ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 101 - 150 1,387 resultaten gevonden
Vuist (metselaar) (v.)
Een vuist is een stalen hamer (ca. 1-2 kg) met twee vierkante, vlakke banen waarvan de hoeken meestal zijn afgeschuind, en korte (ca. 20 cm) steel. De metselaar gebruikt de vuist voor sloopwerk. Hierbij slaat hij met de hamer op het breekijzer. Te onderscheiden van de moker die zwaarder is en een langere steel heeft. [MOT]
Vouwbeen (o.)
Langwerpig (ca. 15-20 cm lang; ca. 2-3 cm breed; ca. 0,5 cm dik) meestal benen, maar eventueel ook hoornen, houten (1) of ivoren werktuig met afgeronde randen en waarvan één korte zijde spitser is dan de andere. Het vouwbeen wordt hoofdzakelijk gebruikt om vouwen of plooien te wrijven in papier of leder. Het model uit buxus wordt vooral gebruikt voor het vouwen van vellen die uit de bedrukking komen (2). Het benen vouwbeen wordt door de boekbinder gebruikt om de hoekjes en randen van de omslag van een boek plat te strijken en om de vouw in de rug aan te drukken (3). Het is van been omdat dit materiaal geen blijvend vouwteken achterlaat in het papier of het leder. Volgens FRUMEAU: 55 is het vouwbeen ook geschikt om als griefpasser te gebruiken (4). Zie ook briefopener en likbeen. [MOT] (1) KIEL: 127; "Een vouwbeen is gemakkelijk te maken uit een hardhouten latje (eiken, beuken of bij voorkeur esdoorn) ..." (2) CHANAT: 25. (3) Ook bij het omboeken. Dit is het omvouwen en vlak kloppen of...
Wafelijzer (o.)
Vroeger bakte men wafels met twee soorten wafelijzers. Het éne is een vrij grote tang (ca. 35-100 cm lang) met gekruiste armen en een bek met platte, rechthoekige of ronde kaken (ca. 13-27 cm breed); bij het andere hebben de kaken opzij een scharnier zodat ze als een boek opengaan. De grootte van de bek varieert en de kaken kunnen aan de binnenzijde vlak of met vierkantige nopjes bedekt zijn, respectievelijk om dunne, vrij harde wafels en dikke, zachte wafels te bakken. Bij sommige wafelijzers met rechthoekige kaken is het mogelijk om twee wafels tegelijk te bakken. In de kaken kunnen ook motieven uitgespaard zijn, bv. om hartvormige wafeltjes te bekomen. Het tangvormig wafelijzer werd op een drievoet boven het vuur geplaatst; het andere model in een steun op de kachel gelegd. De armen hebben vaak een ring- of knopvormig uiteinde; soms is één van de armen voorzien van een ovaal, scharnierend oog of slot om beide steeleinden te kunnen samen hechten. Zie ook het hostie-ijzer en tosti-ijzer....
Veegmes (hoefsmid) (o.)
Met een veegmes steekt de hoefsmid het hoorn van een paardenhoef af. Het bestaat uit een hecht op een betrekkelijk lange (ca. 10-30 cm) ijzeren stang, die in een blad eindigt waarvan het haakse uiteinde scherp is. Om te vermijden dat de vingers tegen de hoef stoten, liggen hecht en blad niet in hetzelfde vlak; de stang kan haaks, zacht gebogen of S-vormig gesmeed zijn. Het gedeelte van de stang, waarop het hecht bevestigd is, is soms uitgesmeed als steun voor de duim van de smid, en als haak om het werktuig tegen te houden. Er bestaan ook veegmessen met een U-vormig handvat en - minder courant - met een gesloten handvat. In dat laatste geval is de stang met het blad en het hecht ook achteraan verbonden. Lengte en breedte van het blad verschillen, op sommige modellen zijn opstaande randen gesmeed. Er bestaan ook veegmessen waarvan het blad d.m.v. een schroef met het hecht verbonden is, wat het slijpen vergemakkelijkt en het vervangen mogelijk maakt. Een bijzonder model is het veegmes met...
Verfroller (m.)
Rol in een beugel waarmee men zowel ruwe als gladde, grote vlakken gemakkelijk en snel kan verven. Er bestaan ook verfrollers waarmee men structuur op de pas geverfde muur kan aanbrengen. De rol kan in verschillende afmetingen (breedte ca. 7-25 cm; diameter ca. 2,5-10 cm) en uit verschillende materialen (bv. wol, geitenhaar, microvezels, nylon, polyester, schuimrubber, …) bestaan afhankelijk van de soort verf die men gebruikt en het materiaal (hout, pleister, baksteen, …) waarop men schildert. Ook de lengte van de haren wordt hierdoor bepaald. De rol heeft een verende kern uit (schuim)plastic (1) die soms uitneembaar is. De beugel kan U-vormig zijn en is dan aan beide zijden van de rol bevestigd. Hij kan ook S-vormig zijn waarbij het uiteinde in één zijde van de cilinder steekt. [MOT] (1) "zodat bv. uitstekende nagels en boutkoppen zonder nabehandeling met één verflaag bedekt worden." (JELLEMA: 138).
Vuurzweep (v.)
