ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 401 - 450 1,387 resultaten gevonden
Spitgreepje (o.)
Kleine en lichte spitgreep om in de tuin de grond te verkruimelen rond bomen en struiken. Hij is ook geschikt voor het werken in de borders, perken en plantenbakken. Terreinverzorgers van sportgrasvelden gebruiken dergelijke vork om het water in vochtige zones van een grasveld te laten indringen door gaten in de grond te prikken om het veld speelbaar te maken. Het werktuig bestaat uit vier gesmede of gestanste tanden met een rechthoekige (1 cm bij 0,2 cm) doorsnede en puntig uiteinde. De tanden kunnen zowel plat in het vlak van het blad liggen als haaks gedraaid (1). In dat laatste geval is het de bedoeling de wortels van de planten nog minder te beschadigen. Werkend deel en een houten T-, D- of knopsteel (ca. 80 cm) zijn d.m.v. een dille aan elkaar bevestigd. Te onderscheiden van het wiedvorkje dat een kortere (ca. 15-20 cm) steel heeft en dus al hurkend wordt gebruikt. [MOT] (1) HUXLEY: 122 toont een model waarvan de tanden in twee verschillende vlakken liggen.
Spatbordponstang (v.)
De fietsenmaker gebruikt een spatbordponstang om gaten te ponsen in een spatbord. Het is een speciale metaalponstang waarbij één van de kaken rond en uitgehold is zodat er plaats is voor de kromming van het spatbord. Zo is het mogelijk om gaatjes te ponsen op enige afstand van de rand zonder het spatbord te moeten draaien. Een bek is voorzien van een verwisselbare hippel of stalen cilindervormige pen (diam. ca. 4-6 mm), de andere van een holle cilinder met overeenstemmende diameter. De hippel is aan de onderkant schuin afgesneden zodat hij op één punt begint te snijden. De tang zelf kan voorzien zijn van een spil of van een dubbele hefboom. Op sommige modellen zorgt een veer voor het automatisch opengaan van de tang; een ring die rond de tweede arm glijdt, houdt de tang dicht. [MOT]
Speculaasvorm (m.)
Houten plank waar één of meerdere figuren - zoals een drinkebroer, nar, Sint-Nicolaas, enz. - zijn uitgesneden. De afmetingen variëren van 10 tot 75 cm. Eerst wordt de speculaasvorm met rijstebloem bestrooid of met olie bestreken om nadien het deeg, van respectievelijk de speculaas of de taai-taai (1), stevig in de vorm te drukken, af te snijden en uit te kloppen om het te kunnen bakken in de oven. [MOT] (1) taai-taai: soort van bruine, zeer taaie koek van roggemeel en stroop, gebakken in de vorm van speculaas, en vaak aan de bovenkant geglansd. (V.D.).
Spijkertang (bontwerker) (v.)
Tang (ca. 20-30 cm lang) met lange (ca. 8-10 cm), platte, dwars gegroefde kaken, waarvan één aan de buitenzijde gearceerd is. Meestal is één arm recht en de andere gebogen. De bontwerker gebruikt de tang om het bont glad te trekken en vast te spijkeren, om het te laten drogen. Zij wordt in de rechterhand gehouden terwijl het bont met de linkerhand aangetrokken wordt; vervolgens wordt het aan de rand vastgepakt met de tang en wordt er een spijker op geplaatst, die in het bord geslagen wordt door er met de gearceerde onderkant van de kaak een zachte tik op te geven. Zie ook spantang en singeltang. [MOT]
Spinhekel (m.)
Met de spinhekel worden de vezels van o.a. vlas een laatste keer gekamd juist voor ze gesponnen worden. De spinhekel bevat honderden tot duizenden dicht bijeen staande fijne ijzeren of koperen pinnen (ca. 4-9 cm) op een rond, vierkant of rechthoekig blok. Dat blok of kussen - mogelijk bekleed met een ijzeren (soms koperen) plaat - is gemonteerd op een horizontale plank die men op haar beurt in een hekelstoel kan bevestigen (Bv. PESCH: 190). Hiervoor is de plank, die soms smaller is daar waar het blok staat, op haar uiteinde voorzien van een gleuf of een rechthoekig of rond gat. Men kan de plank ook verticaal tussen de benen plaatsen. Zie ook de zuiverhekel. [MOT]
Spiraalsnijder (m.)
