ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 401 - 450 1,346 resultaten gevonden
Handspaak (v.)
De handspaak is een lange (ca. 150-200 cm) houten of ijzeren (1) staak om zware lasten tot geringe hoogte op te heffen. Spoorwegarbeiders hanteren ze om spoorrails te schiften (2). Groefwerkers zoals de steengraver gebruiken een handspaak om steenblokken te verplaatsen, om ze op rollen te leggen, enz. Naar beneden toe is de handspaak breder en vierkantig in doorsnede; onderaan is ze lichtjes gebogen. De houten handspaak is aan de onderzijde met plaatijzer beslagen (3). Te onderscheiden van de koevoet en de sloopbeitel. [MOT] (1) Ook handboom genoemd (ZWIERS: 497). (2) Ook schiftijzer en schiftboom (ZIECK & POSTEMA: 187) genoemd. (3) De houten handspaak zonder beslag wordt soms papierspaak genoemd (JANSE: 29).
Hanenkam (m.)
De hanenkam dient om het stof af te nemen tussen een muur en de achterwand van kasten. Het is een smalle (ca. 1cm), lange (ca. 35-40 cm) handborstel waarvan het hecht in hetzelfde vlak als het werkend deel ligt en soms omhoog gebogen is. Het bestaat uit één rij haarbundels (ca. 20-25) uit paardenhaar die 'getrokken' in het borstellichaam zitten: gaten (1) worden door het hout geboord waardoor men een lus van dun roestvrij ijzerdraad steekt. Door de lus komt het koppeneinde van de haarbundel. Laatstgenoemde klemt in het geboorde gat bij het aantrekken van de draad. Grotere modellen (ca. 50 cm) zijn op het uiteinde en gedeeltelijk op de bovenzijde van het borstellichaam voorzien van haarbundels (ca. 25-30). [MOT] (1) "Van de ene kant tot op het midden der houtdikte, wijde gaten en van de andere kant, op de wijde aansluitende, nauwe gaten, zodat er in het midden van het gat een vernauwing of borst ontstaan is." (BOERMAN: 42).
Hielmes (o.)
Het hielmes dient om de hiel van een klomp binnenin glad te snijden. Zijn ca. 4 cm lang tweesnijdend blad, waarvan een uiteinde soms naar boven gebogen is, eindigt in een op zijn vlak haaks staande angel. Deze laatste steekt in een rechte houten steel van ca. 30 cm. Het blad heeft ook soms de vorm van een platgedrukt vraagteken. Met zijn linkerhand vat de klompenmaker de steel bij het ijzer, de rechterhand houdt hij dichtbij het uiteinde. [MOT]
Hangijzer (o.)
Een hangijzer werd aan de haak van ketting-, schroef- of zaaghaal gehangen om er een pan of wafelijzer op te plaatsen. Onderaan is er een ring waar een pan of een wafelijzer op gezet kon worden; vervolgens zijn er twee diametraal daarvan uitgaande, eerst horizontaal verlopende en dan schuin opwaarts naar elkaar toe stijgende hangarmen; bovenaan tenslotte zit een scharnierend of vast, meestal maanvormig hengsel dat aan de haak van de haal gehangen werd. [MOT]
Hoedenborstel (m.)
Smalle borstel (niet breder dan 5 cm) met zachte varkens-, paarden- of geitenharen om vilten (1) of zijden hoeden (2) te ontdoen van stof en pluisjes door ze schoon te borstelen en glad te strijken. Met de ene hand wordt de hoed van onderen vast gehouden, terwijl je met de andere hand de hoedenborstel vat en de hoedrand van bovenaf tegen de klok in (3) begint te borstelen. Vervolgens worden de bovenzijde en de schacht van de hoed onder handen genomen. Als laatste wordt de onderzijde van de hoedrand en eventueel de hoofdband geborsteld. De hoedenborstel bestaat in verschillende modellen. Veelal gelijkt hij sterk op de kleerborstel maar is korter en smaller (zie afbeelding uit Miele & Co 1901: 38). Zeer smalle (ca. 1 cm) zakmodellen, meestal voorzien van reclameopdruk, kunnen ook gebruikt worden als kleerborstel of tafelschuier. Andere modellen hebben een zijdelings licht gebogen borstellichaam - al dan niet voorzien van een steel (4) - om zich aan de vorm van de hoed aan te passen en om gemakkelijker de hoedenranden...
Handzaag (dubbele, Japanse) (v.)
De Japanse dubbele handzaag (1) (Japans: ryoba noko) is licht van gewicht (ca. 250 gr), heeft een stijf, maar flexibel stalen blad en steekt in een lang (ca. 30 cm), recht hecht. Het lange hecht wordt meestal met twee handen vastgehouden. Er bestaat een klein model met een blad van ca. 20 cm lang en een groter model met een blad van ca. 36cm. De schrijnwerker kan met deze zaag zowel verticaal, als horizontaal zagen. De ene zijde, met fijne tanden, is de afkortzijde, waarmee men hout dwars doorzaagt (zie kortzaag (hand)). De andere zijde, met grote tanden, is de schulpzijde, waarmee men hout in de lengte doorzaagt (zie schulpzaag). De Japanse dubbele handzaag wordt steeds trekkend, zoals de Japanse handzaag gebruikt, dat is te zien aan de stand van de tanden, gericht naar de zager toe. De trekkende beweging verhindert dat het blad buigt. De Japanse schrijnwerker gebruikt geen bankschroef, werkbank- of meubelmakersklem om het te bewerken materiaal te klemmen. Hij staat gebogen met één voet op het werkstuk. Bij...