De vuurzweep is een handwerktuig dat de brandweer gebruikt om een lopend vuur in gras, heide, enz. al kloppend te doven. Het vervangt de gewone twijgen die vroeger gebruikt werden. De vuurzweep bestaat uit een 10-tal soepele ijzeren banden die waaiervormig in een houder zijn geklemd waarin een lange houten steel (ca. 200 cm) steekt. Te onderscheiden van de palingschaar. Zie ook zwabber. [MOT]
Vingerstok (m.)
Langwerpige (ca. 30 cm), monoxiele conische stok met een recht hecht - te onderscheiden van de krulstok - die gebruikt wordt om de vingers van handschoenen uit te rekken en te verbreden, bv. na het wassen. Voor hetzelfde doeleinde kan ook een handschoenrektang gebruikt worden. [MOT]
Vuurschopje (smid) (v.)
Het vuurschopje is een ijzeren schopje (lengte ca. 75 cm; breedte ca. 12 cm) met meestal vlak blad en ijzeren steel, waarmee de smid de kolen samenbrengt en het te warmen stuk dekt. Vaak is het handvat opengewerkt. Zie ook asschop en vuurschop (stoker). [MOT]
Wagenmakerspasser (m.)
De wagenmakerspasser is een zes-kantig houten blok waar, in elk vlak, drie ijzeren punten steken. Met deze passer tekent de wagenmaker de diameter van de naven af. [MOT]
Zuigerveertang (v.)
Wanneer de dunne, veelal uit gietijzer vervaardigde zuigerveren van de zuiger van een verbrandingsmotor vervangen moeten worden, gebruikt men een zuigerveertang om ze geleidelijk en regelmatig over de hele omtrek te buigen zodat ze gemakkelijk over de zuiger geschoven kunnen worden; trekt men alleen de einden uit elkaar, dan zal de veer enkel maar buigen aan de tegenovergestelde zijde zodat de kans op breuk hierbij zeer groot is. Eén model heeft een paar nokken op zijn bek, die eerst achter de rand van de zuigerveer (50-100 mm) grijpen. Drukt men de handgrepen naar elkaar toe, dan krijgt de veer eerst steun op de zijkanten en zet daarna uit. Een ander model is voorzien van twee veren die de tweeledige bek met messingen uiteinden - om de zuigerveer niet te beschadigen - bijeenhouden. De zuigerveer wordt door de uiteinden op twee plaatsen vastgegrepen door de armen lichtjes toe te duwen. Bij het verder dichtknijpen, gaan de twee kaken verder uit elkaar zodat de zuigerveer uitzet. [MOT]
Zwingelmes (o.)
Nadat het vlas met de bookhamer gebraakt is, wordt het gezwingeld. Daarvoor heeft men een zwingelmes en een zwingelbord nodig. Het zwingelmes is een langwerpige houten spaan uit beuk, es of notelaar van ca. 30 à 40 cm lengte (1). Het heeft een aangescherpte snijkant en een houten handvat. Bij een ander model is boven de houten spaan een schuine opstaande lat aangebracht, zodat het vlas een dubbele slag wordt gegeven. Het zwingelbord is een lange rechtopstaande brede plank. Op ongeveer 1 m hoogte is de plank diep uitgezaagd. Het vlas wordt met de linkerhand in die uitsparing gehouden en met het zwingelmes in de rechterhand bewerkt. Door met het zwingelmes op het vlas te slaan, komen de houtachtige stengeldelen of lemen uit het vlaslint los. De bewerking werd gemechaniseerd door de zwingelmolen, d.i. een rad waarop 8 à 12 zwingelmessen zijn bevestigd dat door een zwengel of tredmolen wordt aangedreven. Zie ook zuiverhekel. [MOT] (1) STARA-MORAVCOVA: 88 onderscheidt een ovalen en een trapezoïdale...
Zuiverhekel (m.)
Het gezwingelde vlas (zie zwingelmes) of de hennep (1) wordt gezuiverd, d.i. ontdoen van knopen en de nog laatste achtergebleven lemen en klodden (korte en zwakke vezels), door de vezels door de tanden van de grove hekel, ook voorhekel genoemd, en daarna door een fijnere hekel te trekken. Beide bestaan uit een schuin (ca. 80°) opgestelde houten plank voorzien van een 5-16-tal tanden (ca. 8-12 cm lang) (2) die geschrankt staan. De plank, soms voorzien van een uitsparing om de voet door te steken, is aan een (houten) voetplank bevestigd. Ook in de vorm van een hekelplank of -bank (3). Te onderscheiden van de spinhekel waarbij de vezels worden gekamd juist voor ze gesponnen worden. Zie ook de repelkam. [MOT] (1) De zuiverhekel voor het vlas zou fijner zijn dan die voor de hennep (WEYNS uit Ons heem 26 (1972) 3: 101). (2) ELOY: 322, meldt een (hennep)hekel met ca. 40 pinnen met een lengte van ca. 16 cm lang. (3) Bv. DEWILDE 1983: 380.
Zwiktang (v.)