Met een spiraalsnijder kan men groenten of fruit in spiraalvorm snijden. Het is een plastic of metalen handwerktuig met een schroefvormige boor, haaks aan het uiteinde van een snijdend gedeelte dat eindigt in een ring. De boor duwt men lichtjes in de groente of het stuk fruit, de wijsvinger wordt in de ring gehaakt en vervolgens draait men het werktuig rond. Het snijdend gedeelte zal nu het fruit of de groente in een spiraal uitsnijden. [MOT]
Spitsbeitel (m.)
De spitsbeitel is een V-vormige platte draaiersbeitel met één vouw om een groef uit te draaien. [MOT]
Stokdoorslag (m.)
Handwerktuig dat bestaat uit een stalen hamerkop met een ronde (diam. ca. 0,5-2,5 cm), ovale, vierkante of rechthoekige doorsnede waarvan één uiteinde taps toeloopt in een vlakke punt en het andere uiteinde een vlakke baan heeft. De hamerkop wordt op een houten steel (ca. 20-40 cm) gestoken. De smid gebruikt de stokdoorslag om in een gloeiend stuk ijzer gaten te slaan van de gewenste vorm (rond - vierkant - rechthoekig) en diameter door met de smeed- of voorhamer op de baan van het werkend deel te slaan tot het halfweg door het metaal is gedreven. Het werkstuk, ondersteund door een onderlegplaat of boven het gat van het aambeeld geplaatst, wordt omgekeerd om met de stokdoorslag het gat in het werkstuk volledig door te drijven. Doordat de stokdoorslag taps toeloopt, wordt nadat het gat gemaakt is, het metaal verder opzij geduwd. Sommige modellen gelijken op de dolhamer. Zie ook stokpuntslag (hoefsmid) en doorslag (smid). [MOT]
Stopmes (o.)
Het stopmes dient om stopverf aan te brengen in glassponningen. Er bestaan verschillende vormen die streekgebonden zouden zijn. Het blad kan puntig of stomp, stijf of veerkrachtig, recht of gebogen zijn. De huisschilder gebruikt het stopmes, nadat het houtwerk in de grondverf werd gezet en "afgepuimd", om spijker- en schroefgaten met stopverf te stoppen. Een eerder zeldzaam model heeft kleine sleuven in het blad (1), net zoals een glassnijder, om smalle stukjes glas af te breken. Zie ook kuipersstopmes en oestermesje. [MOT] (1) Zie JACKSON & DAY: 170 en SALAMAN 1976: 251.
Stopblok (o.)
Houten of metalen wig - vandaag van kunststof -, meestal met holrond bovenvlak en een houten hecht of een metalen beugel. Het stopblok wordt tegen het wiel van een voer- of rijtuig geplaatst om het af te remmen of tegen te houden. De stopblokken voor de spoorwegen worden volgens plan gemaakt uit eik of olm; de steel (ca. 90 cm), uit es of acacia (1). [MOT] (1) ''Kleine houten voorwerpen'': 3.
Stookschop (v.)
Rechthoekige ijzeren schop (ca. 30 cm lang) met een dille waarin een houten D-steel steekt (ca. 70-80 cm). Ze wordt door de stoker gebruikt bij het vullen van de stookketel van een verwarmingsinstallatie of van een stoommachine, door de steenbakker, van de oven. Ze heeft opstaande randen opdat de kolen er niet zouden uitvallen bij het scheppen. Zie ook kolenschep en kolenschop. [MOT]
Stokdweil (v.)
Dweil of bos oude lappen (1) die aan een stok bevestigd zijn en waarmee schoongemaakt wordt in de bakoven voordat het brood met de ovenpaal in de bakoven "geschoten" wordt en na het verwijderen van de kolen met het rakelijzer, ook om water op te nemen in een scheepsruim (2). In de oven gebruikt men ook wel eens een natgemaakte (oven)bezem, uit rijshout van brem of berk, of een ovenwis (3). [MOT] (1) Soms zelfs een stuk afgedankt net. (VAN DE VENNE: 22). (2) DORLEIJN: 132. (3) Men spreekt van een ovenwis als er in plaats van de dweil een bosje stro op de stok bevestigd is (WEYNS 1963: 35).
Stokzaag (v.)
