ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 151 - 200 1,272 resultaten gevonden
Braadspit (o.)
Grote (ca. 40-50 cm) metalen priem met een draaizwengel of een opwindmechanisme waardoor het braadspit gaat draaien. Men spietst een kip erop en door het draaien boven het vuur of in de oven wordt het vlees gegrild. Eventueel zijn er twee verstelbare U-vormige beugeltjes waarmee het vlees goed vast gezet kan worden. [MOT]
Brandhaak (m.)
De brandhaak is een ijzeren haak die door middel van een dille en een veer verbonden is aan een heel lange steel (ca. 400-650 cm). Boven de haak is meestal een stomp cilindervormig of plat (1) uiteinde voorzien (2). De brandhaak wordt gebruikt om bij een uitbrekende brand gaten in het strooien dak van de schuur te maken, het stro of het riet van een dak te trekken om te beletten dat het vuur zich uitspreidt. Om het vuur te helpen doven worden de gevels en muren met het stompe uiteinde van de brandhaak omvergeduwd. Zie ook bootshaak. [MOT] (1) Bv. Feuerwehrgeräte-Fabrik Konrad Rosenbauer: 35. (2) Brandhaken met één of twee ringen waarin een touw of een stok aan bevestigd wordt om met meerdere mensen te kunnen trekken, lijken veel minder voor te komen.
Brandhoutzaag (v.)
Spanzaag (zie glossarium) om brandhout te zagen. Haar armen lopen niet evenwijdig: het blad is langer dan het touw. Een van de armen steekt onder het blad uit en dient als handvat. In één arm van sommige zagen is een handvat uitgesneden (1). Vandaag de dag wordt de gewone spanzaag door een metalen boogzaag vervangen, die ook voor het vellen van kleine bomen gebruikt wordt. Het te zagen brandhout wordt meestal op een zaagbok gelegd. De zaag werkt in beide richtingen en wordt horizontaal of schuin gehouden. [MOT] (1) Bv. GOZIN: fig. 34.
Brandstempel (m.)
Handwerktuig waarmee voorwerpen of dieren (vroeger mensen) (1), door verschroeiing worden gemerkt. Het is een metalen stempel (ca. 3-10 cm) eindigend in één of twee handvatten, op een schacht gestoken. Het werktuig kan ook bestaan uit losse letters die door middel van een bout in een houder bevestigd worden of die in een tang gevat worden. Wegens de hitte zijn handvatten en schacht doorgaans lang (tot ca. 50 cm). Het gebrande stempel is groter dan het geslagene en kan een eigendomsmerk zijn, een fabricatiemerk of een versiering. De brandstempel is nu vaak door de natte stempel met inkt of verf verdrongen. [MOT] (1) Het brandmerken van mensen werd in België slechts in 1849 afgeschaft (DE WIN P.).
Brandweerbijl (v.)
De brandweerbijl dient vooral om deuren en vensters open te breken maar wordt voor allerlei doeleinden aangewend (1). Thans gelijkt ze sterk op een houthakkersbijl. De rechte steel eindigt vaak in een kleine bol om betere grip te bieden. Niet zelden is er onderaan het blad een inkeping om nagels uit te trekken en verstevigt een veer de verbinding tussen steel en werkend deel (2). Heel courant is een puntbijl, d.i. een bijl met tegenover de snede een zware punt (3). Ook hier treft men vaak een of twee ve(e)r(en) aan. Heden bestaan er brandweerbijlen uit een vonkvrije legering gemaakt. De steel kan kort zijn (zo'n 35 cm) of lang (zo'n 80-90 cm). De korte steel vertoont over de hele lengte vaak lichte bulten om beter grip te bieden; wanneer hij geïsoleerd is, is hij doorgaans gekarteld. De steel van sommige modellen eindigt in een zware ijzeren punt. [MOT] (1) Bv. om een noodhaak in de muur te drijven. Bepaalde modellen komen frequent voor in legeruitrusting en bij veiligheidsuitrusting....
Breekijzer (o.)
Ronde of vierkantige stalen staaf - ca. 20-40 cm lang (1) - die onderaan plat uitgesmeed is, bestemd voor licht sloopwerk (vergelijk sloopbeitel). Het breekijzer heeft vaak een breder kopeinde zodat men er beter met de vuist (metselaar) op kan slaan. Omdat het staal snel omkrult als er op wordt geslagen, wordt er wel eens ter versteviging een beslagring aangebracht. Breekijzers worden ook soms van versleten ijzervijlen gemaakt. Wanneer het breekijzer een licht gebogen uiteinde heeft, wordt er niet met de hamer op geslagen maar wordt het als hefboom gebruikt. In dit geval is het te onderscheiden van de koevoet. Zie ook koubeitel. [MOT] (1) Tot 18 cm worden ze koubeitel genoemd, d.i. in feite een beitel die gebruikt wordt voor het koud doorhakken of inkepen van metalen.
Breeuwbeitel (o.)
