderscheiden van de bankhamer die zwaarder is. [MOT] (1) Japans: hatsukaku gennou en ryoguchi maru hanmaa. (2) De kop van de extra grote modellen weegt tussen 940-1125gr; van de kleinste modellen tussen 100-150gr. (3) In het westen gebruikt...
Schraapbeitel (imker) (m.)
Veelal een samengesteld werktuig bestaande uit een brede (ca. 4 cm) en dunne (ca. 0,27 cm) stalen beitel die aan een uiteinde in een hoek van 90° is omgebogen en voorzien is van één stompe (ca. 45°) vouw (1). Het andere uiteinde loopt uit op een dunne (ca. 0,07 cm) scherpe snede met één vouw. Op sommige modellen loopt de snede ook langs de zijkant van het bredere (ca. 4,5 cm) werkend deel. Dat model is aan de andere zijde voorzien van een in hetzelfde vlak liggende haak die dienst doet als bijenraamheffer. Met de scherpe snede van de schraapbeitel wordt overtollig propolis en wasresten (braamraat) van de bovenzijde van de ramen weggeschraapt. [MOT] (1) Dit gedeelte wordt gebruikt als bijenraamheffer. Het ruitvormig gaatje dient om de kop van een nagel te vatten (zie ook koevoet).
Schrijnwerkersguts (v.)
De schrijnwerkersguts is een hakguts met één vouw aan de binnenzijde, een angel of een dille en een borst, bestemd voor relatief zwaar werk (zie ook hakbeitel), o.a. voor het maken van afgeronde groeven. In tegenstelling tot de steekguts van de houtsnijder (zie houtsnijdersguts) wordt de schrijnwerkersguts geslagen met een hamer. Zij is aan het uiteinde van het hecht meestal voorzien van een beslagring om splijten te voorkomen. Zie ook klompenmakersguts en timmermansguts. [MOT]
Schrooi (m.)
De schrooi is een zware (ca. 1 kg), brede (ca. 5 cm), ijzeren beitel met stompe vouw en korte pen (ca. 8-10 cm) die in het gat van het aambeeld gestoken wordt, om daarop stukken van dunne ijzeren staven af te hakken. De vorm van de beitel is in doorsnede meestal driehoekig, soms ook kegelvormig. De gloeiende staaf wordt dwars op de schrooi geplaatst en de smid slaat erop met de smeedhamer. Het werkstuk wordt steeds rondgedraaid om vervorming tegen te gaan. De laatste slag mag de snede niet beschadigen. Zie ook stokbeitel. [MOT]
Schoudermes (o.)
Het schoudermes (1) is een handwerktuig, gebruikt door de inlegwerker om fineer te snijden (2). Het heeft een lemmet (ca. 6 cm) met rechte of gebogen snede. Het uiteinde van de lange houten steel (ca. 57 cm) is licht gebogen en rust op de schouder van de gebruiker. Zo heeft hij meer controle over het mes en kan hij meer druk zetten. Het wordt soms ook als steekmes van de houtsnijder gebruikt (3). Zie ook snijkruishout. [MOT] (1) Eigen benaming. (2) In de 18de eeuw werd het snijkruishout verkozen boven het schoudermes. Zie ROUBO: 847. (3) Uit DICK catalogus: 53.
Schraapstaal (kuiper) (o.)
Het schraapstaal van een kuiper is een metalen plaatje van ca. 5 bij 10 cm met een bolronde snede, geklemd in een handvat, waarmee de kuiper de holronde duigen afschraapt. Het werktuig wordt bijna verticaal op het hout getrokken. Zie ook het schraapstaal met rechte en holronde snede. [MOT]
Schuurpapier (o.)
Schuurpapier dient om een vervaardigd voorwerp glad te wrijven. Het schuren is de laatste bewerking die een voorwerp ondergaat tijdens het vervaardigen. Schuurpapier is een blad papier of stof waarop fijngestoten glas of zand, amaril of ijzervijlsel gelijmd is. Er bestaan verschillende soorten, van zeer grof tot zeer fijn. Een ambachtsman zal het papier gebruiken in combinatie met een schuurblok (1), zoals hierboven afgebeeld. Het schuurblok is een houten blokje waar het schuurpapier in- of omgeklemd wordt om overal dezelfde druk te kunnen uitoefenen. Om dezelfde reden wordt het papier soms ook op een stuk kurk gelijmd. Schuurpapier vervangt de paardestaart (2), de huid van de haai (3) en van de zeehond (4), en gedeeltelijk de puimsteen. [MOT] (1) Zie enkele vormen in CARPENTER: 3-4. (2) GROTHE:212; KARMARSCH: 1.801; ROUBO:3.859. (3) GROTHE: 212. (4) ROUBO: 3.859.