Sommige snoeizagen kunnen door middel van een dille (1) op een lange schacht gestoken worden om hoger te kunnen snoeien zonder ladder. Zowel de zaag met stijf blad als de beugelzaag (zie glossarium) komen voor. De combinatie trekschaar en stokzaag (2) lijkt weinig succes gekend te hebben. [MOT] (1) Een snoeizaag die op de schacht geschroefd wordt (RASPAIL: fig. 5D= DAVID 1975a: 85) lijkt uitzonderlijk. (2) Zie DUTRY-COLSON: 438.
Stokpuntslag (hoefsmid) (m.)
Handwerktuig dat bestaat uit een hardstalen hamerkop waarvan één uiteinde de vorm heeft van een vierzijdige piramide en het andere uiteinde een vlakke baan heeft, op een relatief lange steel (ca. 40 cm) gestoken. Daarmee maakt de hoefsmid een vierkantig gat in het hoefijzer. Het metaal moet roodgloeiend zijn; de hoefsmid plaatst het puntig uiteinde van de hamerkop op het metaal en klopt op de vlakke baan met een hamer. Zie ook stokdoorslag. [MOT]
Stopring (m.)
De stopring is een hulpmiddel bij stopwerk, voornamelijk om kousen te stoppen. Net als bij de maasbal wordt er een te herstellen stuk stof, bv. een sok, strak over getrokken. Een stopring kan als accessoire bij een specifieke breimachine worden aangeboden. Aan de met kunststof beklede ring schuiven twee kleine metalen ringetjes. De uitschuifbare haak heeft speling om het geleiden met de vrije hand te ondersteunen. Het stuk stof wordt gelijkmatig gespannen om op een glad oppervlak te werken, zodat er geen rimpels, plooien en andere onregelmatigheden ontstaan. Dergelijke stopring volstaat enkel om relatief kleine gaten te stoppen. Een alternatief is de borduurhoepel, die in vele formaten voorkomt. [MOT]
Stokwig (v.)
De stokwig dient om korte blokken (1) te kloven (vgl. kloofmes). Ze bestaat uit een ijzeren wig van ca. 2 kg met een oog waarin een rechte schacht van 70-80 cm steekt. Haar doorsnede is meestal niet driehoekig: de twee zijden zijn evenwijdig over ca. 6-7 cm en lopen dan smaller toe. Tegenover de stompe snede eindigt de wig in een zwaar vierkantig blok waarop geslagen wordt. Het werktuig wordt op de doorsnede van het te kloven stuk geplaatst en door een helper door middel van een sleg of een moker geslagen (vgl. kloofbijl). Zie ook kloofwig. [MOT] (1) Zie een uitzondering in SANDVIG: 7-8. De spleet waarin de houten wiggen gedreven worden om een stam te kloven, wordt met een stokwig bekomen.
Stophouweel (o.)
Door de spoorwegarbeider gebruikt houweel waarvan het ijzer in een punt eindigt en het andere uiteinde T-vormig is om fijne (bv. grind) en grove ballast onder de rails te stoppen. [MOT]
Stokschaar (v.)
De stokschaar is een grote (ca. 60-100 cm) schaar waarvan één uiteinde haaks is omgebogen zodat het in de bankschroef kan worden geklemd of in een gat in de baan van het aambeeld kan worden geplaatst. Hierdoor kan men meer kracht op de andere lange arm uitoefenen. Deze laatste is meestal voorzien van een stootnok door het uiteinde om te buigen. Soms loopt de arm door en steekt met behulp van een angel in een houten handvat. Het werktuig bestaat meestal uit 2 hefbomen van de eerste soort die rond een spil draaien maar kan ook uit 2 hefbomen van de tweede soort bestaan (1); deze wordt veelal door de smid gebruikt. Hij bedient zich ook van modellen met een dubbele hefboomoverbrenging om extra veel kracht te kunnen ontwikkelen (2). De metaalbewerker knipt er metaalplaat mee die te dik (ca. 1,5-2 mm) is voor de plaatschaar. De muntslager gebruikt de stokschaar om uit de op dikte gehamerde plaat min of meer ronde muntplaatjes te knippen (3). Nadien worden ze op het juiste gewicht gevijld en...
Straatstamper (m.)