Hoefrasp (v.)
Rechthoekig handwerktuig (ca. 4 cm breed; ca. 25-50 cm lang), al dan niet met handvat, dat zowel rasp als vijl combineert; aan de ene zijde met een dubbele vijlhouw en aan de andere zijde met een rasphouw. De korte zijde(n) is/zijn meestal licht afgerond. De lange zijden zijn soms gegroefd als een vijl. Bij de hoefrasp zonder handvat, ook wel dubbele hoefrasp genoemd (1), raspen of vijlen de twee helften in de tegenovergestelde richting. Soms is er maar één zijde bekapt waarvan de ene helft met een dubbele vijlhouw en de andere helft met een rasphouw. Na het overtollige hoorn van de paardenhoef weg gehakt te hebben met het hoefhakmes en de hoefhamer, gebruikt de hoefsmid de hoefrasp om de rand van de paardenhoef die op het hoefijzer zal dragen, geheel vlak te raspen/vijlen; ook, om de buitenrand van de hoef te breken om inscheuren te voorkomen. Het model zonder handvat gelijkt sterk op de schoenmakersrasp, die evenwel korter is. [MOT] (1) Tech-term: 11.6.
Hoefmes voor paarden (o.)
Handwerktuig dat de hoefsmid gebruikt om de hoeven van paarden bij te werken. Het heeft een meestal lichtjes gekromd blad dat op het uiteinde omgebogen is en dat over de ganse lengte snijdt. (Vergelijk met de balkenrits, de boomrits, de kuipersrits en de klompenmakersrits). Dat blad steekt in een vaak naar boven gebogen houten hecht. Met het mes wordt overtollig hoorn weggesneden. Met het omgebogen uiteinde - dat eveneens snijdt - kunnen onzuiverheden aan de binnenzijde van de hoef verwijderd worden. Er bestaan modellen voor zowel links- als rechtshandigen (1). Zie ook ruitersknipmes. [MOT] (1) Bv. Encyclopédie 1740-80, deel 13: s.v. Marechal-ferrant.
Hoefhakmes (o.)
Het hoefhakmes is een meestal volledig metalen mes zonder hecht, met een lange rechte snede (tussen 15 en 35 cm); er bestaat ook een model met hecht en een kort (ca. 7 cm) werkend deel. De rug van het hoefhakmes is breed (5 mm), zodat de hoefsmid er met behulp van zijn hoefhamer op kan slaan. Met het mes wordt het overtollige hoorn van de paardenhoef weggehakt. Zodoende wordt de hoef klaargemaakt voor het bevestigen van een hoefijzer. Wat de vorm betreft, is verwarring mogelijk met het metselaarsgereedschap, de sabel, om bakstenen op maat door te kappen. Zie ook hoefrasp. [MOT]
Hielafrondmes (o.)
Het hielafrondmes is een mes van ongeveer dezelfde lengte als het krammes (ca. 80-100 cm), ook met aan één uiteinde een dwars houten hecht en aan het andere uiteinde een haak die in een zware kram aan de werkbank bevestigd wordt, maar enkel voorzien van een kort holrond snijdend gedeelte in het midden. Hiermee wordt de hiel afgerond en wordt er een vloeiende overgang gemaakt tussen de hielpartij en het achterste gedeelte van de klomp. Men moet hiervoor dwars op de vezels snijden, aldus is het mes zeer scherp. Ook de bovenzijde van de klompschoen wordt licht uitgehold met het hielafrondmes zodat het de vorm van de voet aanneemt. [MOT]
Handzaag voor cellenbeton (v.)
Cellen-, schuim- of gasbeton is een betonproduct met gasbelletjes erin, waardoor het materiaal licht, sterk en gemakkelijk verwerkbaar is met de handzaag voor cellenbeton en met de steenschaaf. De handzaag voor cellenbeton heeft een dik (ca. 1,5 mm) smaller toelopend blad (ca. 50-70 cm) waarop meestal een gesloten pistoolkolf bevestigd is. De grote hardmetalen (widia) tanden (30-40 tal) zijn schuin naar voor gericht, ze zagen dus bij het duwen van het werktuig. Zie ook handzaag en steenzaagje. [MOT]
Hoefhamer (m.)
De hoefhamer is een hamer (300-600 gr) met ronde, vlakke baan en gespleten pen die sterk op de klauwhamer (timmerman) lijkt maar er toch van te onderscheiden is doordat zijn klauw meestal korter en sterker gebogen is. De hoefsmid gebruikt deze hamer om het hoefijzer - wanneer het na verscheidene verhittingen en behameringen perfect op de hoef past - vast te nagelen. De nagels dienen naar buiten toe geslagen te worden om het vlees van de voet niet te kwetsen. Met de klauw worden de nagels die buiten de hoef uitsteken, geklonken. [MOT]
Hoefkrabber (m.)
