ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 351 - 400 1,338 resultaten gevonden
Pennenmes (o.)
Het pennenmes diende oorspronkelijk om de punt van een ganzenveer te snijden en inktvlekken uit perkament of papier weg te krabben, zoals een radeermesje. Het heeft een smal, scherp blad met een lengte tussen 2,5 cm en 4,5 cm. Het pennenmes is nu meestal een knipmes, uitzonderlijk met vervangbaar blad, dat voor allerlei doeleinden, onder meer als nagelmesje, gebruikt wordt. Een licht (ca. 10 gr) model, van de Christy Company, bevat een blad dat in vier posities in het hecht kan geschoven worden zodat men de lengte van het blad kan bepalen. Op vele zakmessen is er naast het groot blad ook een klein scherp mesje dat als pennenmes wordt gebruikt. Niet verwarren met het operatiemes. [MOT]
Penworteltrekker (m.)
Met een penworteltrekker trekt men onkruid met een penwortel, zoals distel, zuring of paardebloem, uit de grond. Het werktuig wordt naast de plant in de grond gestoken en met een halve draaibeweging wordt deze gegrepen, waarvan de wortel - bij het trekken - zonder moeite mee uit de aarde komt. De penworteltrekker bestaat uit een hol blad met schuine snede eindigend in een punt. Een zijde is voorzien van 2 lipjes die de plant grijpen. Het werkend deel is door middel van een dille aan een houten D- of T-steel (ca. 80-140 cm) bevestigd. Te onderscheiden van de distelsteker waarmee de penwortel onder de bladkraag wordt afgestoken. Zie ook disteltang en penwortelsteker. [MOT]
Pelijzer (o.)
Met het pelijzer hakt de steenhouwer smalle sleuven, kielgaten uit natuursteen om deze te ontginnen. Het is een zware, geheel metalen beitel (ca. 15-20 cm lang) met smalle (0,5-1 cm), rechte of bolronde snede. Het geheel is rechthoekig of achthoekig in doorsnede. Te onderscheiden van de ritsbeitel voor metaalbewerking. [MOT]
Pianosleutel (m.)
Een pianosleutel is een haakvormige dopsleutel met houten hecht waarmee de bouten, waaraan de snaren van een piano, harp of hakkebord bevestigd zijn, bij het stemmen aan- of losgedraaid worden. De achtkantige dopsleutel bestaat in verschillende diameters. [MOT]
Pijpenrasp (v.)
De pijpenrasp is een kleine (ca. 4-5 cm), cilindervormige (ca. 1 cm doorsnede) rasp met afgerond uiteinde, waarmee men aangekoekte tabak of teer in het pijpenkopje kan loswroeten wanneer dat niet lukt met de pijpenkoter. [MOT]
Plantschopje (o.)
Schopje (ca. 30 cm) dat gebruikt wordt voor het planten van grote zaden, bollen en knollen en kleine plantjes zoals zaailingen. Met het plantschopje kan je gemakkelijk een gat in de grond graven, maar ook de grond losmaken of hardnekkig onkruid verwijderen. Het heeft een holrond, driehoekig blad waarvan de snede meestal afgerond is; wanneer het blad een scherpe punt heeft, is dat bedoeld voor gebruik in harde aarde. Op sommige modellen zijn streepjes op het blad aangebracht, waardoor men de diepte goed kan bepalen. De rechte steel is soms met een knik aan het blad bevestigd. Een ander model heeft een smaller (ca. 5 cm) (en langer) blad (1). Deze dient om kleine bollen en zaailingen te planten waar weinig ruimte is (bv. tussen andere planten), maar ook om paardebloemen en andere planten met penwortels te wieden (zie penwortelsteker). Een speciaal model, vaak gebruikt bij het botaniseren (2), heeft een houten handvat dat wordt bevestigd op het blad dat doorloopt. Het schopje kan een (roestvrij) ijzeren of aluminium...
Pleistertroffel (m.)
"Werktuig dat de metselaar gebruikt voor het afpleisteren van stoepen, kelderkoekoeken (d.i. een keldergat) en dergelijke kleine muuroppervlakken." (1) De stukadoor gebruikt het voor allerlei werkzaamheden zoals o.a. kalk of mortel glad strijken op moeilijk bereikbare (kleine) oppervlakken, inwendige hoeken bijwerken, enz. De pleistertroffel bestaat uit een klein (ca. 7-10 cm) metalen blad dat met een omgebogen steel aan een recht hecht is bevestigd. Het blad is ofwel driehoekig met een spitse of stompe punt ofwel langwerpig en afgerond. Zie ook metselaarstroffel. [MOT] (1) JELLEMA: 30.