Om de straatstenen vast te stampen, gebruikt de stratenmaker een stamper. Zo'n werktuig kan van hout zijn. Het is dan een cilindrisch of licht kegelvormig stuk hout (hoogte ca 75-100 cm) onderaan beslagen op een paar centimeter van de rand. Een stok steekt door het blok en vormt handvatten; deze kunnen ook uit twee houten bogen bestaan (1). De straatstamper kan ook van metaal zijn met ongeveer dezelfde vorm als de houten (soms met een vierkantige doorsnee). Hij kan tenslotte ook uit een ijzeren blok bestaan waarin een rechte steel steekt. Men raadt een gewicht van 20-22 kg aan (2). Voor natuurstenen worden zowel de houten als de ijzeren straatstamper gebruikt, voor klinkers of tegels, de houten. Voor stampasfalt worden de ijzeren stampers verwarmd (3). Te onderscheiden van het plaveiblok, de grondstamper en de handhei. [MOT] (1) Bv. DURAND-CLAYE: 380. (2) GELDOF, J.: 189. Dezelfde auteur meldt ook "zware tweemanstampers" die evenwel "niet wel in het gebruik voldoen, omdat het moelijk...
Strijkijzer (massief) (o.)
Handwerktuig van massief metaal met een dik (ca. 3-10 cm) blad met een L- of U-vormig handvat erop. Het werd op de kachel, in het open vuur of op het gasvuur (1) gezet totdat het op temperatuur was en vervolgens streek men ermee over de gewassen kleren om de kreukels eruit te krijgen. Het handvat kan van metaal of hout en vast of afneembaar zijn. Een afneembaar handvat haalde men voor het opwarmen eraf en plaatste men terug wanneer het strijkijzer op temperatuur was; zo had men steeds een koel handvat in de hand. Sommige strijkijzers hadden voor datzelfde doeleinde een metalen geperforeerd handvat. Wanneer het ijzer in het open vuur opgewarmd werd, werd het uiteraard vuil. Voordat men ermee over het schone wasgoed streek, werd het afgeveegd. Het ijzer kon ook na het opwarmen in een strijkschoen geplaatst worden, d.i. een dun plaatje dat onder de zool van de strijkbout bevestigd kon worden d.m.v. twee verende beugels. Zo kwam de zool niet in aanraking met het wasgoed. Zie ook het strijkijzer...
Strijkijzer (met kolen) (o.)
Naast het massieve strijkijzer en het strijkijzer met strijkbout bestaat er ook een strijkijzer waarin men gloeiende kolen legde om het te verwarmen. De bovenkant kan open opdat de hete kolen erin kunnen; ook zijn er openingen aan de bovenkant - soms in de vorm van een schoorsteen - waarlangs de rook weg kan, en dikwijls ook net boven de zool om zuurstof aan te voeren. De kolen kunnen ook met een blaasbalg, die men in een opening aan de achterkant van het ijzer steekt, tot gloeien gebracht worden. Deze strijkijzers zijn van ijzer, gietijzer, brons, koper of terra cotta. [MOT]
Strijker (pannenbakker) (m.)
Cilindrisch stuk beukenhout waarmee door middel van een schuivende zigzag-beweging de pannenbakker het teveel aan klei van het pannenraam verwijdert. Daardoor wordt tegelijkertijd de klei gladgestreken. Daar de strijker fel onderhevig is aan slijtage moet hij regelmatig op de draaibank worden bijgewerkt. [EMABB]
Strijkklopper (m.)
De strijkklopper is een spaanvormig plankje (ca. 30-35 cm lang; ca. 10 cm breed) - te onderscheiden van de wasklopper - waarmee de kleermaker op het persgoed sloeg om de vouw te verstevigen en een strijkeffect te bekomen. Eventueel is er een lapje stof omheen gewikkeld. [MOT]
Strekhout (o.)
Wigvormig houten handwerktuig (ca. 10-12 cm lang; ca. 7-10 cm breed) met een bot metalen of hoornen blad, soms met afgeronde hoeken, bevestigd in het smal toelopend uiteinde. De bontwerker gebruikt het strekhout om naden plat te strijken (zie ook robber), het soepel wrijven van gespijkerd materiaal en het oprekken van ingevochte vellen. Het wordt met de rechterhand gehanteerd terwijl men met de linkerhand het vel vasthoudt. [MOT]
Verstekschaar (v.)