De hoefkrabber is een ijzeren of plastic haak (ca. 15 cm lang) waarmee het vuil uit de hoeven van een paard verwijderd wordt. Het handwerktuig is vaak gecombineerd met een kalkoensleutel of een borsteltje, soms ook met een ringsleutel. Het maakt veelal deel uit van het ruitersknipmes. [MOT]
Hoefijzerdoorslag (m.)
Na het ritsen (zie ritsbeitel (metaalbewerking)) en het vormen van de nagelgaten (zie stokpuntslag (hoefsmid)) in het hoefijzer, gebruikt de hoefsmid een hoefijzerdoorslag om de gaten door te slaan of te vergroten. De hoefijzerdoorslag is een lange (ca. 25-40 cm) ijzeren beitel die uitloopt in een kleine rechthoekige (ca. 3 mm bij 1,5 mm) punt. Zie ook nietenkapper. [MOT]
Hoepeldrijver (m.)
Werktuig om de hoepels op een kuip te drijven. Voor metalen hoepels is het een metalen blokje met een houten in de lengte gericht hecht, waarvan een zijde overdwars holrond is (geheel 15-20 cm; breedte ca. 5-8 cm; dikte ca. 0,8-2 cm); het kan ook geheel van metaal zijn. Het ondereinde is overdwars uitgehold of gekarteld om het wegglijden te voorkomen. Soms wordt een steel haaks in het werktuig gestoken zodat het op een hamer gelijkt; deze drijfijzers zijn voor grote tonnen bestemd en worden stokhoepeldrijvers genoemd. Voor houten hoepels kan hetzelfde werktuig aangewend worden maar meestal wordt gebruik gemaakt van een geheel houten hoepeldrijver. De kuiper plaatst de hoepeldrijver op de hoepel met de holronde zijde tegen de duig. Met een hamer of met zijn rechte dissel slaat hij erop tot wanneer de hoepel op zijn plaats is. [MOT]
Hoeftang (v.)
Door haar vorm gelijkt de hoeftang op de trektang. Ze is evenwel groter en de bek is vaak platgedrukt. De hoefsmid plaatst de kaken tussen het hoefijzer en de hoef - daarom is de bek hoog - en wringt het ijzer wat los. Zo trekt hij de nagels lichtjes uit de hoef. Daarna slaat hij het ijzer terug op zijn plaats en vat de nagels zoals met een trektang. De hoeftang dient bovendien als steun bij het omslaan van de nagels, ook omnieten genoemd, wanneer het paard beslagen wordt (zie hoefhamer). "De nijptang wordt tegen de omgeslagen niet (=uiteinde) gehouden, terwijl men met de hamer enkele flinke slagen op de 1 mm onder de ondervlakte van het ijzer uitstekende nagelkop geeft. Daarna worden de nu omgehaalde nieten flink aangeslagen en uitstekende randen met de vijl weggenomen" (1). Om de steun te verbeteren, is bij sommige modellen één kaak rechthoekig uitgesmeed. Zie ook nietenkapper, gebruikt voor dat de hoef wordt verwijderd en de onderkapper, gebruikt voor dat de niet van de hoefnagel wordt omgeslagen. [MOT] (1)...
Hoepelhaak (v.)
De hoepelhaak is een hefboom van de tweede soort om de laatste hoepels op een ton te trekken en om de duigen van elkaar te verwijderen wanneer de bodemstukken in de kroos geplaatst worden of wanneer werk of riet tussen de duigen gestoken wordt. Het is een rechte stang (ca. 60 cm; middellijn 4-5 cm) met een door een metalen plaat beslagen afgeschuind uiteinde. Op enige afstand van dat uiteinde is een losse L-vormige ijzeren haak (1) vastgemaakt. De hoepel wordt op de ton gelegd. Aan een kant wordt hij meestal tegengehouden door een klemhaak, d.i. een metalen aan één uiteinde haaks gebogen staaf, waarop een haak glijdt. De haak van de hoepelhaak vat de hoepel aan de overkant terwijl het afgeschuind uiteinde op de ton steunt. De druk van boven naar beneden trekt de hoepel op de duigen. Het werktuig is te vergelijken met de bandhaak (wiel), de palter en de haagtrekker. [MOT] (1) De houten haak (DUNARE: 614) is waarschijnlijk uitzonderlijk.
Holle schaaf (v.)
De holle schaaf (1) dient om dunne ronde voorwerpen te schaven, bv. een steel (2) of een spaak (3), ook - gepaard met een bolle schaaf - een rond stuk dat in een ander moet sluiten, bv. een vensterraam. Het is een betrekkelijk smalle schaaf (0,7-4,5cm) zonder keerbeitel noch aanslag, waarvan de zool in de breedte holrond is. [MOT] (1) De neusschaaf (Fr. nez-de-marche) is een holle schaaf speciaal bestemd om de neus van een trede rond te schaven. (2) LEGROS 1950: 300. (3) STURT: 97.