De breeuwbeitel is een kort (ca. 12-30 cm) stalen werktuig zonder hecht met een plat en veelal waaiervormig blad en met een hoofduiteinde in de vorm van een paddenstoel. De rand is ofwel scherp, stomp of voorzien van één of meerdere overlangse groeven. Met het breeuwijzer wordt werk, d.i. in teer gedrenkt geplozen touwwerk, in de naden van een houten vaartuig gedreven, opdat het waterdicht zou zijn. Er bestaan verschillende vormen die allemaal een eigen functie hebben binnen het proces van het breeuwen: zo is er een wigvormig breeuwijzer dat - wanneer nodig - de naad verwijdt om er vervolgens het werk in te drijven met een ander breeuwijzer. Dit "enkel" breeuwijzer is stomp en soms lichtjes gebogen. Het werk wordt dan met nog een ander, "dubbel" breeuwijzer dieper in de naden gedreven die vervolgens worden opgevuld met pek. De snede van dat laatste werktuig is in de breedte soms holrond. De afmetingen hangen af van de breedte van de naad. De breeuwijzers worden gebruikt in combinatie met de breeuwhamer....
Breeuwhamer (m.)
De breeuwhamer is een betrekkelijk dunne (ca. 5 cm doorsnede) maar lange (ca. 20-40 cm), ronde houten hamer die licht (ca. 600-1400 gr) en zeer veerkrachtig moet zijn (1). Hij wordt aangewend om met behulp van een breeuwijzer werk in de naden van een vaartuig te kloppen, opdat het waterdicht zou zijn. Op beide uiteinden bevinden zich ijzeren ringen die conisch van vorm zijn; in het geval van slijtage van de baan van de hamer kunnen deze naar achteren geduwd worden. Soms steken in de uiteinden stukken gewei (2) of koehoorn (3) opdat ze harder zouden zijn. Het middenstuk van de hamer is breder en ovaalvormig in doorsnede; het wordt verstevigd met twee (koperen) klinknagels. In het middenstuk bevindt er zich centraal een oog waarin de ronde steel steekt die veelal een stuk boven het hoofd van de hamer uitsteekt. Een uniek kenmerk van de breeuwhamer zijn de longitudinale gleufjes - meestal met een rond gat doorheen het centrum van de gleuf - die zich aan beide zijden van het oog bevinden...
Brideernaald (v.)
Met een brideernaald kan men gevogelte of stukken gevuld vlees opbinden. Zij zien eruit als grote stopnaalden met een speervormige punt en een oog groot genoeg om er een katoenen touwtje door te steken. De grootte varieert naargelang het stuk vlees dat opgebonden moet worden (ca. 14-30 cm lang). Er bestaan ook brideernaalden met omgebogen punt om vlak onder de huid of om botten heen te werken. Meestal worden brideernaald en lardeerpriem in een set van 2 naalden en 12-15 priemen van verschillende grootte bewaard (1). De slager gebruikt een koordnaald om ham te binden. [MOT] (1) (CHANCRIN & FAIDEAU: 736).
Briefopener (m.)
Metalen, houten, benen, ivoren of plastic mes (ca. 20-25 cm lang), meestal uit één stuk, met een plat en smal (ca. 0,5-1 cm) blad dat naar het uiteinde versmalt. De snede is niet scherp en de punt is relatief stomp. Met een briefopener kan men gemakkelijk briefomslagen en boeken opensnijden; men steekt hem respectievelijk in de vouw van de omslag of tussen twee nog niet gesneden bladen van een boek en snijdt die dan langs de vouw open. Soms is de briefopener aan het andere uiteinde nog voorzien van een zakmes. Bij een ander model briefopener zit een vlijmscherp mesje (ca. 3 cm) in een rechthoekig, plastieken handvat verwerkt, dat niet dikker is dan 4 mm. Dit type briefopener is niet te verwarren met het vouwbeen. [MOT]
Brillenglastang (v.)
De opticien kan brilglazen makkelijk vasthouden met een brillenglastang. De kaken bestaan uit twee ronde plaatjes, die aan de binnenzijde bekleed zijn met rubber. Zo worden de glazen niet beschadigd en heeft men er een betere grip op. Eén kaak zit op een veer gemonteerd, zodat de druk zachter op het glas terecht komt. Deze kaak kan ook licht naar boven of onder bewegen. De andere kaak is iets groter en binnenin hol voor de bolle kant van het glas. Een veer opent de tang automatisch. [MOT]
Broekpers (v.)
Samenstel van planken om de plooi in een broek te brengen of te houden. Het is eigenlijk een uitvergrootte versie van de dassenpers en bestaat uit twee planken (ca. 70-100 cm bij 35-50 cm) waarvan de onderlinge afstand met schroeven geregeld kan worden. Men legt een broek tussen de planken, draait de schroeven aan en de druk zal ervoor zorgen dat de plooi in de broek gebracht wordt. [MOT]
Broodmes (o.)