Bij het maken van een schoen spant de vakman het leer om de leest en spijkert het vast met een zwiktang. De bek is binnenin geribd en soms gebogen om een betere greep te bekomen. De schoenmaker trekt het leer aan met de tang en houdt het stuk even tegen met zijn linkerhand. Hij opent de tang en gebruikt de hamer van de bek om de spijkers in te slaan. Net als bij de spantang van de schilder is één of beide kaken dikker om als hamer te dienen. Bij sommige modellen is de hamer op de kaak geschroefd. De zwiktang is dus een samengesteld werktuig. Ze is ook verwant aan de singeltang van de stoffeerder. [MOT]
Zuigergroefreiniger (m.)
De zuigergroefreiniger is een handwerktuig om de groeven of gleuven van een zuiger in een motor te reinigen. Daartoe monteert de garagist een vervangbaar wieltje, met vier of meer uitsteeksels die koolstofafzettingen uit de groeven schrapen. De ronde vorm van de bek is passend om het werktuig rond de zuiger te klemmen. Zie ook de zuigerveertang. Hoewel zijn vorm enigszins gelijkt op een diktepasser, is het geen passer. [MOT]
Zeeprasp (v.)
Vlakke rasp uit plaatijzer (ca. 25-35 cm lang; ca. 10-12 cm breed), soms met een houten omlijsting, waarin vrij grote gaten uitgeprikt zijn en die gebruikt wordt om bruine zeep te raspen voor zeepsop. Op een vlakke keukenrasp met raspvlakken met gaatjes van verschillende grootte, treft men soms een raspgedeelte aan voor zeep. [MOT]
Zodenlichter (m.)
Handwerktuig vervaardigd uit een metalen blad (ca. 25 x 25 cm) van verschillende vorm - driehoekig, zeshoekig, druppelvormig, halvemaanvormig, hartvormig - dat overgaat in een gebogen plat ijzeren verlengstuk (ca. 30 cm), al dan niet voorzien van een ring, en dille waarin een rechte of licht gebogen houten knop- of T-steel (ca. 100-150 cm) steekt. Het blad ligt dus evenwijdig met de grond terwijl de steel een hoek van ca. 135° met het werkend deel vormt. Soms is het model veel zwaarder. De steel is dan veel langer en eindigt in een 50-60 cm brede T-kruk, die op de dij (bovenbeen) van de werkman rust (1). De zodenlichter dient om de zoden (ca. 30 x 15 cm en 10-12 cm dikte), die met een zodensteker of zodenbijl verticaal zijn doorgestoken of met een zodensnijder zijn doorgesneden, van de bodem los te steken en op te lichten door het werktuig voor zich uit te duwen. Vaak trekt een tweede arbeider door middel van een touw. (2) De zoden worden onder meer door de dijkwerker en het leger gebruikt...
Metselaarshouweeltje (o)
Het metselaarshouweeltje (1) is een handwerktuig dat door de metselaar en stukadoor voor allerlei werk wordt gebruikt; bv. om voegen uit te kappen, om gaten en sleuven in metselwerk te maken, om oude pleisterlagen te verwijderen en om de rand van pleisterwerk schoon te hakken om er nieuw pleisterwerk op te doen aansluiten. Het werktuig verschilt van de kaphamer en van andere houwelen door zijn formaat en door de twee bijlvormige snedes, die meestal haaks op elkaar staan, zoals bij een polka, waarmee hij vaak wordt verward. Het metselaarshouweeltje is lichter (400-800 gr, max. 1 kg) en de steel is kort (ca. 35-40 cm). Het blad met de snede haaks op de steel is licht naar beneden gericht of gebogen, waarmee het zich onderscheidt van de bikhamer. [MOT] (1) Eigen benaming. In het Frans is de term décintroir algemeen verspreid. Soms wordt kaphamer gebruikt maar het gaat niet echt om een hamer. GROOTAERS L. Schoolwoordenboek sv décintroir geeft bikhamer en metselhamer als vertaling.
Metaalzaag (v.)
Handwerktuig met een smal (ca. 1-2,5 cm), stalen zaagblad met heel fijne tandjes, ofwel bevestigd aan een handvat ofwel - wat vaker voorkomt - in een beugel. Het handvat kan recht zijn of de vorm hebben van een open of gesloten pistoolkolf. De vertanding, die van het handvat weg gericht staan, hangt af van het soort metaal dat gezaagd moet worden: hoe dunner of hoe harder het materiaal, hoe fijner de tanden moeten zijn. De beugel is soms verstelbaar om diverse bladlengten te kunnen gebruiken. Er bestaat ook een klein (ca. 10 cm) zakmodel met schroef waarbij het blad tegen het handvat kan gedraaid en vastgezet worden. [MOT]
Mijnwerkersbijl (v.)
Met zijn bijl (1) bewerkt de mijnwerker al het mijnhout. Het is een handwerktuig van ca. 1-1,2 kg met meestal gebogen steel (ca. 40 cm), waarvan de snede (ca. 6 cm; het geklonken ijzer is breder: ca. 9 cm) (2) schuin tegenover de steel ligt. Het ijzer is van één of twee stukken gemaakt. In het eerste geval is het asymmetrisch bovenaan (zie glossarium) en eindigt het soms tegenover het blad in een vierkantige hamer. In het ander geval is een rechthoekig blad aan een U-vormig stuk geklonken. Dat laatste dient als oog. [MOT] (1) Het Franse dialectwoord (h)apiète, gebruikt door FELLER & TOURET: 79 en RUELLE: 8, duidt niet alleen de mijnwerkersbijl aan. Zie bv. BAL 1949: 112. (2) Brede bijlen (bv. HATON DE LA GOUPILLIERE: 1.646, die van 17 cm spreekt) zijn uitzonderlijk. Op te merken valt dat de bijlen voor mijnwerkers, afgebeeld in oude handboeken, soms gewone bijlen zijn.