Sigarenkistopener (m.)
De sigarenkistopener is een handwerktuig waarmee men een sigarenkistje kan openen. Het heeft een plat, afgerond, stomp blad met een kleine inkeping langszij, en een recht hecht. Met het afgerond uiteinde snijdt men het papieren bandje rond het deksel van de kist los en met de inkeping wrikt men het nageltje los. Bij sommige modellen is er ook een hamerkopje aanwezig om het nageltje er terug in te slaan. Soms is de sigarenkistopener gecombineerd met een sigarenschaartje. Om kistjes met primeurs te openen wordt hetzelfde werktuig gebruikt (1). De sigarenkistopener kan ook een onderdeel zijn van een zakmes. [MOT] (1) Paul Duflos. Outillage pour le travail du bois. Tarif nr. 5. 1920: 13 marteaux-couteaux pour primeurs.
Schuivertje (o.)
Onderdeel van peuterbestek naast een eetlepeltje en al dan niet een eetvorkje. Het schuivertje dient om het reeds fijn gemaakt voedsel op de lepel of vork te duwen. Het schuivertje bestaat uit een plaatje van ca. 4 cm bij 2 cm dat haaks op het hecht staat. Het kan uit verschillende materialen zoals zilver, roestvrij staal, plastic, enz. gemaakt zijn. Vaak zijn de zilveren exemplaren versierd omdat ze als geboortegeschenk werden gegeven. Het werkend deel van het plastic model is zo gebogen zodat de excentrische lepel er juist in past. [MOT]
Schroefkam (m.)
Handwerktuig om een draad te draaien. Men onderscheidt de uitwendige schroefkam om de draad op een schroef te draaien, en de inwendige schroefkam om de draad in een moer te draaien. De eerste gelijkt op een beitel waarvan het uiteinde getand zou zijn, de tweede heeft tanden op een zijde. De schroefkam wordt op het draaiende stuk geplaatst en regelmatig voortgeduwd zodat de schroef gesneden wordt. De uit- en inwendige schroefkam vormen natuurlijk telkens een paar: de ene past op de andere zodat er geen licht tussen beide te zien is. [MOT]
Sjabloneerkwast (m.)
Kwastje dat wordt gebruikt bij het sjabloonschilderen om de verf in de uitgesneden gedeelten van het sjabloon, bestaande uit letters, figuren of versieringen, aan te brengen. Je kan er ook, in combinatie met een sjabloneerrooster, verf mee spatten. De sjabloneerkwast bestaat uit een ronde en recht afgesneden kwast van stevig kort (ca. 2 cm) wit varkenshaar (breedte ca. 0,4 - 3,7 cm), gedeeltelijk omgeven door een metalen huls waarin, langs de andere zijde, een kort (ca. 6 cm) houten handvat steekt. [MOT]
Sjouwershandhaak (haven) (m.)
Metalen S-vormige haak (ca. 30 cm) met recht of T-hecht, die in de havens door de sjouwer gebruikt wordt om "sterke kisten of kratten en andere goederen te verplaatsen wanneer de verpakking en de inhoud er niet door worden beschadigd" (1). Hij is te onderscheiden van de handhaak voor balen en de handhaak voor hout. [MOT] (1) JANSE: 27.
Eierscheplepel (m.)
Lepel met een open eivormig schepblad waarmee men makkelijk een ei in kokend water kan laten en het er ook uit kan scheppen. Het schepblad kan vervaardigd zijn uit ijzerdraad, plaatijzer, aluminium of plastic. Eerstgenoemde is te onderscheiden van de garde of de spiraalklopper. Het handvat is soms van hout (1). Er bestaat ook een netje, meestal in ijzerdraad, waar een zestal eieren in kunnen plaatsnemen (2). Dat wordt eiernetje of eierstandaard genoemd. Het is van de eierpocheerder te onderscheiden door zijn open structuur. Zie ook eiertang. [MOT] (1) Bijv. TEN KATE-VON EICKEN: 161, 175. (2) Bijv. Manufrance: 603 en TEN KATE-VON EICKEN: 161.