Mes met een vrij onbuigzaam, recht en lang (ca. 20-30 cm) lemmet, zodat ook grote broden gesneden kunnen worden. Men kan er ook een taart horizontaal mee doorsnijden om er een laagje slagroom, pudding, e.d. tussen te smeren. Het brood werd vaak op de borst gesneden, dus met de snede naar zich toe. Daarom werden broodmessen met een haakvormig hecht gemaakt, zodat de hand niet zou wegglijden. Om met minder moeite een grotere kracht uit te kunnen oefenen, werden ook messen met een steun voor de voorarm gemaakt (1) of met losse steunen waardoor het lemmet stak. Er bestaat ook een min of meer sikkelvormig broodmes met gladde snede dat ook op de borst gebruikt werd. De snede kan glad, gegolfd (2) of getand (zie ook diepvriesmes en sneeuwzaag) zijn. Met tandjes kan men makkelijker door de korst. Er bestaan ook broodmessen die aan beide zijden een snede hebben, bv. één gegolfde en één met tandjes. Om het regelmatig snijden te vergemakkelijken, werden geleiders gemaakt die op het...
Broodsnijder (m.)
Brood kan gesneden worden met een broodmes of een broodsnijder. Dat laatste heeft een langwerpig mes dat aan een plank of een hakbord met opstaande randen scharniert (vgl. kaassnijder). Moderne broodsnijders werken elektrisch en hebben een snijwiel met tandjes. Zie ook keukensnijmachine. [MOT]
Broodstempel (m.)
Handwerktuig om deegballen te merken voordat ze met de ovenpaal in de oven worden geschoten. Het werktuig wordt gebruikt om kwaliteitskontrole van het brood mogelijk te maken en wanneer verschillende personen samen brood bakken in éénzelfde bakoven, om hun eigen productie te onderscheiden van de andere. Het stempel kan ook de broodsoort of het gewicht aangeven. Er bestaan zowel ronde, ovale als rechthoekige vormen van verschillende afmetingen (ca. 6-20 cm), al dan niet met een handvat, die uit verschillende materialen kunnen gemaakt zijn zoals plaatijzer (1), nagels of hout (2); dat laatste is te onderscheiden van de boterstempel. [MOT] (1) Voorbeeld in ''Het boek van oude gereedschappen'': 123. (2) Voorbeeld in DUPAIGNE: 61.
Buighaak (m.)
De buighaak is een metalen staaf (ca. 30-60 cm) met aan één of beide uiteinden twee evenwijdige haaks staande staafjes van ca. 2 à 10 cm om ijzeren stangen te buigen. De stang wordt tussen de haakse staafjes geplaatst en door de buighaak als een hefboom te gebruiken, wordt de ijzeren stang omgebogen. De afstand tussen de twee haakse evenwijdige staafjes varieert naargelang de diameter van de te buigen ijzeren staaf. Zie ook buigijzer (mandenmaker), pijpenbuiger en banddraaghaak. [MOT]
Buigijzer (mandenmaker) (o.)
Het buigijzer is een werktuig van de mandenmaker om tenen te buigen. Het is een metalen (1) staafje van ca. 25-30 cm met een oog aan beide uiteinden (het een groter dan het ander) of met twee evenwijdige haaks staande staafjes van ca. 5 cm aan één uiteinde. De teen wordt in het gat, het oog of de keep, of tussen de twee staafjes geplaatst en het werktuig tegen de teen gedrukt (2) (zie klopper (mandenmaker)). [MOT] (1) Er bestaan ook houten modellen. Het bestaat uit een korte houten stang van ca. 30 cm met een gat in het uiteinde of een lange stok van 60-80 cm met een verdikking aan een uiteinde waarin een diepe keep gesneden is. De hoepelmaker gebruikt ook soms zulk een werktuig. DUHAMEL DU MONCEAU 1764: 1.234 en DARTHUY: 2.15 noemen het billard maar voor BRUNET 1925: 44 en RENARD 1921: 45 is de billard een soort raam om de hoepels te maken, dat in de grond gestoken wordt. DUHAMEL DU MONCEAU 1760: pl. 5 fig. 45 duidt met het woord ook een ander werktuig aan: espèce de maillet...
Builtje (o.)
Met een builtje (1) voor huishoudelijk gebruik wordt het meel gezift zodat men bloem verkrijgt. Het builtje bestaat uit een half cilindervormige (ca. diam. 9 cm) zeef, meestal uit ijzergaas, dat bevestigd is aan een bakje, gevormd door 4 trapeziumvormige vlakken (ca. 12 cm hoog). In dat bakje, voorzien van een deksel, wordt met kleine beetjes het te zeven meel ingedaan. Juist boven de zeef bevindt zich een cilindervormige houten stang (ca. diam. 4 cm) waar in de lengterichting ca. 3 rijen houten latjes of borsteltjes uit sisal op bevestigd zijn. Deze wordt in beweging gebracht door een draaikruk die men manueel bedient. De latjes of borsteltjes dienen vooral om de verstopte gaatjes terug open te maken, alsook om het meel door de gaten te duwen. De bloem wordt dan opgevangen in een bakje (ca. 30 cm bij 10 cm en ca. 12 cm hoog) waar de zeef in past. Zie ook bloemzeef. [MOT] (1) De buil is een cilindervormige zift van ca. 150 cm waarmee de bakker of de molenaar het meel zift...
Buizenlepel (m.)