Metselaarstroffel (m.)
Handwerktuig dat dient om mortel te mengen, te scheppen en uit te strijken over stenen, muren, vloeren, plafonds, enz. Het wordt ook gebruikt om stenen af te hakken en om tijdens het voegen de afvallende mortel op te vangen. Het bestaat uit een afgerond of puntig metalen blad dat met een omgebogen steel aan een kort recht handvat bevestigd is. Het blad is meestal vrij groot (ca. 16-19 cm/10-15 cm), dit in tegenstelling tot het blad van de pleistertroffel. [MOT]
Moertang (v.)
Moeren kan men aan- of losdraaien met een moertang. De kaken zijn aangepast aan de vorm van de moer. Ze grijpen de moer op vier van de zes vlakken. Anders dan bij de moersleutels bewegen de kaken niet parallel. Soms zijn ze aan de binnenzijde geribd voor een betere grip en kan men de opening fixeren met een stelschroef. Men kan dan de tang niet verder sluiten dan de schroef het toelaat, zodat men geen te grote druk op de zijvlakken van de moer kan uitoefenen en ze daarmee zou beschadigen. Zie ook combinatietang. [MOT]
Mijnwerkerszaag (v.)
Hoewel vooral de mijnwerkersbijl voor het beschoeien van de mijngangen gebruikt wordt, wordt daarvoor ook soms een zaag gebezigd. Het is een vouwbare zaag met stijf, op het einde afgerond blad (ca. 35-45/4-5 cm). Dat blad is door middel van een spil op een recht hecht van dezelfde lengte bevestigd. Voor het vervoer komen de tanden in de gleuf van het hecht. Soms echter is het blad vast. Het hecht is dan korter en de zaag wordt in een houten koker gedragen. [MOT]
Miniatuurbeitel (m.)
De miniatuurbeitel wordt hoofdzakelijk gebruikt door de beeldhouwer (steen) om kleine stukjes steen weg te slaan of voor het aanbrengen van het fijnere detailwerk. De steenhouwer gebruikt de miniatuurbeitel veelal voor detailwerk, bijvoorbeeld om (holle) sierlijsten vorm te geven en bij te werken. De miniatuurbeitel is een fijne geheel metalen beitel (ca. 16-23 cm lang) met soms zeer smalle (ca. 4-30 mm) (1) afgeronde snede. Hij is te onderscheiden van sommige modellen bordijzers waarvan de hoeken afgerond zijn. [MOT] (1) Volgens ''Taille de la pierre'': 58; volgens ROCKWELL: 43 is de gebogen snede ca. 0,5-2 cm lang.
Metaalponstang (v.)
In metalen platen drijft men een gat met een doorslag. Voor dunne platen (tot 0,5 mm) kan men de metaalponstang gebruiken. Deze lijkt sterk op de holpijptang, maar de holpijp is vervangen door een verwisselbare hippel, d.i. een stalen cilindervormige pen (diam. ca. 1-8 mm). Het materiaal is immers vaak te hard voor een holpijp. Op de andere kaak zit een holle cilinder waar de hippel in past. Een bladveer opent de tang automatisch. Voor bijzondere bewerkingen zoals bijvoorbeeld het ponsen van spatborden maakt men gebruik van een spatbordponstang. [MOT]
Middentrekker (m.)
Met de middentrekker kan een lijn in het midden van smaller wordende balken getrokken worden (1). Het werktuig bestaat uit een plankje van zo'n 30 x 12 cm met een brede inkeping; in het midden van die inkeping steekt een nageltje. Wanneer twee tegenovergestelde hoeken van de inkeping tegen de randen van een spits toelopende balk gehouden worden, krast de punt een lijn in het midden van de balk. Een variante hiervan bestaat uit twee latjes die op een dwarslat scharnieren, waarin het nageltje steekt. Zie ook kruishout. [MOT] (1) Zie VAN KEIRSBILCK 1898: 245.
Miliënmes (o.)
Handwerktuig dat de arts gebruikt om een miliën (1) of een comedo te verwijderen zonder de huid te beschadigen. Met de scherpe punt van het mesje wordt een miniopening gemaakt om de hardere korreltjes makkelijker te kunnen verwijderen, eventueel met behulp van een comedonendrukker. [MOT] (1) Miliën zijn kleine onderhuidse hoornpropjes in het gelaat, ook wel gerstekorrel genoemd (V.D.).
Oliesteen (m.)/Watersteen (m.)