Pinrasp (v.)
Schoenmakerswerktuig dat bestaat uit een langwerpige (ca. 7-10 cm / ca. 2-3 cm) rasp, die zich bevindt aan een lichtjes gebogen staaf die in een houten handvat bevestigd is. De totale lengte varieert tussen 25-50 cm. De pinnen waarmee men de zool vasthecht kunnen soms in de schoen binnendringen. De schoenmaker knipt de scherpe uiteinden eerst af met een pinknipper - dat is een mesje dat vaak gecombineerd is met de pinrasp, en zo geplaatst is dat het over de binnenzijde van de zool geduwd of getrokken kan worden - en raspt vervolgens de binnenkant van de schoen glad met de pinrasp. Zie ook schoenmakersrasp. [MOT]
Platenborstel (m.)
De platenborstel is een wisser om vinyl muziekplaten schoon te maken door stof en vingerafdrukken af te vegen zonder de plaat te beschadigen. Een model bestaat uit een rechthoekig en afgerond eikenhouten blokje met een zacht vilten borstelvlak, doorgaans zwart. Hij gelijkt enigszins op een bordenwisser. Aan één korte zijde is een gleuf voorzien om de bijhorende schoonmaakvloeistof op te bergen. Andere modellen hebben bleek geitenhaar of fluweel. Er zijn ook diverse modellen in carbon en kunststoffen ontwikkeld. De meeste hebben antistatische eigenschappen om de plaat van zijn statische lading te ontdoen. [MOT]
Plaveiblok (o.)
Bij het leggen van zware tegels gebruikt de tegelleger of de stratenmaker een plaveiblok om ze aan te stampen (vgl. straatstamper). Het werktuig bestaat uit een houten, met een ijzeren ring beslagen blok. Een ijzeren T-handvat zorgt voor extra gewicht (het geheel weegt zo'n 2-2,5 kg). Het werkt bij een op- en neerwaartse beweging. [MOT]
Pleisterspaan (v.)
De pleisterspaan wordt door de stukadoor gebruikt bij het afwerken van wanden en plafonds. Het werktuig heeft een langwerpig rechthoekig, of driehoekig blad (ca. 28 cm) met afgeronde punt. Het is vervaardigd van dun staal dat soepelder is dan dat van de raapspaan. De randen van de pleisterspaan zijn vrij scherp. Daarom wordt de spaan in een schede bewaard, ter voorkoming van beschadigingen die onmiddellijk in het pleisterwerk zichtbaar zouden zijn. [MOT]
Poothout (o.)
Handwerktuig bestaande uit een houten of ijzeren steel (ca. 25-70 cm) eindigend in één (1) of meerdere kegel- of wigvormige punt(en) (diam. ca. 4 cm) (2). De punt kan zowel van hout, met ijzer bekleed of volledig uit ijzer zijn. Het L-vormig, D-vormig, T-vormig of knopvormig handvat (3) kan uit hout, plastic of ijzer zijn. (4) Sommige (kleine) modellen zijn volledig uit aluminium vervaardigd en kunnen gecombineerd zijn met een plantschopje (5). De grotere poothouten zijn soms voorzien van een voetsteun (6). Een bijzonder model, waarvoor we de benaming plantplankje voorstellen, bestaat uit een houten plank waar, langs de ene zijde, een reeks houten pennen op gelijke afstand in bevestigd is, en die aan de andere zijde, voorzien is van een rechte houten steel (7). Het poothout wordt gebruikt om plant- of pootgaten met gelijke diepte in de moestuin (of op de akker) te maken. In tegenstelling tot de pootboor wordt met het poothout geen grond verwijderd, maar een gat ingedrukt. Bij het dubbele - of meer - poothout...
Profielschraper (o.)
De profielschraper (1) is een handwerktuig om lijsten in hol- en bolronde voorwerpen te schaven, evenals groeven voor inlegwerk. Er bestaan twee subtypen (2). Op het eerste is de schaafbeitel vast. Hij steekt in een vierkantig ca. 20 cm lang latje waarop een geleider glijdt. De snede is in de as van de lat gericht. Het werktuig wordt zoals een kruishout gehanteerd (zie ook trekschaaf). Op het tweede is in de lat met vaste aanslag, in de lengte, een gleuf gezaagd. Hierin glijdt de schaafbeitel. Deze wordt door middel van twee schroeven vastgezet. De twee uiteinden van de lat dienen als handvat. De schaafbeitels van de profielschraper worden meestal door de schrijnwerker zelf uit een afgedankt zaagblad vervaardigd. [MOT] (1) DAWYNDT 1972: 109. Er wordt ook van aderenritshout (KARMARSCH: 1.837), biezentrekker (STEEL: 2. 121) gesproken. Deze benamingen verwijzen echter naar één bestemming, namelijk het snijden van groeven. Ze zijn dus te vermijden om een werktuig...