Voor het leggen van draineerbuizen wordt eerst een sleuf één à twee steken diep (en ca. 50-60 cm breed) uitgegraven met de tuinspade en de steekspade. Na de losse aarde die de spade niet heeft kunnen opnemen, verwijderd werd met een zandschop (metselaar), ook wel met een soort vlakke buizenlepel, wordt de sleuf op diepte gebracht met de spade (holle). Met de buizenlepel wordt tenslotte, zeer nauwkeurig en onder de vereiste helling, de bodem van de sleuf afgewerkt zodat de buizen erop gelegd kunnen worden (zie leghaak); de arbeider staat hierbij naast de sleuf. De buizenlepel bestaat uit een holrond blad (ca. 25-35 cm lang en ca. 8-11 cm breed), dat naar de snede toe soms iets wijder wordt (1). Dat werkend deel wordt met een scherpe (ca. 45°) of een stompe hoek (ca. 135°) aan een lange houten steel (ca. 140-300 cm) door middel van een dille bevestigd. Soms is de steel in het midden van het blad bevestigd en er bestaan ook regelbare modellen (2). [MOT] (1) Larousse agricole: 1.501. ...
Capsuleklopper (m.)
De capsuleklopper (1) is een handwerktuig waarmee een capsule - d.i. een metalen dop met pinnetjes onderaan (2) - over de spon van een wijnton geplaatst wordt, zodat deze verzegeld is en klaar voor transport. Het is een houten langwerpige cilinder met onderaan een rond metalen (koperen) onderdeel dat met twee veren verbonden is met de rest van het werktuig. De diameter is afhankelijk van de grootte van het spongat. Bovenaan is er een beslagring aangebracht. De capsule wordt in het werktuig geplaatst, dat vervolgens over het spongat geplaatst wordt. Met een hamer klopt men op het werktuig en de capsule wordt in de ton gedreven. De capsule is groter dan het spongat en omsluit het dus. Het spongat is op deze wijze hermetisch afgesloten. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. (2) De capsule kan gemarkeerd zijn met het kenmerk (cijfer) van de verkoper of met motieven die met de wijnbouw te maken hebben zoals bv. een tros druiven. Gele capsules worden gebruikt voor...
Carrosserievijl (m.)
Een beschadigde carrosserieplaat wordt na het uitdeuken (zie uitdeukhamer) en het vertinnen met lood-tin (1) met de carrosserievijl in grof vijlsel afgeschraapt en in vorm gevijld om het schadelijke schuurstof bij het schuren te vermijden. Hij wordt tevens gebruikt bij het glad bijwerken van beschadigde spatbordplaten en het wegwerken van lasnaden. De carrosserievijl bestaat uit een dun stalen vijlblad, radiaal of diagonaal gefreesd, dat op een houder kan worden bevestigd. Deze kan gebogen of cirkelvormig zijn (2). Soms is de houder met een stelmoer aanpasbaar om het vijlblad hol of bol te zetten. Zie ook rasp voor hout. [MOT] (1) Ook wel smeertin genoemd. (2) Bv. Tech-term: 11.26.
Castreerschaar (v.)
Biggen worden meestal gecastreerd in hun eerste drie levensweken. Dat gebeurt op de volgende wijze: nadat er met een scalpel een incisie gemaakt is in de balzak - zodat de teelballen vrij komen te hangen - wordt de zaadstreng zodanig gedraaid totdat hij breekt. Bij jonge biggen gebeurt dat met behulp van enkele afklemtangen of zelfs met de hand. Bij biggen die al enkele maanden oud zijn, is de zaadstreng al relatief groot en gebeurt de castratie met een castreerschaar (1). Eén kaak ervan is rechthoekig (ca. 5 cm bij 1 cm) met een langwerpige uitsnijding die langs één zijde groefjes en langs de andere zijde een scherpe snede heeft, de andere kaak heeft een holronde snede. De kaken kunnen met behulp van een klemschroef aangeschroefd worden. Na de incisie wordt de zaadstreng met de kaken gevat, die hard dichtgeknepen en met de klemschroef vastgezet worden; men draait de tang enkele keren rond tot de zaadstreng breekt en vervolgens knijpt men ze volledig dicht opdat de testikel afgesneden wordt. Zie ook castreertang....
Castreertang (v.)
De castreertang (1) is een relatief zware (ca. 2-5 kg) tang met lange armen (ca. 30 cm) en een brede bek (ca. 8 cm) met sterk gebogen kaken, die gebruikt wordt om stieren te castreren. Eventueel bevindt er zich aan de onderzijde van één van de armen een U-vormige beugel die als steun op de knie gezet kan worden. Men plaatst de bek van de tang achtereenvolgens achter beide testikels - ter hoogte van de zaadstreng - en knijpt de tang gedurende een dertigtal seconden dicht. Na enkele dagen begint het scrotum te verschrompelen; de testikels verkleinen en sterven af. Zie ook castreerschaar. [MOT] (1) Zie BERTHELON.
Ceseel (o.)