Scherp gereedschap kan op een oliesteen of een watersteen geslepen worden. Beide kunnen van natuur- of van kunststeen (1) zijn. De oliesteen is op het eerste zicht niet te onderscheiden van de watersteen. Oliesteen wordt tijdens het gebruik steeds geolied; watersteen wordt gebruikt met water, kunstwatersteen moet zelfs 10-20 minuten onder water gedompeld worden (2) voor men hem gebruikt. Water of olie, beide een smeermiddel, verwijdert de afgesleten deeltjes en bewaart het schurend effect van de steen. Om het breken te voorkomen en om de steen te kunnen bevestigen, ligt hij vaak in een houten houder, al dan niet met deksel (3). Door middel van twee of drie licht uitstekende nageltjes wordt het geheel op de werkbank stevig op zijn plaats gehouden; dit kan soms ook door aan de onderzijde een lederen strip aan beide uiteinden vast te lijmen (4). Soms is de oliesteen/watersteen gecombineerd met een wetleer. De Japanse watersteen wordt vaak in een ceder of vurenhouten houder geplaatst omdat...
Nagelijzer (o.)
De spijkersmid gebruikt het nagelijzer bij het vormen van koppen op klinknagels, spijkers en bouten. Het is een langwerpig stuk gereedschap van uiteenlopende vorm, al dan niet voorzien van een handvat, met één of meer, in doorsnede vierkante of ronde, conische gaten (diam. ca. 1-2,5 cm). De maat van het gat komt overeen met de dikte die de spijker onder de kop moet krijgen. De ronde gaten dienen vooral om klinknagels of spijkers met platte kop te maken. De gewone spijker wordt meestal met een nagelijzer voorzien van vierkante gaten gemaakt. Het gat is onderaan iets groter om te vermijden dat de nagel klem raakt. Sommige modellen hebben bovenaan kegelvormige uitgeboorde randen om de spijkerkop onderaan schuin te maken (1). De bovenvlakken van nagelijzers zijn soms verstaald. De spijkersmid plaatst een gesmede stift, spits toelopend en met opgestuikt uiteinde, met de punt in het nagelijzer dat op het aambeeld rust. De spijker in wording steekt ca. 1 cm boven het nagelijzer uit en wordt...
Oestermesje (o.)
Oesters hebben sterke sluitspieren; bij het koken gaat de schelp open. Om levende schelpdieren te openen, gebruikt men een oestermesje. Dat heeft een kort (ca. 5-7 cm), stevig, puntig of afgerond blad en een houten of plastieken hecht. Vaak is er loodrecht tussen lemmet en hecht een stootplaatje. Men steekt de punt van het mes in het scharnier (1) van het schelpdier zodat die breekt en al wringend snijdt men de sluitspier door. Het stootplaatje beschermt tegen de scherpe randen van de schelp. Wanneer de bovenschelp verwijderd is, duwt men het mes onder het oestervlees en snijdt het los. Het wordt geserveerd met al het vocht in de onderschelp. Vandaag wordt het oestermesje ook verkocht als een soort stopmes om bij beschadigde glas-in-loodramen, de glasscherven te verwijderen. Zie ook mosselmes, oesteropener en oestervorkje. [MOT] (1) Het openen van de oesters langs de dunne rand gaat moeilijk, het beschadigt de schelp en mengt zijn scherven in het vlees. (CHANCRIN, E. & FAIDEAU, F.: s.v....
Oculeermes (o.)
Oculeren is een vorm van enten die snel uit te voeren is en minder aanleiding geeft tot mislukking dan de andere. Men snijdt de knop met ca. 1,5 à 2 cm bast van een goed ontwikkelde scheut en verwijdert daarna het eventueel meegenomen schilfertje hout. Het is zeer belangrijk dat de schors van de onderstammen goed loskomt bij het maken van de T-vormige snede hetzij op 15 cm boven de grond voor laagstam fruit- en sierbomen, hetzij op 40 cm vanaf de grond bij tussenstammen. Bij struikrozen gebeurt de insnijding op de wortelhals. Het oculeren gebeurt met een vlijmscherp oculeermes. Zijn blad is zo'n 5 cm lang en heeft aan het uiteinde van de rug een uitsteeksel om de bast bij het enten op te lichten. Bij andere modellen eindigt het hecht in een klein metalen, benen, ivoren of houten (1) spatel voor hetzelfde doeleinde. Net zoals het entmes is het lemmet vaak opvouwbaar in het hecht. Speciaal bij de wijnbouw wordt gebruik gemaakt van een ent-oculeersnijder die stevig wordt vastgeschroefd op...
Nootschaaf (v.)
De nootschaven zijn een stel van twee schaven zonder keerbeitel, waarmee een groef en een messing uitgeschaafd worden die in doorsnede kwartrond zijn. De schaaf die de groef uitschaaft, met name de moer, is vaak op een veerploeg bevestigd maar smalle moeren hebben een vaste geleider. Ze heeft meestal een verstelbare geleider, soms ook een aanslag, die de diepte bepaalt. De buk is de schaaf die de messing maakt (1). Ze heeft een kleine aanslag om de breedte te bepalen en wordt dus niet op een veerploeg bevestigd. Ze heeft geen dieptegeleider. [MOT] (1) Benaming uit VAN KEIRSBILCK 1898: 294. De moer wordt ook wijvetje (Ibid.) en creuseschaaf (DAWYNDT 1971: 134) genoemd en de buk, mannetje (VAN KEIRSBILCK 1898: 294).