Een verstekschaar is een metalen schaar van 20-25 cm lang waarmee men houten plinten, profielen en sierlijsten kan afknippen in verstek (1). Dwars op de bladen is een metalen plaat gemonteerd, die dienst doet als aambeeld. De delen aan weerszijden van de bladen zijn symmetrisch en soms voorzien van een graadboog om de gewenste hoek te bepalen. De elektricien hanteert deze schaar om lijsten te knippen, die bedrading langs wanden bedekken. Tegenwoordig bestaan er allerlei modellen, waarbij de bladen zijn aangepast aan de vorm van het werkstuk en naargelang men metalen, kunststof of lederen elementen wil knippen. De armen kunnen met kunststof bekleed zijn. Een lang en zwaar model wordt op een vast onderstel bevestigd. Net als bij een snoeischaar, is een metalen haak of een lederen ring op het uiteinde van een arm bevestigd, om het werktuig toe te houden wanneer het niet gebruikt wordt. Op recente modellen zijn die soms vervangen door een pal naast de draaispil. Tijdens het werk springt de...
Verstekzaag (v.)
De verstekzaag is een zaag met tegenliggend blad (zie glossarium) om een plank of lijst in het verstekblok (zie verstekschaaf) door te zagen. Ze bestaat uit een houten blok (ca. 30-50/7-8/4,56-5,5 cm) waarvan de lange zijden uitgehold zijn om een beter houvast te bieden. Onderaan, nagenoeg in het midden van de breedte, is het zaagblad (ca. 9 cm breed) op het blok geschroefd (1). Om het verstekblok niet te beschadigen, zijn de tanden naar boven, naar het handvat gezet (zie glossarium). Deze zaag wordt met beide handen gevat. Soms vormen bestekblok en verstekzaag één geheel. Met dit, meestal uit metaal vervaardigd toestel kan men de graden van de hoek instellen. [MOT] (1) Blijkens de afbeelding in VAN DER HOEVEN: 29 zijn er verstekzagen met een rij tanden aan weerszijden.
Vijlborstel (m.)
Stalen borstel van kort (ca. 1 cm) geknikte metalen draadjes die door een dik (ca. 0,4 cm) stuk stof steken. Laatstgenoemde wordt gelijmd op een dun plankje (lengte ca. 10-15,5 cm; breedte ca. 2,5-5,5 cm) met handvat of een houten blokje. Men gebruikt een vijlborstel om houten of metalen vijlsel uit de vijlhouw te verwijderen. Er wordt in de richting van de kap geborsteld. [MOT]
Verstelblok (o.)
Het verstelblok is een gedraaid stuk hout met twee halve bollen aan beide uiteindes, waarin een klein rond stukje metaal is bevestigd met een gat om het potje met de soldeerdop in te plaatsen. De steel in het midden dient als handvat. De versteller, die de diamant telkens draait en klaarmaakt voor de diamantslijper, plaatst er de verwarmde soldeerdoppen in om er de diamant in een geschikte positie in te klemmen (1). Deze kan vervolgens aan de slijptang bevestigd worden. [MOT] (1) Vroeger gebruikte de versteller looddoppen en zelfs asbest voor het verstellen van de steen in de potjes maar dit hield gezondheidsrisico's in. Het gebruik van mechanische doppen heeft het verstelblok overbodig gemaakt. (VLEESDRAGER: 220-223, ASSCHER: 68)
Vetpers (m.)
Een vetpers bestaat uit een veelal gietijzeren cilindrisch recipiënt, met inplaatsbare zeef van ca. 25 cm doorsnede, met langszij aan de onderzijde een tuit. Aan de bovenzijde draait een zware schroef die een schijf naar beneden drukt. Met de vetpers wordt het laatste vet uit gekookt runds- en varkensvet geperst. Na het koken blijven vezelachtige bestanddelen, kaantjes genaamd, in een vergiet achter. Het laatste vet dat er ingebleven is, wordt er door middel van de vetpers uitgeperst. Soms zijn er bijbehorende roostertjes die in het recipiënt tussen verschillende lagen kaantjes geplaatst kunnen worden, opdat het persen nog efficiënter kan gebeuren. Zie ook spatel voor smout, vleespers. [MOT]
Verlostang (v.)
Om een kind bij een bevalling te halen, werd soms een verlostang gebruikt. Kenmerkend zijn het roestvrij staal, de brede kaken en de korte armen. Men mocht immers geen grote kracht uitoefenen op het hoofdje. De armen van vele verlostangen waren verbonden zonder draaispil, zodat men ze makkelijk uit elkaar kon nemen. De geneesheer kon dan zonder gevaar één gedeelte van de tang links, het ander gedeelte rechts van het hoofd van het kind duwen. [MOT]
Verstekschaaf (v.)