Hoefvoeltang (v.)
Tang waarmee de hoefsmid zieke, pijnlijke hoeven onderzoekt. In de hoef kan pijn ontstaan doordat vormveranderingen van de hoornige delen een druk op de daarbinnen gelegen delen uitoefenen en doordat inwendige delen van de hoef gezwollen zijn en hierdoor een directe druk op de zenuwen van de hoef uitoefenen. De hoefvoeltang is een vrij grote tang (ca. 30-40 cm lang) met een bek die ver open kan zodat de hoef ertussen kan. De kaken zijn rechthoekig of rond in doorsnede en zijn op het uiteinde voorzien van nopjes. Met de tang worden de verschillende delen van de hoef beknepen; aan de hand van de reactie van het paard kan men de pijnlijke plaats achterhalen. [MOT]
Hoefsmeedhamer (m.)
Zware (ca. 1,400-2 kg), trapeziumvormig gesmede hamer met vlakke of licht bolronde baan en korte (ca. 20-25 cm) steel. De hoefsmid smeedt hoefijzers meestal met een smeedhamer. In sommige gebieden van Frankrijk daarentegen gebruikt men een specifieke hamer, de hoefsmeedhamer. Door de trapeziumvormige kop kan hij uitzonderlijk op de houwhamer gelijken. [MOT]
Hoektroffel (m.)
Troffel (ca. 20 cm) waarvan het blad (ca. 8-10 cm bij 5-7 cm) een hoek van 90 graden vormt. De overgang tussen beide bladhelften kan scherp of afgerond zijn. De stukadoor gebruikt de hoektroffel voor het afwerken van hoeken. Er bestaat een hoektroffel voor uitspringende en één voor inspringende hoeken. Zie ook goottroffel. [MOT]
Hoekomslagboor (v.)
De hoekomslagboor is een omslagboor waarmee makkelijk in hoeken gewerkt kan worden. De overbrenging van booromslag naar werkend deel gebeurt hier door middel van tandraderen of een cardankoppeling. [MOT]
Hooihark (hand) (v.)
De hooihark (1) is een grote hark om bij het hooien het gras bijeen te trekken (2) en/of te keren (3) (zie ook hooivork). In de (moes)tuin wordt ze ook al eens gebruikt als grondhark (4).   De hooihark is een houten of ijzeren - nu ook aluminium - werktuig, ca. 35-150 cm breed (5), met rechte of gebogen tanden. Het werkend deel (6) staat haaks of schuin op de ca. 150-165 cm lange steel. Nu bestaan er ook hooiharken waarbij de richting van de balk instelbaar is. Het aantal tanden, met een lengte van ca. 10-20 cm en een onderlinge afstand van ca. 5 cm, varieert van zes tot twintig of meer. Soms steken de tanden door de balk zodat beide zijden van het werkend deel gebruikt kunnen worden. Vaak verstevigt een schuin stuk of een beugel de verbinding tussen het werkend deel en de steel, of is de steel zelf gaffelvormig of gespleten. Bij het breedste (ca. 150 cm) ijzeren model (7) is een al dan niet verschuifbaar D-vormig handvat, voor de tweede hand, voorzien. Een ander breed (ca. 100-200 cm) model, ook hooitrekhark...
Holpijptang (v.)
Met de holpijptang kan men gaatjes in leer (1) maken. Op de ene kaak is een holpijpje (zie holpijp) bevestigd - d.i. een buisje met scherpe randen - en op de andere kaak bevindt zich een koperen steun om de snede niet te beschadigen. Wanneer men de tang dichtknijpt, drukt men een gat in het leer. De holpijp is doorgaans in de tang geschroefd. Men kan ze verwijderen om ze te slijpen of om ze te vervangen door een holpijp met een andere doorsnede. Bij sommige modellen is de binnenzijde van een van de armen voorzien voor andere pijpjes. Nog handiger is de revolverholpijptang. Op een van haar kaken draait een radje, waarop zes holpijpen van verschillende doorsnede bevestigd zijn. Vele holpijptangen gaan automatisch open dankzij een veer en er bestaan er met gelede armen. De holpijptang is verwant met de knoopsgatentang, die echter lange smalle openingen in leer snijdt voor knoopsgaten. Zie ook metaalponstang. [MOT] (1) In de 19de eeuw werd het gebruik van de holpijptang ook wel aangeraden om de schapen te merken (door...
Holpijp (m.)
Men kan gaten van verschillende grootte in leder maken met behulp van een holpijp, d.i. een metalen buis (1) met scherpe randen. De doorsnede varieert van enkele millimeters tot enkele centimeters. Men legt een stuk leder op een houten, loden of koperen steun om de snede niet te beschadigen. Vervolgens plaatst men de holpijp op de plaats waar men het gat wenst en slaat erop met een hamer. Men heeft dus zijn twee handen nodig; dat kan voor kleine gaten vermeden worden met de holpijptang. Zie ook kurkboor. [MOT] (1) Met of zonder schouders. Met schouders spreekt men van schouderholpijp of beugelholpijp (Tech-Term: 11).