Zware geheel metalen steenhouwersbeitel met dubbele vouw waarvan de hoek tussen 10° en 40° bedraagt, afhankelijk van de hardheid van de steen. De rechte snede is tussen ca. 3,5-12 cm en meer breed. Soms heeft het ceseel een houten hecht, gebruikt voor zachtere steensoorten (1). Na het steenoppervlak bewerkt te hebben met de bouchardbeitel of de bouchardhamer gebruikt de steenhouwer hoofdzakelijk een ceseel om te scharreren (2) en te frijnen. Dit is het steenoppervlak eerst ruw bewerken en daarna afwerken door het aanbrengen van ribben en (smalle) groeven waarbij deze bij het frijnen evenwijdig liggen en bij het scharreren niet. Hiervoor kan ook een vlecht worden gebruikt. In tegenstelling tot het bordijzer, waarmee men enkel langs de rand van het te bewerken vlak werkt, bewerkt men met het ceseel het hele vlak. De richting van het snijvlak wordt enigszins schuin t.o.v. de reeds bestaande rand geplaatst. [MOT] (1) BESSAC: 121. (2) Door JELLEMA: 47 ook schreren genoemd.
Champagnemesje (o.)
Met een champagnemesje kan men de kurk van de hals van een champagnefles loswrikken (1). Het is een mesje met houten hecht waar een kort (ca. 3 cm), bot en dik blad (ca. 5-7 mm) in steekt, dat eindigt in een gebogen punt. Deze punt wringt men tussen de verdikking van de kurk - die boven de rand van de hals uitsteekt - en de hals van de fles. Vervolgens beweegt men het mesje al wrikkend volledig rond de hals. Zo komt de kurk los en kan men hem gemakkelijk verwijderen. Een ander model champagnemesje, met vast blad, heeft tussen het hecht en de stompe punt nog een ruw snijvlak (ca. 4 cm) waarmee men voor het ontkurken eerst het halslood wegsnijdt. Het champagnemesje kan ook één van de onderdelen zijn van een kelnersmes dat ook een kurkentrekker en kort, scherp lemmet (ca. 4 cm) bevat. Zie ook champagnetang. [MOT] (1) LUCAS s.d.: 472 vermeldt dat men het champagnemesje tevens kan gebruiken om de muselet open te breken.
Champagneschaartje (o.)
De draad rond de kurk van een champagnefles knipt men door met een champagneschaartje. De kaken zijn zeer kort, aangezien de draad tegen de fles zit en men dus niet veel speling heeft tussen de draad en de fles. Het champagneschaartje maakt soms deel uit van de champagnetang. [MOT]
Champagnetang (v.)
Men kan het stopsel van een champagnefles makkelijk losdraaien met een champagnetang. De smalle kaken met vrij grote tanden grijpen de kop van de kurk. Soms zit de opening achter de draaispil en vinden we vooraan een champagneschaartje om de muselet, d.i. de draad rond de kurk, door te knippen. Een ander model heeft een 4-tal cm boven de kaken 2 beugeltjes om de kurk te houden als hij eruit komt. Zie ook champagnemesje. Te onderscheiden van de wasbreektang waarmee men de was van een verzegelde fles breekt. [MOT]
Chaquitaclla (v.)
De chaquitaclla (1) (spreek uit tsja-ki-tak-li-ja) is een typisch landbouwwerktuig in het Andesgebergte van Zuid-Peru en Noord-Bolivië. De man gebruikt ze om braak liggende grond te bewerken door de kluiten te doen kantelen - zoals met de Spaanse laya-, waarna de vrouw de aardappelknollen poot met de hand (2). Niet zelden werkt een vijftal mannen naast elkaar; dan doen ze in één keer een hele reep kantelen. De chaquitaclla evolueerde van een graafstok naar een werktuig met een scherp metalen uiteinde, een gebogen of recht handvat, en een voetsteun. Het is ongeveer 1 à 1,5 meter lang en heeft een diameter van ongeveer 6 cm. De voetsteun bestaat uit twee stokken van ca. 20 cm lang die evenwijdig met elkaar zijn vastgesnoerd op ongeveer 45 cm hoogte. Het houten handvat is aan de steel vastgebonden met repen van lama- of runderleer. Wanneer op steile hellingen wordt gewerkt, is een lager geplaatst handvat -dicht bij de voetsteun - handiger om in evenwicht te blijven. De steel past in de dille...
Chocoladevorm (m.)
Met een chocoladevorm kan men, naast gewone chocoladetabletten, ook holle chocoladefiguurtjes maken. Om chocoladetabletten te maken wordt de gesmolten en getempereerde chocolade (d.i. op de werktemperatuur van 25-30° brengen door bijvoorbeeld een gedeelte van de massa op een marmerblad uit te spreiden en met een spatel te doorwerken) in stukken verdeeld en met de hand gekneed om de lucht te ontrekken. Dan spreidt men de chocolade, in de voorverwarmde vormen, gelijkmatig met de hand of met een papieren tampon en laat het geheel trillen waardoor luchtblaasjes naar het oppervlak komen, die men openprikt. Men strijkt het geheel glad en laat het afkoelen. Door de krimp van de chocolade komt hij makkelijk uit de omgedraaide vorm, eventueel door een lichte diagonale buiging ervan. Op dezelfde wijze kan men ook andere figuren maken, zoals blaadjes, waarvan de vorm een metalen plaatje (ca. 15-40 cm lang; ca. 10-15 cm breed) is waar een reeks gelijke figuren zijn ingedrukt. Holle chocoladefiguurtjes...