Noodhaak (m.)
De noodhaak bestaat uit een ijzeren pen (ca. 15 cm) waarvan het uiteinde breder wordt en voorzien is van een oog (1) (vgl.toogijzer). Het uiteinde kan ook eindigen in een T waarop een ring is bevestigd. Een ander model gelijkt sterk op een ringschroef (2). Het voorwerp behoorde tot de standaard gordeluitrusting van de brandweerman. Indien deze laatste het gebouw langs de gewone weg niet meer kon verlaten, sloeg hij de noodhaak in een (houten) raamkozijn of een andere geschikte plaats om vervolgens via het touw, dat door de ring werd gestoken, langs de buitengevel te dalen. Zie ook brandweerbijl. [MOT] (1) Vb. Catalogus Konrad Rosenbauer: 29. (2) Vb. Catalogus Konrad Rosenbauer: 29.
Noodgordelsnijder (m.)
Met de noodgordelsnijder snijdt men de autogordel van o.m. een automobilist in nood snel door. Het bestaat uit een vlijmscherp mesje dat in een plastieken omhulsel is vastgemaakt. Het mesje heeft een langwerpig, rechthoekig blad dat eindigt in een scherp, hoekig mesje van ca. 1cm en een blokvormig handvat dat in het doosje past. Bij het installeren van de noodgordelsnijder wordt het doosje opengeschroefd en legt men de autogordel in de daarvoor bedoelde uitsparing, vervolgens schroeft men het doosje met vier bolle kruiskopschroeven weer dicht. De noodgordelsnijder wordt net boven de schouder omheen de autogordel geïnstalleerd. In noodgeval trekt men het handvat van het mesje uit het doosje. Zodoende snijdt het vlijmscherpe mesje de autogordel feilloos door. Een gelijkaardig mes wordt bij ''kitesurfing'' gedragen om bij nood de lijnen door te snijden. Zie ook de noodhamer en het reddingsmes. [MOT]
Omboekhamer (m.)
Volledig metalen schoenmakerswerktuig (min. 13 cm lang) met een gezwollen, cilindrisch middenstuk; één uiteinde is cirkelvormig, het andere wigvormig. Het middenstuk fungeert als handvat. De omboekhamer wordt gebruikt om naden te effenen, door met het éne uiteinde te tikken en met het andere te wrijven, en om plooien glad te slaan bij het leesten. Zie ook robber. [MOT]
Profielschraper (o.)
De profielschraper (1) is een handwerktuig om lijsten in hol- en bolronde voorwerpen te schaven, evenals groeven voor inlegwerk. Er bestaan twee subtypen (2). Op het eerste is de schaafbeitel vast. Hij steekt in een vierkantig ca. 20 cm lang latje waarop een geleider glijdt. De snede is in de as van de lat gericht. Het werktuig wordt zoals een kruishout gehanteerd (zie ook trekschaaf). Op het tweede is in de lat met vaste aanslag, in de lengte, een gleuf gezaagd. Hierin glijdt de schaafbeitel. Deze wordt door middel van twee schroeven vastgezet. De twee uiteinden van de lat dienen als handvat. De schaafbeitels van de profielschraper worden meestal door de schrijnwerker zelf uit een afgedankt zaagblad vervaardigd. [MOT] (1) DAWYNDT 1972: 109. Er wordt ook van aderenritshout (KARMARSCH: 1.837), biezentrekker (STEEL: 2. 121) gesproken. Deze benamingen verwijzen echter naar één bestemming, namelijk het snijden van groeven. Ze zijn dus te vermijden om een werktuig aan te duiden waarmee lijsten...
Punaisewipper (m.)
De kantoorbediende gebruikt een relatief klein (ca. 4-14 cm) licht roestvrijstalen handwerktuig om duimspijkers te lichten. Het uiteinde van het werkend deel wordt onder de kop van de spijker geduwd die gelicht kan worden zonder de punt te buigen of de kop af te breken, zoals dat vaak gebeurt met een mes. Bij sommige modellen is het handvat een briefopener (1). Bij een (grafiet) potloodvijl is soms het uiteinde omgebogen dat dan dienst kan doen als spijkerlichter (2). Zie ook spijkerlichter. [MOT] (1) Dat is nuttig voor het verwijderen van tekeningen die zijn vastgelijmd aan het paneel, enz. (KEUFFEL & ESSER: 265). (2) Bv. KEUFFEL & ESSER: 295.
Puntslag (m.)
De puntslag is een korte (5-12 cm), metalen cilinder met een scherp en puntig uiteinde. Hij wordt gebruikt om het midden van een in metaal te boren gat en de rand van uit te snijden plaatijzer aan te duiden en om een gat te doppen, d.i. voor het boren een klein gat in het metaal drijven opdat het boorijzer zou bijten zonder weg te glijden. De schacht is in vele gevallen gekarteld zodat hij goed in de hand kan gehouden worden. De puntslag wordt gebruikt in combinatie met een hamer. Het werktuig is te onderscheiden van de drevel. [MOT]
Prikradertje (zadelmaker) (o.)