Hooihaak (m.)
De hooihaak wordt gebruikt om een pluk hooi uit het binnenste van een hooimijt of van de hooizolder te trekken. Dat staaltje kan dan onderzocht worden op toestand en kwaliteit. Zowel voor de voedingswaarde als voor de veiligheid (zelfontbranding) is het immers belangrijk na te gaan of het hooi binnenin droog is. De hooihaak bestaat meestal (1) uit een ijzeren stang (ca. 30cm) eindigend in een punt en op ca. 5 cm van het uiteinde voorzien van een weerhaak met licht gebogen punt (2). Het werkend deel en de rechte houten steel (ca. 80 cm) zijn door middel van een dille met elkaar verbonden. Soms is het werktuig geheel uit ijzer en eindigt de stang in een oog (3). [MOT] (1) Volgens DAVID 1973: 25 bestaan er ook volledig houten hooihaken. (2) SELLENS: 233 vermeldt dat een hooihaak twee of meer haken kan tellen. (3) Bv. DEVLIEGHER: 82.
Honinglepel (m.)
Een honinglepel is een stampervormig stuk bestek, meestal van hout, om honing uit een pot te verdelen op bv. brood (1). Hij bestaat uit een rechte steel met bolvormige kop met cirkelvormige uitsparingen. Men dipt hem in verticale positie in de honing zodat deze in de uitsparingen blijft hangen. Om de honing te verdelen, draait men hem traag rond tot een horizontale positie. [MOT] (1) Strikt genomen is het geen werktuig voor de genoemde beroepen. Omdat hij slechts efficiënt is bij veelvuldig gebruik, om hem niet telkens te hoeven afwassen, is hij vooral in gebruik als bestek bij buffetten en als gadget bij het proeven van honing. Metalen honinglepels zijn minder gangbaar als keukengerei omdat ze bij langdurig contact met honing een chemische reactie kunnen veroorzaken.
Hondenscheermes (o.)
Het handvat van dit werktuig mondt uit in een rechthoekige houder met twee schroefjes. Daartussen wordt een rechthoekig scheermesje (van ca. 5 cm) dat aan beide zijden snijdt, vastgeklemd. De hondenscheerder snijdt hiermee het haar van de hond korter, of gebruikt het mes samen met een kam als effileermes. Men trekt het haar glad tussen wijs- en middelvinger van de linkerhand. Met de rechterhand houdt men het mes horizontaal vast net boven de linkerhand. Terwijl het haar strak wordt getrokken, snijdt men met een verticaal schrapende beweging het haar van de hond korter. Zie ook tondeuse voor honden en schapen en tondeuse voor paarden en runderen. [MOT]
Honingzeef (v.)
Tijdens het slingeren, het uit de raat halen van honing door middel van een slingermachine, kan de imker onder de tapkraan van de slingermachine een honingzeef hangen. Zo kan de druipende honing al gereinigd worden van broed, wasdeeltjes en andere onzuiverheden. De honingzeef heeft een metalen huis (ca. 20 cm doorsnede) en een bodem van metalen gaas. Met de twee hengsels kan de zeef over een bak gehangen worden. Er bestaan platte, bolvormige en conische honingzeven. [MOT]
Handvat voor uien (o.)
Plastic keukengerei om uien of andere, zachte groenten te vatten en ze op deze wijze volledig op te raspen, zonder gevaar voor de vingers. Het heeft de vorm van een halve bol waarin zich een aantal lange (ca. 3-4 cm) pinnen bevinden en een plaatje met korte (enkele mm.) pinnetjes dat naar beneden gedrukt kan worden. De lange pinnen worden in de groente gestoken en men begint te raspen. Geleidelijk aan wordt het plaatje naar beneden gedrukt tot de groente volledig opgeraspt is.Zie ook de keukenrasp. [MOT]
Houweel (o.)
Handwerktuig van de grondwerker en de landbouwer, gebruikt om steen- of rotsachtige grond los te hakken, muurwerk op te ruimen en aangestampte aarde te breken. Het houweel bestaat uit een zwaar boogvormig ijzer van ca. 40-60 cm lang dat met een oog dwars op een houten steel (ca. 80-120 cm) is bevestigd. Het ijzer eindigt meestal in een punt en, aan de andere kant, in een plat en snijdend deel van ca. 6 cm breed dat haaks op het vlak van de steel ligt. Soms is de punt vervangen door een bijlvormig uiteinde, om de diep gelegen wortels door te hakken. Bij de meeste modellen is het oog naar het uiteinde toe breder zodat de steel gemakkelijk kan vervangen worden en het ijzer niet lost tijdens de arbeid. Het houweel bestaat ook in een kleinere uitvoering, met een werkend deel van zo'n 40 cm lang en een steel van ca. 40 cm. Dat model maakt, samen met het legerschopje, deel uit van het gereedschap van de infanterist (1). Hij gebruikt het om muren te slopen, om schietgaten in muren te breken, enz. Men gebruikt een houweel...
Houwhamer (m.)