Punaisewipper (m.)
De kantoorbediende gebruikt een relatief klein (ca. 4-14 cm) licht roestvrijstalen handwerktuig om duimspijkers te lichten. Het uiteinde van het werkend deel wordt onder de kop van de spijker geduwd die gelicht kan worden zonder de punt te buigen of de kop af te breken, zoals dat vaak gebeurt met een mes. Bij sommige modellen is het handvat een briefopener (1). Bij een (grafiet) potloodvijl is soms het uiteinde omgebogen dat dan dienst kan doen als spijkerlichter (2). Zie ook spijkerlichter. [MOT] (1) Dat is nuttig voor het verwijderen van tekeningen die zijn vastgelijmd aan het paneel, enz. (KEUFFEL & ESSER: 265). (2) Bv. KEUFFEL & ESSER: 295.
Pureeknijper (m.)
Aardappelen kan men makkelijker tot puree verwerken met een pureeknijper. Men plaatst de gekookte aardappelen in de houder en knijpt de tang dicht. De aardappelen worden door de gaatjes van de aardappelknijper gedrukt. Zie ook pureezeef. [MOT]
Proeversmes (o.)
Een proeversmes is een licht (ca. 50 gr) lang (ca. 25 cm) en smal (ca. 1 cm) zakmes dat gebruikt wordt om worst en andere fijne vleeswaren te proeven op beurzen e.d. (1). Vaak is het lemmet voor een deel getand om de worst makkelijk door te kunnen snijden. [MOT] (1) Volgens SARGENT: 18 zou het mes dienen om meloen of citrusvruchten te testen.
Randwieltje (o.)
Het randwieltje heeft een gegroefd, metalen wieltje (ca. 1,5-2 cm doorsnede) dat bevestigd is aan een metalen, soms lichtjes gebogen schacht die voorzien is van een houten handvat. De totale lengte bedraagt ongeveer 14-18 cm en het wieltje is voorzien van 3 tot 7 groefjes per centimeter. De schoenmaker gebruikt het randwieltje om op de bovenrand van de schoenzool een handgenaaide naad te imiteren of om de steken op die rand vast te zetten; het wordt steeds verwarmd voor gebruik. Er bestaan ook randwieltjes met verwisselbare wieltjes. Veelal is het houten handvat hol en kan het los geschroefd worden zodat de wieltjes erin opgeborgen kunnen worden. Het wieltje zelf wordt op zijn plaats gehouden door een beweegbaar haakje, dat zich omheen de as sluit. [MOT]
Radertje voor naden (o.)
Hard radertje van ca. 3-6 cm breed, gebruikt om de naden tussen de banen behangpapier aan te drukken; bij reliëfpapier gebruikt men hiervoor een zachte behangersborstel omdat het radertje voor naden het reliëf plat drukt. Het werkend deel kan uit plastic, metaal, hout, been of ivoor (1) gemaakt zijn. Om het behangpapier op de muur glad te strijken, bestaan er radertjes die breder zijn en met een zacht materiaal, zoals vilt of flannel, overtrokken zijn (2). [MOT] (1) SELLENS: 315. (2) SELLENS: 315.
Raspmolentje (o.)
Een raspmolentje heeft een cilindervormige rasp die in een metalen, blikken of plastic frame zit en die met een draaizwengel in beweging wordt gebracht. Het kan op tafel geplaatst of met een schroef aan de rand van de tafel geklemd worden. Het voedsel wordt langs boven in een trechter met behulp van een stamper doorheen de rasp geduwd, terwijl men aan de zwengel draait. Als het raspmolentje geen recipiënt heeft waar het geraspte voedsel in terecht komt, moet er een kom of schaal onder het molentje geplaatst worden. Men kan er groente, kaas, noten, chocolade e.d. in fijn raspen. In tegenstelling tot de keukenrasp kan men met het raspmolentje makkelijk restjes opmaken zonder gevaar voor de vingers. Zie ook groentemolen. [MOT]
Rattenstaart (m.)