De verstekschaaf dient om kopshout te schaven in het verstekblok, d.i. een toestel om planken en lijsten in verstek (45°) te zagen en te schaven. Het is een houten of metalen (1) schaaf van ca. 30-35 cm, zonder keerbeitel, waarvan de beitel zeer schuin staat (40°; en minder) (2). De zool is soms met een metalen plaat beslagen (3). [MOT] (1) GREBER: 225. (2) Volgens ROUBO: 3.809 is de vouw naar boven gericht. Dezelfde schrijver geeft een afbeelding van een verstekschaaf met twee gaten. (3) Volgens MERTENS: 1. 18 is de zool soms enigszins uitgehold.
Vetkoelketel (m.)
Metalen ketel op poten, voorzien van twee handvaten en een kraantje. Het gezeefde gekookte vet (bladreuzel, varkensscheilvet of rundvet) wordt in de vetkoelketel gedaan om verder af te koelen. Na ca. een uur (1) kan het nog vloeibare vet via het kraantje dat zich onderaan de ketel bevindt, afgetapt worden in houten vaten, blokken of kleinverpakking (bv. zakjes) (2). [MOT] (1) Bij rundvet is de gewenste temperatuur ca. 50° C (BARETTA: 193). (2) BARETTA: 193.
Verbandschaar (v.)
Met de verbandschaar kan men gips- of stijfselverbanden verwijderen. De schaar heeft één blad met een stomp kegelvormig uiteinde, dat men onder het verband steekt; zo brengt men geen verwondingen aan. Het verband wordt in de lengte doorgeknipt en kan vervolgens verwijderd worden. Er bestaan lichte en zwaardere modellen (ca. 150-400 gr), met één of twee handen te bedienen, naargelang het te verwijderen verband. [MOT]
Wan (v.)
De wan is een grote (ca. 90-100 cm bij 75 cm), platte schaalvormige korf zonder opstaande rand aan één zijde. Ze is gemaakt uit tenen en voorzien van twee wilgenhouten of hazelaren handgrepen. In tegenstelling tot de graanzeef waarbij men op grootte van het materiaal sorteert, worden bij de wan, evenals bij de wanschop de graankorrels (het koren) van kaf, kortstro en andere onzuiverheden gescheiden door het verschil in gewicht. Door de wan te schudden in een cirkelvormige beweging of op te werpen samen met een verplaatsing van achter naar voor, worden de lichte onzuiverheden in het graan door de wind of de tocht weggeblazen. De zwaardere worden met de hand, eventueel met een pluim, verwijderd. Dat werk gebeurde buiten of in de schuur waar men dan voor tocht zorgde (1). [MOT] (1) Een korf zou ook gebruikt worden om het graan door middel van water te zuiveren: het gevulde recipiënt wordt in de stroom van het water gedompeld en het kaf drijft weg. De korrels worden achteraf op een mat in...
Wasstamper (m.)
Vroeger gebeurde het eigenlijke wassen nadat het wasgoed gekookt was. Dat gebeurde eerst met de hand, op een wasbord of met een wasklopper. Later verscheen de wasstamper, waarmee men al staande en zonder de handen in het water te steken, het wasgoed kon stampen of stuiken, d.i. door stoten schoonmaken. De eerste exemplaren waren van hout, veelal bestaande uit een lange T-steel (ca. 50-90 cm) met onderaan een cirkelvormig gedeelte met een reeks pootjes eronder, waarmee men het wasgoed ook roerde, door het werktuig heen en weer te draaien (zie wasroerder). De latere, metalen exemplaren bestaan uit een ijzeren of koperen dubbele stolp met gaten. De buitenstolp zit aan de steel vast, de binnenste beweegt door middel van een veer. Dankzij de gaten, en eventueel een kogel, ontstaat er telkens een zuigende beweging. [MOT]
Wandelstok met vorkje (m.)
Vorkje, met twee - in doorsnede - vierkantige tanden (ca. 5-10 cm), meestal geschroefd in een ijzeren of koperen dille, waarin een steel (ca. 70-100 cm) steekt. Laatstgenoemde is meestal een ruwe stok van hazelaar of een gedraaid stuk uit essenhout. De tanden - met een onderlinge afstand van ca. 4 à 5 cm - zijn meestal bot, doch soms ook (heel) scherp. Verondersteld (1) wordt dat dit vorkje door de postbode op het platteland wordt gebruikt om loslopende dieren, zoals honden, ganzen of varkens, op afstand te houden. [MOT] (1) Zie Het vorkje van de 19de eeuwse postbode. Wapen of statussymbool?, Johan David in 'Eigen Schoon en De Brabander', 76 (1993), p. 87-90.