De houwhamer is een metalen hamer van zeer diverse afmetingen en gewicht (ca. 50-4000 gr), naargelang het te vervaardigen vijlmodel. De hamerkop is trapeziumvormig gesmeed, waarbij de baan naar het kopeinde smaller toeloopt tot een rechthoek of cirkelvorm en naar de houten steel toe buigt. Deze steel is meestal licht gebogen en 15-20 cm lang. Hij wordt stevig gegrepen opdat de kop niet onnodig hoog oplicht tijdens het kappen en om het houwen te doseren. Door het intense gebruik vertoont het hout vaak gebruikssporen van de vingers van de vakman. De vijlenmaker hanteert de houwhamer bij de fase van het kappen van de nieuwe vijl of rasp of het herkappen van een oude, door met de ene hand honderden fijne, precieze, zeer regelmatige slagen op een bijhorend houwbeiteltje te geven, dat met de andere hand schuin naar zich toe op de vijl in bewerking wordt geplaatst. Zo bekomt men het gewenste reliëf. Deze vijl ligt op een houwaambeeld. Het zwaartepunt van het werktuig ligt sterk bij de hamerkop. De vijlenkapper maakt...
IJshamer (m.)
De ijshamer dient om ijshaken in te slaan en te verwijderen (vgl. klimhamer). De pen (ca. 12 cm) van de ijshamer is licht gebogen (1), eindigt in een scherpe snede en heeft een getande onderzijde. Het andere uiteinde van het werkend deel is een vlakke baan. Soms is het werkend deel voorzien van een gat om er een karabijnhaak aan te bevestigen; door een ketting van drie karabijnhaken te vormen, waarvan de laatste in het oog van de haak gestoken wordt, kan die haak soms uitgeklopt worden. De licht gebogen steel meet minstens 30 cm en kan vervaardigd zijn uit hout of metaal. Laatstgenoemde is steeds voorzien van een isolerend en slipvrij handvat. Doorgaans is in het uiteinde van de steel een gat voorzien voor een borgtouwtje dat aan de gordel bevestigd wordt. Goed werkende ijshamers hebben een minimaal gewicht van 600 gr (2). Zie ook ijshouweel. [MOT] (1) Bij moderne ijshamers is de kromming zo ontworpen dat de pen bij belasting voor een betere hechting zorgt (MADUSCHKA...
Houtsnijdersguts (v.)
De houtsnijder gebruikt verscheidene steek- en hakgutsen die allemaal een verschillende vorm hebben. Vorm en maat van het blad bepalen uiteraard de indruk die in het hout wordt aangebracht. Naast hol kan de bladdoorsnede ook V-vormig zijn. Steekgutsen worden met de hand geduwd. Zij hebben één vouw, die zich aan de binnen- of buitenzijde kan bevinden en hebben in principe geen borst. Zij kunnen een recht hecht of een geknikte stang als hecht hebben. Hakgutsen (zie schrijnwerkersguts) hebben één vouw en een borst. Zij zijn bestemd voor het zwaardere werk en worden met een hamer geslagen (zie steenhouwersklopper (houten)). [MOT]
Handvat om pakje te dragen (o.)
Dit draagmiddel wordt aan klanten meegegeven om een samengebonden pakje naar huis te dragen. Het was vooral populair voor de Tweede Wereldoorlog en is een voorloper van de plastic draagzak (1). Het bestaat uit een glad, cilindrisch stukje hout of karton, met aan beide uiteindes een haakje in ijzerdraad of koper, dat rond de touwtjes van een pakje grijpt. Het dragen van zware pakjes wordt makkelijker als men de arm kan laten hangen en de touwtjes niet in de hand snijden. Meestal is er een reclameboodschap op gedrukt van bv. een kledingzaak of wasserij.Zie ook de koudehand. [MOT] (1) Door het verbod op plastic draagzakken zijn deze handvatjes sporadisch opnieuw in gebruik.
Handschoenrektang (v.)
De vingers van een handschoen kan men verbreden met een vingerstok of een handschoenrektang. De kaken van het laatste werktuig zijn halfrond en over het algemeen langer dan de armen. Men mag immers niet teveel druk uitoefenen. Een veer sluit de tang automatisch, wanneer men geen druk uitoefent op de armen. Handschoenrektangen zijn doorgaans van hout, maar er bestaan er ook van metaal en plastic. Men had ook modellen voor de lange balhandschoenen. [MOT]
Houthakkersbijl (v.)
Bijl gebruikt om jonge bomen te vellen, om een gevelde boom van zijn takken te ontdoen, om te snoeien, om brandhout op het kapblok te hakken, enz. Er bestaan allerlei vormen, soms wordt zelfs een mijnwerkersbijl of een zware timmermansbijl gebruikt. Het gaat echter doorgaans om een bijl van ca. 0,7-1,3 kg, met een oog en twee vouwen. De steel is zo'n 30 cm lang. De bijlen om brandhout te hakken (zie kloofbijl) gelijken sterk op sommige houthakkersbijlen maar zijn lichter. Deze bijlen zijn te onderscheiden van de brandweerbijl, de aks en van de topbijl. [MOT]
IJsdolk (m.)