De rattenstaart (1) is een kegelvormige of cilindrische vijl of rasp. De eerste dient om sommige zagen met grote tanden, bv. een kraanzaag, te scherpen, de tweede om kleine gaten of bogen te zuiveren. [MOT] (1) Fr.: queue-de-rat, ook ramasse (bv. N.L.I.) om de lange cilindrische rasp aan te duiden waarmee de holte voor de laadstok van het geweer breder gemaakt werd.
Rasp met twee hechten (v.)
Heel lange rasp (ca. 120 cm; breedte tot 5 cm) waarvan beide uiteinden in een hecht eindigen of steken. Het werktuig wordt door twee man gehanteerd bij het raspen van zwaar gloeiend ijzer. Zo bv. wanneer de assen van bespannen voertuigen nog in twee stukken geleverd worden en dat de smid ze op de juiste lengte moet aan elkaar wellen. [MOT]
Roerhaak (metselaar) (m.)
De roerhaak wordt door de metselaar gebruikt bij het bereiden van beton. Het is een haak met drie, soms ook vier (1), puntige, in doorsnede vierkantige (2), ijzeren tanden (ca. 15 cm) die ongeveer 180° gebogen staan ten opzichte van de dille (diam. ca. 4 cm) waarin een lange (ca. 140 cm) houten steel steekt (3). Zie ook kalkhouw waarmee mortel wordt bereid. [MOT] (1) ''Hoe maakt men een goed beton'': 25. (2) ''Pétolat s.a.'': 112 laat een model met platte tanden zien. Werkend deel en dille zijn verbonden d.m.v. een lange platte stang. (3) N.L.I.: s.v. griffe, toont een model met drie langere tanden die een hoek van 90° vormen met de steel.
Ritsbeitel (metaalbewerking) (m.)
Geheel metalen beitel van ca. 20-50 cm lang om ritsen in metaal te hakken, d.i. bijvoorbeeld een smalle groef in een metaalplaat om deze makkelijker te doen breken of in een hoefijzer waar de gaten voor de hoefnagels gedreven zullen worden. De ritsbeitel heeft een vrij smalle snede (ca. 9-13 mm) die onder een hoek van ca. 60° geslepen is. Hierdoor kan je er tot op vrij grote diepte mee werken. Het geheel is meestal rechthoekig in doorsnede. Te onderscheiden van het pelijzer van de steenhouwer. [MOT]
Robber (m.)
Meestal wigvormig houten, metalen (1) of benen handwerktuig (ca. 20-25 cm lang) met afgeronde randen en een rechte steel, soms gesculpteerd in de vorm van een stuk touw (2). Het wordt bij het zeilnaaien gebruikt om de naden van het zeil plat te strijken. Voor dit doeleinde gebruikt de zeilmaker ook wel eens de rug van zijn mes. Zie ook omboekhamer. [MOT] (1) NOORDRAVEN & DE BOER: 101. (2) ASHLEY: 20.
Roerspaan (huisschilder) (m.)
De huisschilder gebruikt een roerspaan om de verf te roeren, wat steeds moet gebeuren voor men begint te schilderen. Het is een houten spatel van variërende lengte (ca. 20-40 cm), afhankelijk van de grootte van de verfpot. [MOT]
Rondmes (o.)
Het rondmes wordt gebruikt door de lederbewerker en in het bijzonder door de zadelmaker, om stug leder op maat te snijden. Het heeft een halfcirkelvormig blad (ca. 20 cm) en een recht hecht dat precies boven het midden van het blad is aangehecht. Bij het middeleeuwse rondmes staat het hecht horizontaal t.o.v. de bovenzijde van het blad. Men kan met dit mes een lange, mooie snede mee maken, terwijl de hand volle drukkracht uitoefent. De hoek van het rondmes plaatst men op het leder en meegaand met de omtrek van het mes, snijdt men het leder op de gemarkeerde lijn door. Bij het eindpunt wordt het mes opnieuw neergezet tot de gehele snede is uitgevoerd. Het mes horizontaal houdend, snijdt men in de dikte van het leder of schuint men de rand af. [MOT]
Rooiijzer (m.)