Eg (hand) (v.)
De handeg is een kleine eg die door één arbeider wordt getrokken om de bovenlaag van gespitte of geploegde grond los te maken, te verkruimelen en vlak te strijken. Ze wordt ook gebruikt om meststoffen en zaden in de grond te werken. De eg (hand) bestaat uit een houten of ijzeren, meestal driehoekig, raam waarin houten of ijzeren ronde, vierkantige of ruitvormige tanden (ca. 12-16 cm) schuin steken. Soms is de afstand tussen de tanden regelbaar (1). Afhankelijk van de helling en de trekrichting, dringen de tanden 1 tot 7 cm diep in de grond. Het trektouw wordt aan één hoek van het raam bevestigd. Er wordt getrokken door middel van een dwarsstok of een schouderband (2). Zie ook grondhark, grondfrees (hand) en schoffel met harkje. [MOT] (1) Bv. Manufrance: 697. (2) Bv. Manufrance: 697.
Dwarsaks (v.)
De dwarsaks dient tot het uithakken van zware pen en gat verbindingen. Ze heeft een ca. 30-40 cm lange steel. Haar soms iets gebogen blad vertoont een zekere gelijkenis met het blad van de dubbele steekbijl maar is veel korter (ca. 50 cm) en heeft een dubbele vouw. Het handwerktuig wordt op een andere wijze gehanteerd dan de steekbijl. De steel wordt hier met beide handen gevat en de beweging is dezelfde als deze van een bijl. [MOT]
Druivenschaar (v.)
Met een druivenschaar kan men aan tafel makkelijk druiven van een tros afknippen. Het is een schaar met korte (ca. 3-5 cm), smalle (ca. 5 mm) bladen met een stompe punt en lange (ca. 10 cm) armen. De punten zijn bot zodat de druiven niet beschadigd worden bij het knippen. Vaak zijn deze scharen versierd met druivenmotieven. Zie ook druivenoogstschaar. [MOT]
Effileermes (paarden) (o.)
De ruiter gebruikt een zwaar (ca. 75 gr) effileermes om de manen van het paard uit te dunnen. Het effileermes voor paarden bestaat uit een dik (ca.3 mm) blad waarvan de punten van de kam V-vormig zijn geslepen. Het houten hecht is ca. 10 cm lang. Het blad kan ook in het hecht draaien zoals bij een knipmes. [MOT]
Flessenkurker (m.)
Met een flessenkurker kan men een kurk in een fles duwen of slaan. Het kan een houten of metalen holle cilinder zijn die binnenin naar beneden toe smaller toeloopt en met een staaf erin waarop geklopt wordt. De vooraf gekookte kurk wordt langs boven in de flessenkurker gestopt en door een krachtige slag op de kop van de steel in de fles gedreven. De staaf kan ook verbonden zijn met een dubbele hefboom. Door beide handvatten naar beneden te drukken, duwt de staaf de kurk in de fles, die gevat wordt door het V-vormige uiteinde op elk handvat. Handig is het model met kurkknijper. Men plaatst de kurk in de kurkknijper en zet deze op de flessenhals; zijn kaken zijn aangepast aan de vorm van een kurk. Vervolgens drukt men de hendel die op één van de armen van de kurkknijper bevestigd is, naar beneden. Zo duwt een staaf de kurk doorheen de bek van de kurkenknijper, in de fles. Deze staaf kan in- of uitgeschroefd worden, al naargelang de lengte van de kurk. Zwaardere modellen kunnen op tafel gezet of aan de tafel vastgeschroefd...
Entmes (o.)