Op steile door harde sneeuw of ijs bedekte wanden kan de bergbeklimmer samen met zijn ijshouweel een dolkachtig werktuig gebruiken om te stijgen. Er bestaan tal van vormen, van zware priem met of zonder tanden, tot een gootvormig werktuig. Alle zijn ze zo'n 20 cm lang en worden door een borgtouw aan de pols of de gordel bevestigd (1). [MOT] (1) Volgens MADUSCHKA & SCHUBERT: 40 wordt de ijsdolk omstreeks 1975 steeds minder gebruikt.
Horlogesleutel (m.)
De horlogesleutel is een kleine pijp- of dopsleutel waarmee horloges opgewonden worden. Het handvat is meestal een ring. [MOT]
IJslepel (m.)
Lepel waarmee men bolletjes ijs kan serveren. De eenvoudigste ijslepel heeft een halve bol als schep en een recht hecht. Hierdoor lijkt hij enigszins op de balsteker maar is ervan te onderscheiden doordat hij langer is (ca. 20-25 cm) en een grotere halve bol als schep heeft (ca. 5 cm). De lepel wordt in warm water gedompeld zodat hij makkelijker door het ijs gaat. Er bestaan ook ijslepels waarvan men het handvat kan dichtknijpen, waardoor er een gebogen metalen mesje over en weer in de halve bol beweegt. Zo wordt het bolletje ijs makkelijk verwijderd uit de lepel. Nog een ander model is van plastic met een lipje in de schep dat naar omhoog geduwd kan worden, zodat het ijs makkelijk los komt. In hard bevroren ijs kan men een ijslepel gebruiken die gevuld is met een chemische stof, welke overeenkomt met die in autoradiatoren. De stof is niet giftig en zit opgeborgen in de steel. [MOT]
IJshouweel (o.)
Op sneeuw en ijs is het ijshouweel in de bergen onmisbaar. Het dient vooreerst als steun - het vervangt de wandelstok - en, vooral op gletsjers, om de sneeuw te peilen, vervolgens om treden in het ijs uit te hakken, om een andere klimmer te zekeren en tenslotte, bij een val, als rem. De punt van het ijshouweel is vaak getand, de pen kan recht of licht holrond zijn. Soms maakt een gat in het werkend deel het mogelijk er een karabijnhaak aan te bevestigen. De houten steel werd algemeen vervangen door een steel van licht metaal; zijn lengte wordt bepaald door de aard van het terrein: hoe steiler en moeilijker, hoe korter de steel. Hij eindigt in een scherpe stalen punt, die in het ijs moet kunnen steken. Een polslus of een borgtouw voorkomt meestal het verlies (1). Zie ook houweel. [MOT] (1) Duitse klimmers geven de voorkeur aan de eerste oplossing, Britse aan de tweede (MADUSCHKA & SCHUBERT 1975/11: 45).
Insmeerborstel (m.)
Rond (ca. diameter 4 cm) of driehoekig borsteltje uit zacht varkens-, geiten-, paardenhaar of kunststofvezel. Het heeft de vorm van een kwast of is voorzien van een steel (lengte geheel ca. 17 cm). Er bestaan ook modellen die gecombineerd zijn met een schoenborstel. Voor het onderhoud van je leren schoenen gebruik je de insmeerborstel voor het aanbrengen van schoensmeer (1) alvorens ze op te blinken met de schoenborstel. Met de insmeerborstel zou je gemakkelijker bij moeilijk bereikbare plekken geraken en zou het schoensmeer gemakkelijker in de poriën van het leer dringen dan met een doek. Alleszins je handen worden minder vuil. [MOT] (1) Schoensmeer zorgt ervoor dat het leer niet uitdroogt waardoor de levensduur van de schoen wordt verlengd. Het is aangeraden om voor elke kleur schoensmeer een ander borsteltje te gebruiken om vlekken te voorkomen.
Isolatiepijpbuigtang (v.)
Vaste elektrische draden plaatst men vaak in speciale buizen van metaal of plastic. Vroeger waren de zogenaamde Bergmannbuizen van karton met een buitenlaag van metaal. Deze buizen sneed men met een isolatiepijpsnijtang en boog men met de isolatiepijpbuigtang. Het meest voorkomende model bestaat uit een holle brede kaak en een andere zeer smalle. Deze laatste drukt de pijp in de holte van de eerste en buigt ze lichtjes. Men grijpt de pijp enkele millimeters verder en knijpt opnieuw tot men de gewenste kromming heeft bereikt. Meestal gebruikt men telkens een andere tang voor elke doorsnede van pijp, maar er bestaat een verstelbaar model. De smalle kaak bestaat dan uit een schijf met een viertal mogelijke openingen. Met een schroef kan men van opening wisselen door het schijfje verder of terug te draaien naar een andere opening. De latere zwaardere buizen boog men met een pijpenbuiger. [MOT]
IJspriem (m.)