Cichoreirooivork (v.)
De cichorei (Chicorium intybus L. var. foliosum) kan met behulp van een spade, een vork of een ploeg gerooid worden (1), maar ook met een bijzonder hulpmiddel, de cichoreirooivork. Ze heeft twee korte (ca. 25 cm) tanden die in het midden uit elkaar gebogen zijn - de afstand tussen de tanden is ca. 2 cm - en die bevestigd zijn aan een korte, houten T- (2) of D-steel (ca. 30 cm).  De cichoreirooivork wordt achter de plant in de grond gestoken. Door de steel van de vork naar achter te drukken kan men de wortel van de plant gemakkelijk uit de grond trekken. Zie ook bietenrooivork, uitzetvork. [MOT] (1) SIMON: 13. (2) Soms steekt de steel niet in het midden van het handvat (zie MOT V 2012.0554).
Citroenknijper (m.)
Men gebruikt de citroenknijper om halve schijfjes of partjes citroen uit te persen. Vooral bij de thee wordt deze tang samen met het schijfje citroen aangeboden. Men plaatst het schijfje tussen de kaken van de tang en drukt de armen dicht. Het sap loopt via het gootje in het kopje. Meestal is deze tang van metaal. Net als de citrusboor dient hij om slechts enkele druppels sap te bekomen. Zie ook citruspers. [MOT]
Citrusboor (v.)
Kleine (ca. 6-8 cm lang), buisvormige boor van plastic of aluminium, eventueel met een trechtervormig uiteinde met schenktuitje, dat in een sinaasappel of citroen gedraaid wordt. Wanneer men nu daarin knijpt, loopt het sap uit het buisje. Het is net als bij de citroenknijper de bedoeling om slechts enkele druppels sap te bekomen. Om meer sap te bekomen gebruikt men een citruspers. [MOT]
Citruspers (m.)
Een citruspers dient om het sap uit citrusvruchten te persen, zonder dat er ook pulp, merg en pitten meekomen. Er bestaan verschillende modellen. Zo is er de tangvormige citruspers. Soms is ze van hout of porselein gemaakt, maar meestal is ze van metaal. Afhankelijk van het model kan men kleine of grotere stukken fruit persen. Vooral bij de kleinere stukjes dient men het fruit eerst te schillen. Het sap loopt via gaatjes of een gootje in de gewenste recipiënt. De citruspers kan ook bestaan uit een geribbelde perskegel in een glazen schaaltje. De halve vrucht wordt op de perskegel gedrukt en heen en weer gedraaid. Opstaande tandjes zorgen ervoor dat de pitten niet in het sap, dat in het gootje eronder loopt, komen. Aan de zijkant zit een schenktuitje om het sap over te gieten. Een ander model is een houten perskegel met recht hecht die - boven een recipiënt - in de halve vrucht geduwd wordt. Door er heen en weer mee te draaien, wordt het sap eruit geperst. Een ander model...
Citrusschiller (m.)
Mes met een langwerpig, naar het uiteinde toe lichtjes gebogen en afgerond blad dat net boven het hecht een U- of V-vormig scherp uitsteeksel heeft. Met dat snijgedeelte wordt de schil ingesneden. Vervolgens duwt men het blad langs de insnijding onder de schil en trekt men deze volledig los van de vrucht. Het mes kan ook in de plaats van een blad een stevige staaldraad hebben die in een U-vorm gebogen is. Een ander model bestaat uit een langwerpig, naar het uiteinde toe lichtjes gebogen en afgerond blad dat geen scherp uitsteeksel heeft maar aan weerszijden een kartelrand heeft om de schil in te snijden (1). Oudere modellen bestaan volledig uit metaal en hebben een halfcirkelvormig spateltje en een haakje aan het uiteinde. Met het haakje wordt de schil ingescheurd en met het spateltje wordt de schil losgetrokken. Zie ook zestemes. [MOT] (1) De complete keuken: 8.
Combinatietang (v.)
De combinatietang is een samengesteld werktuig dat verschillende taken kan uitvoeren. De bek kan ronde en vlakke stukken grijpen. Vaak zijn volgende werktuigen toegevoegd: een draadknipper, een draadkniptang, een draadstriptang, een schroevendraaier, een ruimer en soms een splitpentrektang, moertang of een rondbektang. De armen zijn al dan niet geïsoleerd. Op een model komen een combinatietang en een kopkniptang samen voor doordat beide armen van de tang 180° rond de draaispil kunnen draaien. Zo kan steeds één van de twee werkende delen gebruikt worden. [MOT]
Comedonendrukker (m.)