Het entmes heeft een rechte of licht gebogen snede. Het vast of vouwbaar stalen blad heeft een lengte van 5 tot 7 cm, is dun en zeer scherp, terwijl de punt bot is. Zowel de ent als de wortel of stam waarop hij geënt wordt, worden ermee gesneden. Er bestaat ook een groter entmes met vast gebogen blad (ca. 6-8 cm lang) en eindigend in een scherpe punt. Dat mes, dat niet verward mag worden met de voegenkrabber van de tuinier, kan ook als snoeimes dienen. Voor het oculeren, d.i. een entmethode waar enkel knoppen op de andere plant overgebracht worden, bestaat er een bijzonder entmes, namelijk het oculeermes. Bij het spleetenten wordt vaak een entbeitel gebruikt. Speciaal bij de wijnbouw wordt gebruik gemaakt van een ent-oculeersnijder die stevig wordt vastgeschroefd op een werk- of tafelblad (1). Het entmes wordt tenslotte ook gebruikt bij het stekken, d.i. het in water of grond steken van takjes zonder wortels, om die takjes af te snijden (2). Zie ook zakmes en sapsnijder, tang. [MOT] (1) Larousse Agricole 1: 778-780. (2)...
Flesopener voor schroefstop en -dop (m.)
Met een flesopener voor schroefstop en -dop kan men de stop of de dop van sommige flessen makkelijk losdraaien. Verschillende oplossingen werden bedacht. Zo bv. een tang met hefbomen van de tweede soort die een aan de binnenkant geribde ring (ca. 3 cm) dichtknijpt. Zo ook een 12-hoekige schijf met in het midden een conische geribde opening (ca. 3-4 cm). Soms is het werktuig gecombineerd met een flesopener voor kroonkurk of een bokaalopener voor schroefdeksels. Zie ook een champagnetang. [MOT]
Fileermes (o.)
Het fileermes heeft een smal (ca. 1,5-3 cm) en buigzaam lemmet van ca. 17-25 cm lengte, met een scherpe punt en een dunne rug. Het is een licht mes (ca. 40-70 gr) dat gebruikt wordt om vis te ontgraten; met de scherpe punt kan men door het vel snijden. Er bestaan ook fileermessen die tot de uitrusting van de visser behoren; zij hebben dan een stevig plastic hecht en een relatief kort (ca. 14-22 cm) en smal (ca. 1-1,5 cm) lemmet dat in een plastic schede steekt. [MOT]
Glaceerspalter (m.)
Dikkere spalter, al dan niet met steel, gemaakt uit wit varkenshaar (1) dat in een platte bus van blik of koperplaat is gevat en waarin de haarbundels door een kit (2) samengekleefd zijn. Modellen met steel bestaan in een breedte van 27, 40, 60, 80 en 95 mm, deze zonder steel enkel in de maten 80 en 95 mm. De glaceerspalter wordt hoofdzakelijk (3) gebruikt (bij hout- en marmerimitatie) om een teveel aan natte kleur van het oppervlak weg te nemen. "De vochtige, even uitgeknepen glaceerspalter neemt gretig vocht op en daarmee worden dan in de donkere, natte waterkleur gemakkelijk lichte partijen en kleurschakeringen gemaakt." (4). De glaceerspalter wordt ook gebruikt voor het aanbrengen van een laagje verdunde, doorschijnende verf op een dekkende ondergrond. Ook de banketbakker gebruikt de glaceerspalter om te glaceren, d.i. het gebak met een laag gladde glanzende suiker overdekken. [MOT] (1) De glaceerspalter heeft een dunnere soort varkenshaar dan de gewone spalter. (2) Meestal hars of een harsmengsel dat men...
Gazonmaaimachine (hand) (v.)
Om een gazon te maaien; kan men gebruik maken van een gazonmaaimachine. Het is een toestel bestaande uit een licht metalen frame met vast geslepen blad, waarop een cilinder (diam. ca. 12-25 cm; lengte ca. 25-60 cm) van 3 à 10 (meestal 5) in een spiraalvorm gebogen stalen messen zijn gemonteerd, tussen twee (rubberen) wielen (diam. ca. 20-25 cm) en een houten of ijzeren steel (ca. 70-100 cm) met breed (ca. 50 cm) dwarsstuk. Door de gazonmaaimachine voor zich uit te duwen, komt het gras tussen de nauwe opening van het vast geslepen blad en de draaiende cilinder terecht. Deze laatste draait sneller dan de twee wielen die de draaibeweging overbrengen door middel van tandwielen. Het werkend deel is meestal in de hoogte instelbaar. Het gras kan eventueel opgevangen worden door een ijzeren of plastic bak en soms bevindt er zich achter het frame een houten rol, nu ook van plastic. [MOT]
Fretboor (v.)