Priem (ca. 20 cm lang) waarmee men grote blokken ijs in stukken breekt. Men houdt de priem in een hoek van 45° en stoot de punt in het ijs om dit te breken. Zo gaat men door totdat men schilfers van de gewenste grootte heeft. Een ijspriem kan ook bestaan uit een zestal kortere priemen (ca. 3 cm) op enige afstand naast elkaar zodat deze een vorkachtige vorm heeft (1). [MOT] (1) Volgens BRIDGE & TIBBETTS: 55 zou dit instrument gebruikt worden om ijs te sculpteren.
Hoornvijl (v.)
De hoornvijl (1) dient om hard hout, hoorn, ivoor of lood door wrijving te bewerken. Het is een metalen rechte of gebogen staaf (15-25/0,5-3/0,5 cm) met diepe evenwijdige keepjes in de breedte, in een kort houten hecht van ca 15 cm gestoken (2). Het werktuig is te onderscheiden van de rasp voor hout, die puntjes heeft. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Omdat het werktuig veel gebruikt wordt om hoorn te bewerken, stellen we deze benaming voor. (2) Zie een bijzonder model dat op een strijkijzer gelijkt in ROUBO: 3 pl. 328.
IJsvergruizer (m.)
De ijsvergruizer versplintert ijsblokjes in kleine stukjes. Als hij wordt dichtgeknepen, verbrijzelen negen tandjes in de bovenste kaak het ijs in het onderste, schepvormige bakje. De twee delen kunnen bij het scharnier worden losgehaakt, zodat men het ijs uit het onderste deel kan serveren. [MOT]
IJsblokjestang (v.)
De ijsblokjestang gebruikt men om ijsblokjes vast te nemen. Men kan ze zo makkelijk in een glas doen. Ze lijkt op de suikertang, maar is groter en zwaarder. Ook de kaken zijn licht uitgehold en verder aangepast aan de grootte van de ijsblokjes. Men sluit de tang met een haakje. [MOT]
Isolatiepijpsnijtang (v.)
Vaste elektrische draden plaatst men vaak in speciale buizen van metaal of plastic. Vroeger waren de zogenaamde Bergmannbuizen van karton met een buitenlaag van metaal. Deze buizen van 7, 9, 11, 13 1/2 en 16 mm sneed men met een isolatiepijpsnijtang. De kaken zijn meestal rond om de buis te vatten en op één van de kaken zit een rond mes bevestigd. Men kan het vervangen en soms wordt het afgeschermd aan de buitenzijde met een metalen kapje. Een ander model met ronde kaken heeft een vervangbaar mes met rechte snede. De andere kaak is voorzien van twee geleidingswieltjes om de buis makkelijk te kunnen draaien. Nog een ander model heeft twee snijdende bladen waarvan de snede van beide messen bij het dichtknijpen van de tang een driehoek vormen. Soms is de isolatiepijpsnijtang gecombineerd met een kopkniptang met schuine bekken onder een hoek van 135° met de lengteas, een draadknipper voor dikkere draad of een draadstriptang. Er bestond ook een isolatiepijpbuigtang om de buizen te buigen. [MOT]
Jachtknipmes (o.)
Het jachtknipmes heeft één enkel blad of is een samengesteld werktuig met diverse onderdelen die in het hecht kunnen worden gevouwen. Het lemmet van ca. 9 cm kan meestal vergrendeld worden. Met dat blad snijdt men het geslacht van het mannelijk dier af of maakt men een kleine opening in de onderbuik en snijdt men het buikvel door met de snede naar boven. Samengestelde jachtknipmessen hebben een villemmet, een kleiner blad met zeer scherpe, holle snede en stompe punt, om de ingewanden van het dier niet te beschadigen. Het villen kan ook met een groot blad met vilhaak dat men vindt bij het jachtmes met vast lemmet. Het jachtknipmes bevat nog een kort zaagblad (ca. 6 cm) om het bekkenbeen en andere beenderen door te zagen. Het zaagblad eindigt soms op een fijne schroevendraaier en heeft tegen het hecht aan soms een flesopener voor kroonkurk. Verder is het jachtknipmes vaak voorzien van een wildhaak om de ingewanden van kleinwild en gevogelte te verwijderen, een patroontrekker in kaliber 12 en 20, een choke-sleutelblad...
Kaas-/boter-/kleisnijdraad (m.)
Werktuig dat bestaat uit een dunne (ca. 1 mm), stalen draad (ca. 15-45 cm) met twee houten of plastieken handvatten, waarmee men boter of halfzachte kaas kan snijden. Al naargelang de bestemming draagt het een andere naam, maar het is hetzelfde werktuig. Wanneer het gebruikt wordt om kaas te snijden, slaat men de snijdraad om het blok kaas heen. Met één hand houdt men het blok kaas stevig vast terwijl men met de andere de draad er doorheen trekt. Wanneer men boter snijdt, zal men de snijdraad met twee handen vasthouden en deze doorheen de boter duwen. Ook de pottenbakker gebruikt een gelijkaardig werktuig om klei door te snijden. Voor dikke of ruwe klei gebruikt hij een getwijnde kleisnijdraad. Zie ook kleisnijder en kaassnijdraad met rol. [MOT]