Vuurtang (v.)
Met een vuurtang kan men brandende stukken hout verplaatsen. Ze is vrij lang, zodat de handen op voldoende afstand blijven van het vuur en de brandende stukken hout. Vaak is de vuurtang onderdeel van een haardset, waaronder zich ook een asschop, een vork en een borstel kunnen bevinden. De vuurtang verschilt sterk van de kooltjestang, die lichter en vaak korter is. Ze is dan ook enkel bedoeld om een kooltje uit de haard te nemen en er de pijp mee aan te steken. Zie ook sinteltang. [MOT]
Vuurlepel (m.)
Kleine (ca. 15 à 20 cm) bronzen, koperen of ijzeren platte lepel waarvan het werkend deel vaak opengewerkt is of soms opstaande randen heeft. Het einde van de steel kan voorzien zijn van een ring of een haak om het werktuig op te hangen (1). De vuurlepel dient om de gloeiende houtskool in het komfoor te roeren en te sorteren. Kleinere (max. 15 cm) modellen werden gebruikt voor de pijpenwarmer (2). [MOT] (1) De vuurlepel werd wel eens door vrouwen gedragen aan de riem; vaak was het een huwelijksgeschenk (ARMINJON & BLONDEL: 484). (2) ARMINJON & BLONDEL: 558 (s.v. pelle de fumeur).
Wasklopper (m.)
Vroeger gebeurde het eigenlijke wassen nadat het wasgoed gekookt was. De loog en het reeds opgeloste vuil, evenals de laatste vlekken moesten met zeep verwijderd worden. Dit gebeurde met de hand alleen, op een wasbord of met een wasklopper (ca. 30 bij 10 cm). Dat laatste is een houten spaanvormige klopper - te onderscheiden van de kurkenklopper en de strijkklopper - waarmee op de was geklopt werd, die men op een steen of plank legde. [MOT]
Wasbord (o.)
Vroeger gebeurde het wassen met de hand. Na het koken van het wasgoed werd elk stuk ingezeept met fijngeraspte zeep (zie zeeprasp) en schoongewreven. Dat kan met de handen alleen maar men kan ook een boender en een wasbord gebruiken, d.i. een geribbelde plank, later een gegalvaniseerde plaat (ca. 40-60 cm lang; ca. 30-50 cm breed). De plank heeft soms een houten verlengstuk met opstaande randen voor het wasgoed. Zie ook wasklopper. [MOT]
Wasbreektang (v.)
Een wasbreektang heeft holronde, dwars gegroefde kaken. De as kan zich tussen kaken en armen bevinden maar ook aan het kopuiteinde. In dat laatste geval vertoont de wasbreektang gelijkenis met de notenkraker (1). De kaken worden om de hals van een verzegelde fles gekneld om zo de was te breken. Te onderscheiden van de champagnetang waarmee men de muselet doorknipt. [MOT] (1) In ''Nouveau Larousse Illustré'': s.v. dégoudronnoir staat een afbeelding die verdacht veel op een notenkraker gelijkt.
Walkmes (o.)
Een walkmes is een stok (30-40 cm lang, 3-4 cm dik) met aan één uiteinde een lange nagel (ca. 10 cm) die er schuin en dwars door geslagen is. Bij het walken, het met de hand kneden van de klei, snijdt men de massa klei in twee met dat werktuig. [EMABB]
Zakmes (o.)
Zakmes is een algemene benaming (1) voor een mes dat o.m. door landbouwer en ambachtsman op zak gedragen wordt (2). Het blad, dat zo'n 8-12 cm lang is, kan allerlei vormen hebben. Het draait rond een spil en wordt vaak opengehouden door een veer. Niet zelden kan het voor de veiligheid vastgezet worden door een pal of een ander middel (3). Sommige kunnen niet vastgezet worden; desnoods bindt men het blad dan met een zakdoek o.i.d. (4). Het kan gaan om betrekkelijk goedkope zware messen met een houten hecht en één blad, maar ook om duurdere uitvoeringen, al dan niet samengesteld. Bij de eerste horen ook messen met een tweede, kort blad of bv. een priem waarmee in de door gassen gezwollen buik van schapen of koeien een pijpje van vlier gestoken kan worden (5) (zie trocart) (6). Samengestelde modellen bestaan uit twee tot tien en meer bladen en werktuigen (7). Courante accessoires zijn een kurkentrekker (in Europa), een blikopener, een flesopener voor kroonkurk, een of meer schroevendraaier(s),...