Het prikradertje (ca. 23-27 cm) van de zadelmaker heeft een getand, verwisselbaar metalen wieltje dat in een U-vormig beugeltje zit; de lichtjes gebogen schacht is bevestigd in een houten hecht. De tanden zijn wigvormig en in een schuine hoek (45°) ten opzichte van de omtrek van het wiel geplaatst. Het wordt gebruikt om voor het naaien het leder te markeren (zie ook els) en deels te penetreren. Zo geraakt de naald er makkelijker door en is een gelijke afstand tussen de steken verzekerd. Men rolt met het prikradertje over het leer met een liniaal als geleider (1). Voor hetzelfde doeleinde kan ook een beitel met breed uitlopend, gelijkaardig getand blad gebruikt worden. Zie ook prikradertje (schoenmaker) en prikradertje (voor sjablonen). [MOT](1) FRUMAU: 56.
Praam (v.)
De praam bestaat uit een houten stok - nu wel eens van plastic - van ca. 50 cm met aan het ene uiteinde een gat waardoor een lus van touw (uitzonderlijk een ketting) steekt. Het werktuig wordt als dwangmiddel gebruikt om de aandacht van een paard bij verontrustende (bv. oogverzorging) of pijnlijke ingrepen af te leiden én om een kalmerende en verdovende werking teweeg te brengen (vgl. tangpraam). Met de linkerhand brengt men de lus over de bovenlip van het dier, met de rechter, draait men de lus aan. Hetzelfde werktuig wordt op runderen gebruikt, maar dan op een oor (1). [MOT] (1) BERTHELON: 13.
Prikradertje (voor sjablonen) (o.)
De kleermaker gebruikt een prikradertje (ca. 20 cm) om de lijnen van het patroon op de stof over te brengen, de schilder om de lijnen van een sjabloon over te brengen. Het werktuig heeft een getand wieltje (ca. 2 cm doorsnede) dat in een U-vormig beugeltje aan het uiteinde van een metalen schacht zit; de schacht steekt met een angel in een houten hecht, soms kunnen wieltjes met verschillende tanden in het beugeltje bevestigd worden. Uitzonderlijk is het prikradertje voor stof vouwbaar: wieltje en schacht verdwijnen dan in een metalen hecht. Te onderscheiden van het prikradertje (schoenmaker) omdat de tanden minder scherp zijn en dichter bij elkaar staan. Zie ook prikradertje (zadelmaker). [MOT]
Puimsteen (werktuig) (o.)
Puimsteen is grijs, glasachtig vulkanisch gesteente met veel luchtbellen en dat zeer poreus is. Natuurlijke puimsteen is zeer ongelijk van structuur en bevat dikwijls scherpe stukjes kwarts die bij het schuren krassen kunnen veroorzaken. Daarom gebruikt men vaak kunstmatige puimsteen, vervaardigd uit gemalen en gezifte puimsteen met een bindmiddel. Veelal wordt het aangewend om schilderwerk af te schuren, maar ook in de lichaamsverzorging wordt de puimsteen gebruikt. Zie ook schuurpapier. [MOT]
Priem (mandenmaker) (m.)
De mandenmaker gebruikt een metalen priem met stompe (1) punt of een houten of benen (2) werktuig om een ruimte tussen tenen te vergroten waar een andere teen tussen geduwd wordt (vgl. splitshout, -ijzer). [MOT] (1) Zie in HANSEN 1945: pl. 13 een priem die op het voegijzer van de metselaar gelijkt. (2) Het been loopt puntig uit en het gewrichtsuiteinde (epifyse) dient als hecht; het kan ook in een houten hecht steken (WEYNS 1950: 118). [MOT]
Proeversmes (o.)
Een proeversmes is een licht (ca. 50 gr) lang (ca. 25 cm) en smal (ca. 1 cm) zakmes dat gebruikt wordt om worst en andere fijne vleeswaren te proeven op beurzen e.d. (1). Vaak is het lemmet voor een deel getand om de worst makkelijk door te kunnen snijden. [MOT] (1) Volgens SARGENT: 18 zou het mes dienen om meloen of citrusvruchten te testen.
Ringsleutel (m.)
Dit type van moersleutel (zie glossarium) sluit geheel om de moer of kopbout. Hierdoor kan je meer kracht zetten dan met een steeksleutel, die de moer maar op twee hoeken aangrijpt. De ringsleutel heeft een werkend deel in de vorm van een -binnenin- vier-, vijf-, zes- of meerzijdige ring; de naam wordt ook gebruikt wanneer die vorm uit een plaat gedreven werd. Vaak is het werktuig samengesteld uit verschillende werkende delen van verschillende maten; voor heel kleine moeren en bouten bestaan er ook setjes met verscheidene met elkaar verbonden sleutels. Ook komt een combinatie met een steeksleutel, een haaksleutel, een magneetsleutel of een schroevendraaier voor, zelfs een hoefkrabber. Voor kleine moeren kan een ringsleutel gebruikt worden die verstelbaar is door middel van een stelmoer (zie ook fietssleutel (ringsleutel)). Het hecht kan recht, S- of boogvormig zijn. Er bestaat een variante met ratel. Zie kalkoensleutel, open ringsleutel, ringsleutel voor wiel, slagringsleutel, sleutel...