De fretboor is een zeer kleine avegaar die met één hand gedraaid wordt en dient om kleine gaten te boren, bv. voor een schroef (1). De kruk staat vast op het boorijzer (zie glossarium). Ze kan van hout of van metaal zijn. In het eerste geval eindigt het boorijzer in een angel, soms in een oog. In het tweede zijn boorijzer en kruk uit één stuk gemaakt. Het boorijzer is vaak een schroefboor (2) en juist omdat dit model het hout doet barsten, wordt de fretboor weinig aangewend voor smalle stukken. De fretboor is te onderscheiden van de zwikboor. [MOT] (1) Volgens TIDEMAN: 93 zou de fretboor ook gebruikt worden "bij onderzoekingen van hout omdat het boorsel minder fijn verkorreld is ...". (2) Zie glossarium. Vandaar dat fretboor soms het boorijzer van deze vorm aanduidt (LOMBAERT: 88).
Glansstrijkijzer (o.)
Wanneer men een kledingstuk of een deel ervan glanzend gesteven wilde hebben, gebruikte men een glansstrijkijzer. Eerst werd het kledingstuk in een stijfselpapje gedaan, daarna gedroogd, ingevocht en tenslotte droog gestreken. Wanneer dat met een strijkijzer met vlakke zool gebeurde (zie massief strijkijzer, strijkijzer met kolen en strijkijzer met strijkbout), kon de waterdamp die bij dit proces vrijkwam, niet weg. Daarom gebruikte men een glansstrijkijzer, dat een bolle zool had en waarmee al schommelend gestreken werd. Andere modellen hebben een zool die voor het grootste gedeelte vlak is maar waarvan de punt en/of de achterkant afgerond is. [MOT]
Glaceerijzer (o.)
Gietijzeren keukenwerktuig bestaande uit een rond plaatje (ca. 5-8 cm doorsnede; ca. 1-3 cm dik), in het midden bevestigd aan een geknikte, lange (ca. 40 cm) steel, met of zonder houten handvat. Wanneer men het glaceerijzer roodgloeiend verhit boven het gas of in het vuur, kan men daarmee de bovenkant van gratineerschotels of gesuikerde nagerechten bruineren met een knapperige korst of een karamellaag. Het glaceerijzer is vrijwel niet te onderscheiden van het mutsstrijkijzer, een gelijkaardig werktuig dat op de kachel verwarmd werd en waarmee de binnenkant van mutsen gestreken werd. [MOT]
Glazenmakershamer (m.)
Hamer (ca. 150-500 gr) met een smalle (ca. 1-2 cm) kop waarmee de glazenmaker kleine nageltjes in het raamkozijn klopt. Er bestaan verschillende modellen: met twee vierkantige banen, twee ronde banen en met één ronde baan en een wigvormige pen. Vaak is de steel van de glazenmakershamer afgewerkt als ruitenlichter. Te onderscheiden van de stoffeerdershamer. [MOT]
Gazonbeluchter (zolen) (m.)
Een klein gazon kan je al wandelend beluchten door gebruik te maken van de gazonbeluchter (zolen). Hij bestaat uit ijzeren of plastic zolen waaronder ijzeren spijkers (ca. 5 cm) bevestigd zijn. De zolen bevestig je onder je schoenen. Andere middelen om het gazon te beluchten zijn een prikker of een gazonbeluchter (roller). [MOT]
Glasafsteekmes (o.)
Na het schilderen van glassponningen zit er altijd wel wat verf op het glas. Met het glasafsteekmes, voorzien van een veiligheids- of cuttermesje, schraapt men de verf gemakkelijk van het venster af. Hierbij houdt men het blad van het glasafsteekmes nagenoeg parallel met de ruit. Sommige modellen worden gebruikt bij het onderhoud van een keramische kookplaat. Het blad waartussen het mesje wordt vastgeschroefd, is van staal of plastic. Het handvat kan uit ijzer, hout of plastic vervaardigd zijn. Bij sommige modellen zitten de verwisselbare mesjes veilig in het hecht opgeborgen. Omdat de snede zo scherp is, is de glasschraper meestal voorzien van een metalen beschermkapje of kan je het bovenste deel van het hecht zo verschuiven dat het over het mesje zit. Het mesje van enkele modellen kan in verschillende posities (haaks, recht en schuin) t.o.v. het hecht bevestigd worden. Zo kunnen ze voor andere doeleinden aangewend worden. Bv. een potlood slijpen, als mes, om ijs, etiketten, kauwgom, enz. van harde oppervlakken...