Om de grienden te onderhouden, gebruikt de griendwerker naast een steekspade en een aks ook een rooiijzer om dode stoven te rooien door de dikke wortels ervan door te steken en nadien ermee door de kop van de stoof te beuken. Dat om laatstgenoemde om zijn as te kunnen draaien, totdat de stronk los van zijn wortels is geraakt. Het rooiijzer wordt ook gebruikt om stronken te kloven (1) om brandhout te maken. Het rooiijzer bestaat uit een ijzeren stang (ca. 100-110 cm lang; gewicht 6-8 kg) waarvan één uiteinde (ca. 30 cm bij 5,5cm) beitelvormig is en het andere in een ring of een (houten) D-handvat eindigt. Een ander model heeft een werkend deel dat naar de snede toe breder wordt (breedte ca. 8 cm). [MOT] (1) VINK: 16.
Rozenmesje (o.)
Het rozenmesje is een mesje met een kort en smal blad (ca. 4 cm / 8 mm) dat aan de bovenzijde gebogen is en een rechte snede heeft die zich in het vlak van het werktuig bevindt. Het wordt door de houtsnijder bij het kerfsnijden gebruikt. Hierbij steekt of schaaft men iedere keer een houtschilfer weg om zo een ingesneden patroon te krijgen. De houtsnijder gebruikt hiervoor kleine (ca. 15-20 cm), zeer scherpe mesjes met speciaal gevormde snijbladen (zie ook steekmes (houtsnijder) en kerfmes). Elk mesje moet altijd zo worden vastgehouden, dat beide handen zich achter het lemmet bevinden. De duim kan op het hout rusten om zo een steunpunt te verlenen, maar ook hij moet steeds buiten de snijlijn worden gehouden. [MOT]
Roostervork (v.)
Met een roostervork roostert men brood of vlees in de open haard. Het is een vork met 3 ijzeren of roestvrij stalen tanden die al dan niet licht gebogen zijn, en een lange steel (ca. 30-40 cm). Sommige modellen zijn uitschuifbaar (1). Bij een bijzonder model hangt de vork aan de – soms hoornen - steel door middel van een cardankoppeling. Zo kan men een snede brood aan beide zijden roosteren gewoon door de steel te draaien. Zie ook vleesvork. [MOT] (1) Tot ca. 75 cm (WATTEL: 796).
Schrijnwerkershamer (m.)
De schrijnwerkershamer is een hamer met stalen kop (ca. 100-600 gr), taps toelopende platte pen en licht bolronde baan om het houtoppervlak niet te beschadigen. De schrijnwerker, maar ook andere houtbewerkers, gebruikt deze hamer hoofdzakelijk om nagels in te drijven. Met de pen worden korte nagels in het hout geslagen tot ze voldoende houvast vinden om ze nadien met de baan van de hamer verder in te slaan. De Japanse schrijnwerker gebruikt een stalen hamer (1) met twee vlakke banen, die in verschillende vormen (cilindrisch, ovaal, achthoekig, enz.) en vijf verschillende formaten (2) bestaat. De kleinste modellen hebben één vlakke en één licht bolronde baan. In tegenstelling tot de Westerse schrijnwerkershamer wordt de Japanse tevens gebruikt om op de beitel te slaan (3). Te onderscheiden van de bankhamer die zwaarder is. [MOT] (1) Japans: hatsukaku gennou en ryoguchi maru hanmaa. (2) De kop van de extra grote modellen weegt tussen 940-1125gr; van de kleinste modellen tussen 100-150gr. (3) In het westen gebruikt...
Schraapbeitel (imker) (m.)
Veelal een samengesteld werktuig bestaande uit een brede (ca. 4 cm) en dunne (ca. 0,27 cm) stalen beitel die aan een uiteinde in een hoek van 90° is omgebogen en voorzien is van één stompe (ca. 45°) vouw (1). Het andere uiteinde loopt uit op een dunne (ca. 0,07 cm) scherpe snede met één vouw. Op sommige modellen loopt de snede ook langs de zijkant van het bredere (ca. 4,5 cm) werkend deel. Dat model is aan de andere zijde voorzien van een in hetzelfde vlak liggende haak die dienst doet als bijenraamheffer. Met de scherpe snede van de schraapbeitel wordt overtollig propolis en wasresten (braamraat) van de bovenzijde van de ramen weggeschraapt. [MOT] (1) Dit gedeelte wordt gebruikt als bijenraamheffer. Het ruitvormig gaatje dient om de kop van een nagel te vatten (zie ook koevoet).
Schrijnwerkersguts (v.)