Ritspasser (m.)
De ritspasser dient om - hoofdzakelijk boogvormige - groeven uit te snijden in de nerfzijde van het leer (1). Hij wordt ook gebruikt om de stiknaden, bij riemen, zadels en garelen uit te tekenen. Hij is een V-vormige passer waarvan de twee benen (ca. 15-18 cm) rond een op hun uiteinde geplaatste spil draaien. Het ene been eindigt in een punt en wordt in het middelpunt van de cirkel geplaatst; het andere uiteinde heeft de vorm van een rits (breedte ca. 2 cm). Meestal is er op een been een boog bevestigd waarbij de benen door middel van een schroef kunnen vastgezet worden. Op sommige modellen is het been van de rits voorzien van een houder waar verschillende maten van ritsen in passen. Het puntige uiteinde van de ritspasser kan ofwel recht zijn ofwel licht gebogen of gesplitst zijn (2). Bij dat laatste staat één van de twee punten nagenoeg loodrecht in het middelpunt van de cirkel en kan zo moeilijker wegglijden. De ritspasser met gesplitste punt kan men in beide richtingen gebruiken. De...
Rolschoffel (m.)
Met de rolschoffel kan men tussen plantenrijen tegelijk het grondoppervlak losmaken en het onkruid net eronder wieden. Het werktuig bestaat uit een metalen rol met schuine dwarsstukken, die functioneert als wiel en de begroeiing plat drukt. Net achter de rol bevindt zich een afneembaar smal en beweegbaar schoffelblad. Het mes is meestal in de hoogte en hellingsgraad verstelbaar. Aan weerszijden van de rol bevindt zich een beschermingskap om te vermijden dat de losgemaakte grond zijdelings op de gewassen vliegt. De werkbreedte kan variëren van ca. 8 cm bij een enkel wiel tot 50 cm bij een model met dubbel wiel, waarmee men twee rijen tegelijk kan bewerken. Het geheel wordt met duw- en trekkende bewegingen gebruikt. De aansluiting met de T-steel is vaak scharnierend naar links of rechts verstelbaar. Zo kan men schuin achter het werktuig stappen zonder de geschoffelde grond vast te trappen. Het werktuig is sterk verwant aan de grondfrees (hand) en de handschoffelmachine, die vrijwel hetzelfde...
Ringsleutel voor wiel (m.)
Wanneer een luns het wiel op de as van een kar of een wagen houdt (1), volstaat een hamer om het los te maken. Wanneer het om een moer gaat, gebruikt men meestal een bijzondere vier- of zeskantige ringsleutel. Hij is altijd S-vormig (2) en kan enkel of dubbel zijn. [MOT] (1) De moeren van een autowiel worden met een wielmoersleutel los- of aangedraaid. (2) Zodat de twee werkende delen in twee verschillende vlakken liggen.
Ringzaagtang (v.)
Een ringzaagtang wordt gebruikt om een vastzittende vingerring, die bv. met zeep of een draad niet verwijderd kan worden, door te zagen zonder de huid te beschadigen. Het werktuig bestaat uit twee hefbomen van de eerste soort (zie glossarium) die rond een spil draaien. Een kaak bestaat uit een dun lipje met een groef waarin het zaagblad past. De andere kaak vat het fijngetande zaagblad (diam. ca. 3 cm) dat men door middel van een vleugelmoer kan laten ronddraaien. De armen zijn beiden even lang en licht gebogen of bestaan uit één hecht en een kortere arm. Het lipje wordt tussen ring en vinger gestoken waarna met de ene hand de tang lichtjes wordt dichtgeknepen en met de andere hand het zaagblad gedraaid wordt. Er bestaan ook modellen voor linkshandigen. [MOT]
Ritsbeitel (metaalbewerking) (m.)
Geheel metalen beitel van ca. 20-50 cm lang om ritsen in metaal te hakken, d.i. bijvoorbeeld een smalle groef in een metaalplaat om deze makkelijker te doen breken of in een hoefijzer waar de gaten voor de hoefnagels gedreven zullen worden. De ritsbeitel heeft een vrij smalle snede (ca. 9-13 mm) die onder een hoek van ca. 60° geslepen is. Hierdoor kan je er tot op vrij grote diepte mee werken. Het geheel is meestal rechthoekig in doorsnede. Te onderscheiden van het pelijzer van de steenhouwer. [MOT]
Roerhaak (metselaar) (m.)
De roerhaak wordt door de metselaar gebruikt bij het bereiden van beton. Het is een haak met drie, soms ook vier (1), puntige, in doorsnede vierkantige (2), ijzeren tanden (ca. 15 cm) die ongeveer 180° gebogen staan ten opzichte van de dille (diam. ca. 4 cm) waarin een lange (ca. 140 cm) houten steel steekt (3). Zie ook kalkhouw waarmee mortel wordt bereid. [MOT] (1) ''Hoe maakt men een goed beton'': 25. (2) ''Pétolat s.a.'': 112 laat een model met platte tanden zien. Werkend deel en dille zijn verbonden d.m.v. een lange platte stang. (3) N.L.I.: s.v. griffe, toont een model met drie langere tanden die een hoek van 90° vormen met de steel.