Lepelvormig werktuig dat de arts gebruikt om een comedo of meeëter te verwijderen. De comedonendrukker wordt met het gaatje (ca. 2-3 mm), dat zich in het midden van de lepel bevindt, rond de comedo geplaatst. Door het werktuig voorzichtig tegen de huid aan te drukken komt de meeëter te voorschijn (1). Sommige modellen zijn voorzien van een miliënmes. Het werktuig is te onderscheiden van een balsteker. [MOT] (1) Volgens STAFFE: 162 kan men de comedo ook wegnemen met de vingers.
Controletang (v.)
De controleur ontwaardt het ticket door er een figuur in te drukken of er een stukje papier uit te drukken. De kaken zijn aangepast aan het doel. Beide tangen worden verder besproken. De stempeltang heeft een kaak met een spleet waarin men het kaartje stopt. De andere kaak is een staaf met stempel, die door de wand van de spleet het kaartje tegen de andere wand drukt en er een figuur in drukt. Er bestaat ook een stempeltang om officiële stempels in papier te drukken.  De tang om een uitsnijding in de rand te maken heeft een grote vlakke steunkaak met een uitsparing waarin de andere kaak past. Wanneer men de tang dichtknijpt, duwt de kleine scherpe kaak het papier tegen de grotere steunkaak en knipt de figuur uit het papier. Hetzelfde principe zien we bij de tang die een gaatje in het ticket knipt. De kaken bestaan uit een priem en een holle steun. Wanneer men nog meer gegevens op de kaart wenst aan te brengen, combineert men de controletang met de stempeltang. [MOT]
Conussleutel (m.)
Dunne (ca. 2 mm) steeksleutel met een bek tussen 13-28 mm om de conussen van rijwielassen los- of vast te draaien, om ze af te stellen om speling op je wielen te voorkomen of lagers aan te passen of om te demonteren voor onderhoud. Met de conussleutel is het gemakkelijk om tussen de naaf en het frame van fiets of motorrijtuig te komen. Vaak is het een gecombineerd werktuig met een ringsleutel, pensleutel, haaksleutel of bv. een opening voor een inbussleutel. Er bestaan ook dubbele modellen. [MOT]
Cultivator (hand) (m.)
Tuingereedschap dat bestaat uit een meestal 130-150 cm lange (1) houten steel met drie tot vijf - maar steeds in een oneven aantal - gebogen ijzeren tanden om de grond open te werken en om te woelen. Het werkend deel (ca. 10 tot 25 cm breed) kan vast of verwisselbaar zijn. In het laatste geval kan men het aantal tanden kiezen. De punten van de tanden zijn ovaal of driehoekig afgeplat. In tegenstelling tot de krabber wordt met de handcultivator de vaste onderliggende grond, met de scherpe platte punten en door zijn trekkende beweging enigszins omhoog gehaald en opengewerkt. De middelste tanden van een handcultivator zijn iets korter zodat de kluit kan worden verkruimeld. Te onderscheiden van de klauw met lange steel die smaller is en vooral dient om de grond oppervlakkig te breken. Zie ook sleepcultivator (hand) en handschoffelmachine. [MOT] (1) Volgens JACKSON: 339 kan de steel ook kort (25-90 cm) zijn.
Daimborstel (m.)
Met een daimborstel verwijdert men het oppervlakkige vuil van kleren of schoenen van daim door voorzichtig over de vlek te borstelen. Men wrijft er ook de haartjes weer mee recht. Borstel met lederen toefjes (ca. 1 cm lang) of rubberhaar, eventueel gecombineerd met nylonhaar of koperdraadjes. Deze laatste dienen om hardnekkig vuil te verwijderen. De smalle rubberen rand kan geribbeld zijn om aan moeilijke plaatsen te kunnen. [MOT]
Dakpantang (v.)
Soms moet de dekker een stukje van een dakpan verwijderen om ze te kunnen leggen. Dat doet hij vaak met een troffel (zie metselaarstroffel), hoewel dat geen ideale behandeling is voor dat werktuig. Sommige dekkers gebruiken dan ook een tang die lijkt op een grote trektang. De dakpantang heeft echter smallere kaken, die niet volledig sluiten doordat een stang tussen de armen ze op een bepaalde afstand van elkaar houdt. Vaak eindigt één arm in een haak om de tang aan een lat van het dak te kunnen hangen wanneer men ze niet hanteert. Zie ook tegeltang en marmertang. [MOT]
Dassenpers (v.)
Een das is steeds verkreukt daar waar men de knoop legt. Om deze kreuken eruit te krijgen, kan ze tussen een dassenpers gelegd worden. Die bestaat uit twee plankjes (ca. 25 cm bij 10 cm) waarvan de onderlinge afstand door middel van twee schroeven geregeld kan worden. Men stopt de das tussen de plankjes, de schroeven worden aangedraaid en zorgen zo voor de nodige druk; de das zal mooi glad geperst worden. Zie ook broekpers. [MOT]
Decorateurstang (v.)
Een decorateurstang is een samengesteld werktuig om zoveel mogelijk handelingen met één werktuig te kunnen uitvoeren. Deze tang bestaat uit een trektang, een fitterstang, een draadknipper, een hamer, een bijl, een koevoet en een schroevendraaier. [MOT]
Deegradertje (o.)