De schrijnwerkersguts is een hakguts met één vouw aan de binnenzijde, een angel of een dille en een borst, bestemd voor relatief zwaar werk (zie ook hakbeitel), o.a. voor het maken van afgeronde groeven. In tegenstelling tot de steekguts van de houtsnijder (zie houtsnijdersguts) wordt de schrijnwerkersguts geslagen met een hamer. Zij is aan het uiteinde van het hecht meestal voorzien van een beslagring om splijten te voorkomen. Zie ook klompenmakersguts en timmermansguts. [MOT]
Schrooi (m.)
De schrooi is een zware (ca. 1 kg), brede (ca. 5 cm), ijzeren beitel met stompe vouw en korte pen (ca. 8-10 cm) die in het gat van het aambeeld gestoken wordt, om daarop stukken van dunne ijzeren staven af te hakken. De vorm van de beitel is in doorsnede meestal driehoekig, soms ook kegelvormig. De gloeiende staaf wordt dwars op de schrooi geplaatst en de smid slaat erop met de smeedhamer. Het werkstuk wordt steeds rondgedraaid om vervorming tegen te gaan. De laatste slag mag de snede niet beschadigen. Zie ook stokbeitel. [MOT]
Schoudermes (o.)
Het schoudermes (1) is een handwerktuig, gebruikt door de inlegwerker om fineer te snijden (2). Het heeft een lemmet (ca. 6 cm) met rechte of gebogen snede. Het uiteinde van de lange houten steel (ca. 57 cm) is licht gebogen en rust op de schouder van de gebruiker. Zo heeft hij meer controle over het mes en kan hij meer druk zetten. Het wordt soms ook als steekmes van de houtsnijder gebruikt (3). Zie ook snijkruishout. [MOT] (1) Eigen benaming. (2) In de 18de eeuw werd het snijkruishout verkozen boven het schoudermes. Zie ROUBO: 847. (3) Uit DICK catalogus: 53.
Schraapstaal (kuiper) (o.)
Het schraapstaal van een kuiper is een metalen plaatje van ca. 5 bij 10 cm met een bolronde snede, geklemd in een handvat, waarmee de kuiper de holronde duigen afschraapt. Het werktuig wordt bijna verticaal op het hout getrokken. Zie ook het schraapstaal met rechte en holronde snede. [MOT]
Schuurpapier (o.)
Schuurpapier dient om een vervaardigd voorwerp glad te wrijven. Het schuren is de laatste bewerking die een voorwerp ondergaat tijdens het vervaardigen. Schuurpapier is een blad papier of stof waarop fijngestoten glas of zand, amaril of ijzervijlsel gelijmd is. Er bestaan verschillende soorten, van zeer grof tot zeer fijn. Een ambachtsman zal het papier gebruiken in combinatie met een schuurblok (1), zoals hierboven afgebeeld. Het schuurblok is een houten blokje waar het schuurpapier in- of omgeklemd wordt om overal dezelfde druk te kunnen uitoefenen. Om dezelfde reden wordt het papier soms ook op een stuk kurk gelijmd. Schuurpapier vervangt de paardestaart (2), de huid van de haai (3) en van de zeehond (4), en gedeeltelijk de puimsteen. [MOT] (1) Zie enkele vormen in CARPENTER: 3-4. (2) GROTHE:212; KARMARSCH: 1.801; ROUBO:3.859. (3) GROTHE: 212. (4) ROUBO: 3.859.
Schuivertje (o.)
Onderdeel van peuterbestek naast een eetlepeltje en al dan niet een eetvorkje. Het schuivertje dient om het reeds fijn gemaakt voedsel op de lepel of vork te duwen. Het schuivertje bestaat uit een plaatje van ca. 4 cm bij 2 cm dat haaks op het hecht staat. Het kan uit verschillende materialen zoals zilver, roestvrij staal, plastic, enz. gemaakt zijn. Vaak zijn de zilveren exemplaren versierd omdat ze als geboortegeschenk werden gegeven. Het werkend deel van het plastic model is zo gebogen zodat de excentrische lepel er juist in past. [MOT]
Schroefkam (m.)
Handwerktuig om een draad te draaien. Men onderscheidt de uitwendige schroefkam om de draad op een schroef te draaien, en de inwendige schroefkam om de draad in een moer te draaien. De eerste gelijkt op een beitel waarvan het uiteinde getand zou zijn, de tweede heeft tanden op een zijde. De schroefkam wordt op het draaiende stuk geplaatst en regelmatig voortgeduwd zodat de schroef gesneden wordt. De uit- en inwendige schroefkam vormen natuurlijk telkens een paar: de ene past op de andere zodat er geen licht tussen beide te zien is. [MOT]
Sjabloneerkwast (m.)