Zakkenbinder (m.)
De zakkenbinder wordt vooreerst gebruikt, onder meer door de landbouwer en de molenaar, om (grote) zakken te sluiten met een dunne (ca. 1 mm) ijzerdraad die aan beide uiteinden voorzien is van een lus waar het haakvormig uiteinde van de zakkenbinder wordt ingepikt. Door het (terugverend) handvat over de schroefdraad te trekken, wordt de binddraad in elkaar gedraaid. Ook de betonstaalvlechter gebruikt de zakkenbinder (1) om de bewapeningsstaven - bij bv. vloerplaten - tot een net samen te binden. Hierbij wordt om iedere kruising een draad gebonden. De riet- en strodekker gebruiken de zakkenbinder bij het vastbinden van het riet aan de bandroeden met ijzerdraad (2). [MOT] (1) WATTJES: 156 noemt dit ook een draadbindtang. (2) Vroeger legde men een knoop in een teen of wijm. (TREFOIS 1942: 188)
Zaagzetklem (v.)
Wanneer men de tanden van een zaag wil zetten (zie zaagzetijzer en zaagzettang) en/of vijlen (zie zaagvijl), kan men het zaagblad in een zaagzetklem vastzetten. Die bestaat uit twee houten plankjes (ca. 10-50 cm lang) die met één of meerdere schroeven aangespannen kunnen worden. Er bestaan losse en vaste modellen die aan de werkbank vastgeschroefd kunnen worden. [MOT]
Zandschop (metselaar) (v.)
Licht holronde schop met rechte snede, van plaatstaal gemaakt. Doorgaans is er geen handvat op de steel maar een T-handvat komt ook voor. De zandschop dient om zand, grind, steenslag e.d.m. te verplaatsen. De archeoloog gebruikt de zandschop om hele dunne laagjes grond af te schaven om zo de sporen zichtbaar te maken. Zie ook ballastschop. [MOT]
Zeemansknipmes (o.)
Het zeemansknipmes bestaat hoofdzakelijk uit een lemmet en een splitsijzer. Dat laatste is vaak licht gebogen, soms kan het met een veiligheidspal vastgezet worden. Een ring maakt het mogelijk het mes aan een borgtouw te binden. Niet zelden steekt een plaatje aan een uiteinde uit, dat als schroevendraaier kan dienen. Verder wordt het wel eens gecombineerd met een blikopener, een sluitingssleutel, e.d.m. Zie ook zakmes. [MOT]
Zandschop (steenbakker) (v.)
Monoxiele (wilg) schop met licht trapeziumvormig blad en afgeronde hoeken, waarmee de steenbakker het droog rivierzand in een kruiwagen schept. Dat zand moet ervoor zorgen dat de klei niet aan de houten werktuigen kleeft. De zandschop van de steenbakker is te onderscheiden van de boezemschop. [EMABB]
Zaknageltang (v.)
De zaknageltang is bijzonder geschikt om nagels af te knippen. De kaken zijn scherp en gebogen om de ronding van de nagels beter te kunnen volgen. De tang sluit zich door middel van een hefboomarm, die op één van de kaken gemonteerd is. Een stang verbindt de twee armen met de hefboom. De tang sluit zich wanneer men de hefboom naar beneden drukt. Deze drukt dan namelijk de kaak, waarop hij bevestigd is, tegen de andere kaak, waardoor men de nagel afknipt. Men kan de tang makkelijk op zak steken, omdat de hefboomarm omgedraaid kan worden en dan niet langer uitsteekt. Er bestaat ook een grotere versie van de nageltang voor het knippen van teennagels. [MOT]
Zandhark (v.)
Grote houten hark met brede tanden die ver uit elkaar staan, waarmee de zandhoop regelmatig bewerkt wordt om het zand vlugger te laten drogen. Er bestaan ook zandharken met metalen tanden, evenals een combinatie van hark en aftrekker. [EMABB]