Met een deegradertje kan men reepjes uit dunne lappen deeg snijden. Het bestaat uit 1 à 2 koperen, porseleinen, houten of benen snijwieltje(s) (ca. 3-5 cm doorsnede) - al dan niet met een gegolfde snede - bevestigd in een hecht (te onderscheiden van het pizzawieltje). Het wieltje moet goed snijden zodat het deeg niet scheurt of uitrekt; er moet dus weinig druk op uitgeoefend worden. Het moet ook makkelijk in bochten kunnen snijden. Zie ook deegsnijrol. [MOT]
Deegrol (m.)
Met een deegrol wordt deeg vlak uitgerold.  Het is een gladde, plastic of hardhouten - uitzonderlijk glazen of porseleinen - cilinder (ca. 3-7 cm doorsnede; ca. 35-70 cm lang) die aan de twee uiteinden eventueel rechte of knopvormige handvatten heeft. In plaats van een rechte cilinder kan hij ook smaller toelopen naar de uiteinden toe. Hij moet zwaar genoeg zijn (ca. 500 gr) om dik deeg met lichte druk uit te rollen. De rol kan ook om een pen draaien, waaraan aan weerszijden de handvatten bevestigd zijn. De pen kan van hout of metaal zijn en is soms voorzien van kogellagers. Er bestaan ook deegrollen waar motieven in uitgespaard zijn en waarmee deeg gedecoreerd kan worden.  Nog een ander model heeft een reeks diepe ribbels; deze wordt gebruikt bij de bereiding van slot, d.i. een havermoutschotel met karnemelk uit Wales (1), of eveneens om deeg te decoreren. [MOT] (1) CAMPBELL: 112.
Deegsnijder (m.)
Met een deegsnijder kan men van bloem en stukjes boter, zonder dat dit mengsel warm wordt, snel een kruimelige massa maken voor bv. korst- of kruimeldeeg. Hij bestaat uit zes relatief buigzame stalen draden die in een U-vorm gebogen zijn; tussen de uiteinden bevindt er zich een houten of plastieken handgreep die soms voorzien is van een duimsteun. Door de deegsnijder op en neer te bewegen in de massa worden de ingrediënten vermengd en de stukjes boter of vet fijn verdeeld. In de plaats van de draden kunnen er ook verschillende stalen messen met gebogen snede aanwezig zijn. Deze zijn onbuigzaam en dus beter geschikt om harde brokken vet door te snijden. Zie ook deegsteker. [MOT]
Deegsnijrol (m.)
Met een deegsnijrol snijdt de bakker in één keer verschillende reepjes uit een dunne lap deeg. Het is een lange cilinder (ca. 75-85 cm) met aan beide uiteinden een recht hecht en snijwieltjes op gelijke afstand van elkaar. Bij een ander model kunnen de snijwieltjes als een soort harmonica uit elkaar getrokken worden (1); de afstand tussen de snijwieltjes is dus regelbaar. Zie ook deegradertje en figuursteker. [MOT] (1) Dit model wordt ook wel Jan-hagelsnijder genoemd (FENNEMA: 235).
Deegsteker (m.)
Bakkersgereedschap dat bestaat uit een rechthoekig (roestvrij) stalen blad - eventueel met één of twee afgeronde hoeken - dat aan de bovenzijde gevat is in een hecht uit hout of plastic. De deegsteker wordt gebruikt om het brooddeeg te verdelen en om de deegresten samen te schrapen. Het handwerktuig wordt soms ook gebruikt om ingrediënten door het deeg te mengen. Zie ook trogschraper, deegsnijder. Te onderscheiden van het schaafmes (steenbakker). [MOT]
Dekkersbijltje (o.)
Het dekkersbijltje is een licht bijltje - te onderscheiden van de leidekkershamer- van ca. 750 gr met oog en met rechte, betrekkelijk dunne steel (ca. 30 cm), waarvan het ijzer, bevestigd door één of twee veren, tegenover het blad in een vierkantig hamertje eindigt. De bovenzijde van het blad is doorgaans recht. In de onderzijde is dikwijls één (soms twee) inkeping(en) gesmeed om nagels uit te trekken. De snede is recht. Soms is heel het werktuig, steel inbegrepen, van metaal; het uiteinde van de steel wordt dan in lederen schijfjes gestoken of in een houten hecht. Deze vormen schijnen in onze streken echter weinig voor te komen. [MOT]
Dekkersdisseltje (o.)
Het dekkersdisseltje is een kleine, licht gebogen dissel van ca. 1 kg, met hamer, door de dekker gebruikt om met de hamer latten vast te nagelen en met de dissel een keep in de sporen te houwen, latten recht of op lengte te hakken enz. Het werktuig is te onderscheiden van het pannendekkershamertje (1) van ca. 500-800 gr met een licht gebogen afgeschuinde pen om pannen te houwen, en van de kaphamer (2) van de metselaar, die erop gelijkt. Beide laatste werktuigen hebben een langere steel. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Fr.: martelet. (2) POLLING: 29. Fr. frelet (ook gurlet: N.L.I.).