Kwastje dat wordt gebruikt bij het sjabloonschilderen om de verf in de uitgesneden gedeelten van het sjabloon, bestaande uit letters, figuren of versieringen, aan te brengen. Je kan er ook, in combinatie met een sjabloneerrooster, verf mee spatten. De sjabloneerkwast bestaat uit een ronde en recht afgesneden kwast van stevig kort (ca. 2 cm) wit varkenshaar (breedte ca. 0,4 - 3,7 cm), gedeeltelijk omgeven door een metalen huls waarin, langs de andere zijde, een kort (ca. 6 cm) houten handvat steekt. [MOT]
Sjouwershandhaak (haven) (m.)
Metalen S-vormige haak (ca. 30 cm) met recht of T-hecht, die in de havens door de sjouwer gebruikt wordt om "sterke kisten of kratten en andere goederen te verplaatsen wanneer de verpakking en de inhoud er niet door worden beschadigd" (1). Hij is te onderscheiden van de handhaak voor balen en de handhaak voor hout. [MOT] (1) JANSE: 27.
Eierscheplepel (m.)
Lepel met een open eivormig schepblad waarmee men makkelijk een ei in kokend water kan laten en het er ook uit kan scheppen. Het schepblad kan vervaardigd zijn uit ijzerdraad, plaatijzer, aluminium of plastic. Eerstgenoemde is te onderscheiden van de garde of de spiraalklopper. Het handvat is soms van hout (1). Er bestaat ook een netje, meestal in ijzerdraad, waar een zestal eieren in kunnen plaatsnemen (2). Dat wordt eiernetje of eierstandaard genoemd. Het is van de eierpocheerder te onderscheiden door zijn open structuur. Zie ook eiertang. [MOT] (1) Bijv. TEN KATE-VON EICKEN: 161, 175. (2) Bijv. Manufrance: 603 en TEN KATE-VON EICKEN: 161.
Eg (hand) (v.)
De handeg is een kleine eg die door één arbeider wordt getrokken om de bovenlaag van gespitte of geploegde grond los te maken, te verkruimelen en vlak te strijken. Ze wordt ook gebruikt om meststoffen en zaden in de grond te werken. De eg (hand) bestaat uit een houten of ijzeren, meestal driehoekig, raam waarin houten of ijzeren ronde, vierkantige of ruitvormige tanden (ca. 12-16 cm) schuin steken. Soms is de afstand tussen de tanden regelbaar (1). Afhankelijk van de helling en de trekrichting, dringen de tanden 1 tot 7 cm diep in de grond. Het trektouw wordt aan één hoek van het raam bevestigd. Er wordt getrokken door middel van een dwarsstok of een schouderband (2). Zie ook grondhark, grondfrees (hand) en schoffel met harkje. [MOT] (1) Bv. Manufrance: 697. (2) Bv. Manufrance: 697.
Dwarsaks (v.)
De dwarsaks dient tot het uithakken van zware pen en gat verbindingen. Ze heeft een ca. 30-40 cm lange steel. Haar soms iets gebogen blad vertoont een zekere gelijkenis met het blad van de dubbele steekbijl maar is veel korter (ca. 50 cm) en heeft een dubbele vouw. Het handwerktuig wordt op een andere wijze gehanteerd dan de steekbijl. De steel wordt hier met beide handen gevat en de beweging is dezelfde als deze van een bijl. [MOT]
Druivenschaar (v.)
Met een druivenschaar kan men aan tafel makkelijk druiven van een tros afknippen. Het is een schaar met korte (ca. 3-5 cm), smalle (ca. 5 mm) bladen met een stompe punt en lange (ca. 10 cm) armen. De punten zijn bot zodat de druiven niet beschadigd worden bij het knippen. Vaak zijn deze scharen versierd met druivenmotieven. Zie ook druivenoogstschaar. [MOT]
Effileermes (paarden) (o.)
De ruiter gebruikt een zwaar (ca. 75 gr) effileermes om de manen van het paard uit te dunnen. Het effileermes voor paarden bestaat uit een dik (ca.3 mm) blad waarvan de punten van de kam V-vormig zijn geslepen. Het houten hecht is ca. 10 cm lang. Het blad kan ook in het hecht draaien zoals bij een knipmes. [MOT]
Entmes (o.)