Glazuurspuit (v.)
Met een glazuurspuit garneert en glazuurt men taarten en gebak. Zij bestaat uit een plastic of metalen buis (ca. 10 cm lang; ca. 4-5 cm doorsnede), waar men glazuur of botercrème in kan doen, met daaraan geschroefd een plastic of metalen spuitmondje. Het glazuur wordt door het mondstuk geperst met een nylon zuiger die aan de handgreep vastzit. De buis is bovenaan afgesloten met een deksel met aan weerszijden vingergrepen. Deze laatste kunnen zich echter ook aan weerszijden bovenaan de buis bevinden. De buis wordt gevuld met glazuur en de zuiger wordt erin geduwd. Om het glazuur door het mondstuk te spuiten, duwt men de zuigerhandgreep met de duim naar beneden terwijl in elke vingergreep een vinger steekt. Het mondstuk wordt geleid met de andere hand. Bij één spuit horen meestal verwisselbare spuitmondjes, die allemaal een ander motief hebben. Zie ook spuitzak. [MOT]
Gladbeitel (m.)
De gladbeitel is één van de meest gebruikte beitels van de draaier en dient om een stuk glad te draaien aan de draaibank. Het is een beitel zonder borst, waarvan de meestal dubbele vouw (1) schuin op de as van het werktuig staat. [MOT] (1) Volgens DE VALICOURT: 1. 206 wordt de gladbeitel met één vouw voor harde houtsoorten aangewend.
Golfsteker (m.)
Met een golfsteker kan men gegolfde aardappelschijven of frietjes maken. Het bestaat uit een gegolfd, rechthoekig of trapeziumvormig blad dat in een U-vormig frame met handvat bevestigd is. Men steekt met de golfsteker schijfjes van een aardappel af; wanneer hij een rechthoekig blad heeft, kan men deze schijfjes vervolgens in blokjes snijden, opdat men frietjes met gegolfde randen bekomt. [MOT]
Handpalmboor, driezijdige/Handpalmboor, vierzijdige (Japanse) (o.)
De Japanse driezijdige handpalmboor (1) (Japans: mitsu me kiri) is een heel licht handwerktuig, het weegt niet meer dan ca. 25 gr. Het wordt gebruikt om kleine, gaten te boren in hout. De gaten zijn bedoeld om er nagels of houten schroeven in te bevestigen. De lengte van het boorijzer varieert van 1,5 tot 9 cm. Het is fijn en rond (diameter ca. 0,3 cm) en eindigt op een driekantige, scherpe punt. Elke driekant heeft een smalle, langwerpige uitsparing. Met de Japanse vierzijdige handpalmboor (Japans: yotsu me kiri) worden taps toelopende gaten geboord, waarin tapse bouten van hout of bamboe passen. De lengte van het boorijzer varieert van 4,5 tot 15 cm. Het is fijn (ca. 0,3 cm), heeft vier zijden en eindigt op een scherpe punt. Het boorijzer is bij beide modellen met een angel in een rechte houten steel van ongeveer 30 cm bevestigd. De handpalmboor wordt bij het boren verticaal gehouden en tussen de handpalmen gewreven. [MOT] (1) ODATE: 166-167.
Handborstel (m.)
Borstel voor het wegvegen van stof en het aanvegen van de vloer. Vaak vormen handborstel en vuilblik een stel. Door in de ene hand het vuilblik te houden en de handborstel in de andere hand te nemen kan men het stof of het vuil met de borstel op het blik vegen en in de afvalbak gieten.De handborstel is een stevige borstel met een smal (ca. 3-5 cm) houten of plastic borstellichaam voorzien van een aantal (ca. 30) niet doorboorde gaten waarin haarbundels (ca. 5-7 cm) uit kokos of kunststof steken. Op de kop van het borstellichaam bevinden zich vaak enkele schuin ingeplante haarbundels om makkelijker in de hoeken te kunnen werken. Borstellichaam en korte steel liggen in elkaars verlengde en zijn meestal monoxiel. De handborstel is te onderscheiden van de schildersstoffer, gebruikt voor het afstoffen van te schilderen houtwerk. Het werkend deel uit (zacht) varkenshaar voorkomt krassen of zwarte vegen. [MOT]
Hamer (lederen) (m.)
Hamer (ca. 600-1000 gr) waarvan de cilindrische kop (ca. 7-8 cm doorsnede) van leder is, met een metalen tussenstuk. Vaak is het mogelijk om doppen van verschillend materiaal (rubber, nylon) op het tussenstuk te schroeven. De steel is van hout, plastic of metaal. Een ander lichter model heeft een cilindrische kop die geheel met leder omwikkeld is. De lederen hamer wordt gebruikt voor het bewerken van materiaal waarvan het oppervlak niet beschadigd mag worden. Zie ook hamer (nylon) en rubberhamer. [MOT]
Handzaaimachine (v.)
Met de handzaaimachine wordt in één handeling een zaaivoor gemaakt, het zaad - meestal van groenten - gelijkmatig in rijen gezaaid, de zaaivoor weer dicht gemaakt en de aarde aangedrukt. De handzaaimachine bestaat uit een ijzeren, nu ook aluminium, onderstel gedragen door een groot (diam. ca. 28 cm) smal voorwiel en een breed achterwiel van ijzer of plastic (diam. ca. 16 cm; breedte ca. 7 cm), dat in het midden wat uitgehold is. Men duwt het geheel voort door middel van twee houten of ijzeren armen (ca. 130 cm). Het onderstel bestaat uit een houten, ijzeren of plastic zaadbak (1), met onderaan een tandrad dat door middel van een ketting of een ander aandrijfmechanisme met het voorwiel verbonden is. De zaadbak versmalt naar onder toe met aan de achterwand een regelbare opening, naargelang de grootte van het zaad dat wordt gebruikt. Soms zijn hiervoor verschillende tandraderen voorzien (2). Bij het voortduwen van het toestel komt het tandrad in de zaadbak in beweging, waardoor het zaad door de opening en via een...
Hoefrasp (v.)
Rechthoekig handwerktuig (ca. 4 cm breed; ca. 25-50 cm lang), al dan niet met handvat, dat zowel rasp als vijl combineert; aan de ene zijde met een dubbele vijlhouw en aan de andere zijde met een rasphouw. De korte zijde(n) is/zijn meestal licht afgerond. De lange zijden zijn soms gegroefd als een vijl. Bij de hoefrasp zonder handvat, ook wel dubbele hoefrasp genoemd (1), raspen of vijlen de twee helften in de tegenovergestelde richting. Soms is er maar één zijde bekapt waarvan de ene helft met een dubbele vijlhouw en de andere helft met een rasphouw. Na het overtollige hoorn van de paardenhoef weg gehakt te hebben met het hoefhakmes en de hoefhamer, gebruikt de hoefsmid de hoefrasp om de rand van de paardenhoef die op het hoefijzer zal dragen, geheel vlak te raspen/vijlen; ook, om de buitenrand van de hoef te breken om inscheuren te voorkomen. Het model zonder handvat gelijkt sterk op de schoenmakersrasp, die evenwel korter is. [MOT] (1) Tech-term: 11.6.
Hoefmes voor paarden (o.)
Handwerktuig dat de hoefsmid gebruikt om de hoeven van paarden bij te werken. Het heeft een meestal lichtjes gekromd blad dat op het uiteinde omgebogen is en dat over de ganse lengte snijdt. (Vergelijk met de balkenrits, de boomrits, de kuipersrits en de klompenmakersrits). Dat blad steekt in een vaak naar boven gebogen houten hecht. Met het mes wordt overtollig hoorn weggesneden. Met het omgebogen uiteinde - dat eveneens snijdt - kunnen onzuiverheden aan de binnenzijde van de hoef verwijderd worden. Er bestaan modellen voor zowel links- als rechtshandigen (1). Zie ook ruitersknipmes. [MOT] (1) Bv. Encyclopédie 1740-80, deel 13: s.v. Marechal-ferrant.
Hoefhakmes (o.)