Het entmes heeft een rechte of licht gebogen snede. Het vast of vouwbaar stalen blad heeft een lengte van 5 tot 7 cm, is dun en zeer scherp, terwijl de punt bot is. Zowel de ent als de wortel of stam waarop hij geënt wordt, worden ermee gesneden. Er bestaat ook een groter entmes met vast gebogen blad (ca. 6-8 cm lang) en eindigend in een scherpe punt. Dat mes, dat niet verward mag worden met de voegenkrabber van de tuinier, kan ook als snoeimes dienen. Voor het oculeren, d.i. een entmethode waar enkel knoppen op de andere plant overgebracht worden, bestaat er een bijzonder entmes, namelijk het oculeermes. Bij het spleetenten wordt vaak een entbeitel gebruikt. Speciaal bij de wijnbouw wordt gebruik gemaakt van een ent-oculeersnijder die stevig wordt vastgeschroefd op een werk- of tafelblad (1). Het entmes wordt tenslotte ook gebruikt bij het stekken, d.i. het in water of grond steken van takjes zonder wortels, om die takjes af te snijden (2). Zie ook zakmes en sapsnijder, tang. [MOT] (1) Larousse Agricole 1: 778-780. (2)...
Flesopener voor schroefstop en -dop (m.)
Met een flesopener voor schroefstop en -dop kan men de stop of de dop van sommige flessen makkelijk losdraaien. Verschillende oplossingen werden bedacht. Zo bv. een tang met hefbomen van de tweede soort die een aan de binnenkant geribde ring (ca. 3 cm) dichtknijpt. Zo ook een 12-hoekige schijf met in het midden een conische geribde opening (ca. 3-4 cm). Soms is het werktuig gecombineerd met een flesopener voor kroonkurk of een bokaalopener voor schroefdeksels. Zie ook een champagnetang. [MOT]
Fileermes (o.)
Het fileermes heeft een smal (ca. 1,5-3 cm) en buigzaam lemmet van ca. 17-25 cm lengte, met een scherpe punt en een dunne rug. Het is een licht mes (ca. 40-70 gr) dat gebruikt wordt om vis te ontgraten; met de scherpe punt kan men door het vel snijden. Er bestaan ook fileermessen die tot de uitrusting van de visser behoren; zij hebben dan een stevig plastic hecht en een relatief kort (ca. 14-22 cm) en smal (ca. 1-1,5 cm) lemmet dat in een plastic schede steekt. [MOT]
Glaceerspalter (m.)
Dikkere spalter, al dan niet met steel, gemaakt uit wit varkenshaar (1) dat in een platte bus van blik of koperplaat is gevat en waarin de haarbundels door een kit (2) samengekleefd zijn. Modellen met steel bestaan in een breedte van 27, 40, 60, 80 en 95 mm, deze zonder steel enkel in de maten 80 en 95 mm. De glaceerspalter wordt hoofdzakelijk (3) gebruikt (bij hout- en marmerimitatie) om een teveel aan natte kleur van het oppervlak weg te nemen. "De vochtige, even uitgeknepen glaceerspalter neemt gretig vocht op en daarmee worden dan in de donkere, natte waterkleur gemakkelijk lichte partijen en kleurschakeringen gemaakt." (4). De glaceerspalter wordt ook gebruikt voor het aanbrengen van een laagje verdunde, doorschijnende verf op een dekkende ondergrond. Ook de banketbakker gebruikt de glaceerspalter om te glaceren, d.i. het gebak met een laag gladde glanzende suiker overdekken. [MOT] (1) De glaceerspalter heeft een dunnere soort varkenshaar dan de gewone spalter. (2) Meestal hars of een harsmengsel dat men...
Gazonmaaimachine (hand) (v.)
Om een gazon te maaien; kan men gebruik maken van een gazonmaaimachine. Het is een toestel bestaande uit een licht metalen frame met vast geslepen blad, waarop een cilinder (diam. ca. 12-25 cm; lengte ca. 25-60 cm) van 3 à 10 (meestal 5) in een spiraalvorm gebogen stalen messen zijn gemonteerd, tussen twee (rubberen) wielen (diam. ca. 20-25 cm) en een houten of ijzeren steel (ca. 70-100 cm) met breed (ca. 50 cm) dwarsstuk. Door de gazonmaaimachine voor zich uit te duwen, komt het gras tussen de nauwe opening van het vast geslepen blad en de draaiende cilinder terecht. Deze laatste draait sneller dan de twee wielen die de draaibeweging overbrengen door middel van tandwielen. Het werkend deel is meestal in de hoogte instelbaar. Het gras kan eventueel opgevangen worden door een ijzeren of plastic bak en soms bevindt er zich achter het frame een houten rol, nu ook van plastic. [MOT]