Het hoefhakmes is een meestal volledig metalen mes zonder hecht, met een lange rechte snede (tussen 15 en 35 cm); er bestaat ook een model met hecht en een kort (ca. 7 cm) werkend deel. De rug van het hoefhakmes is breed (5 mm), zodat de hoefsmid er met behulp van zijn hoefhamer op kan slaan. Met het mes wordt het overtollige hoorn van de paardenhoef weggehakt. Zodoende wordt de hoef klaargemaakt voor het bevestigen van een hoefijzer. Wat de vorm betreft, is verwarring mogelijk met het metselaarsgereedschap, de sabel, om bakstenen op maat door te kappen. Zie ook hoefrasp. [MOT]
Hoefhamer (m.)
De hoefhamer is een hamer (300-600 gr) met ronde, vlakke baan en gespleten pen die sterk op de klauwhamer (timmerman) lijkt maar er toch van te onderscheiden is doordat zijn klauw meestal korter en sterker gebogen is. De hoefsmid gebruikt deze hamer om het hoefijzer - wanneer het na verscheidene verhittingen en behameringen perfect op de hoef past - vast te nagelen. De nagels dienen naar buiten toe geslagen te worden om het vlees van de voet niet te kwetsen. Met de klauw worden de nagels die buiten de hoef uitsteken, geklonken. [MOT]
Hielmes (o.)
Het hielmes dient om de hiel van een klomp binnenin glad te snijden. Zijn ca. 4 cm lang tweesnijdend blad, waarvan een uiteinde soms naar boven gebogen is, eindigt in een op zijn vlak haaks staande angel. Deze laatste steekt in een rechte houten steel van ca. 30 cm. Het blad heeft ook soms de vorm van een platgedrukt vraagteken. Met zijn linkerhand vat de klompenmaker de steel bij het ijzer, de rechterhand houdt hij dichtbij het uiteinde. [MOT]
Hangijzer (o.)
Een hangijzer werd aan de haak van ketting-, schroef- of zaaghaal gehangen om er een pan of wafelijzer op te plaatsen. Onderaan is er een ring waar een pan of een wafelijzer op gezet kon worden; vervolgens zijn er twee diametraal daarvan uitgaande, eerst horizontaal verlopende en dan schuin opwaarts naar elkaar toe stijgende hangarmen; bovenaan tenslotte zit een scharnierend of vast, meestal maanvormig hengsel dat aan de haak van de haal gehangen werd. [MOT]
Hoefsmeedhamer (m.)
Zware (ca. 1,400-2 kg), trapeziumvormig gesmede hamer met vlakke of licht bolronde baan en korte (ca. 20-25 cm) steel. De hoefsmid smeedt hoefijzers meestal met een smeedhamer. In sommige gebieden van Frankrijk daarentegen gebruikt men een specifieke hamer, de hoefsmeedhamer. Door de trapeziumvormige kop kan hij uitzonderlijk op de houwhamer gelijken. [MOT]
Hoefijzerdoorslag (m.)
Na het ritsen (zie ritsbeitel (metaalbewerking)) en het vormen van de nagelgaten (zie stokpuntslag (hoefsmid)) in het hoefijzer, gebruikt de hoefsmid een hoefijzerdoorslag om de gaten door te slaan of te vergroten. De hoefijzerdoorslag is een lange (ca. 25-40 cm) ijzeren beitel die uitloopt in een kleine rechthoekige (ca. 3 mm bij 1,5 mm) punt. Zie ook nietenkapper. [MOT]
Hoepeldrijver (m.)
Werktuig om de hoepels op een kuip te drijven. Voor metalen hoepels is het een metalen blokje met een houten in de lengte gericht hecht, waarvan een zijde overdwars holrond is (geheel 15-20 cm; breedte ca. 5-8 cm; dikte ca. 0,8-2 cm); het kan ook geheel van metaal zijn. Het ondereinde is overdwars uitgehold of gekarteld om het wegglijden te voorkomen. Soms wordt een steel haaks in het werktuig gestoken zodat het op een hamer gelijkt; deze drijfijzers zijn voor grote tonnen bestemd en worden stokhoepeldrijvers genoemd. Voor houten hoepels kan hetzelfde werktuig aangewend worden maar meestal wordt gebruik gemaakt van een geheel houten hoepeldrijver. De kuiper plaatst de hoepeldrijver op de hoepel met de holronde zijde tegen de duig. Met een hamer of met zijn rechte dissel slaat hij erop tot wanneer de hoepel op zijn plaats is. [MOT]