ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 301 - 350 1,346 resultaten gevonden
Gazonmaaimachine (hand) (v.)
Om een gazon te maaien; kan men gebruik maken van een gazonmaaimachine. Het is een toestel bestaande uit een licht metalen frame met vast geslepen blad, waarop een cilinder (diam. ca. 12-25 cm; lengte ca. 25-60 cm) van 3 à 10 (meestal 5) in een spiraalvorm gebogen stalen messen zijn gemonteerd, tussen twee (rubberen) wielen (diam. ca. 20-25 cm) en een houten of ijzeren steel (ca. 70-100 cm) met breed (ca. 50 cm) dwarsstuk. Door de gazonmaaimachine voor zich uit te duwen, komt het gras tussen de nauwe opening van het vast geslepen blad en de draaiende cilinder terecht. Deze laatste draait sneller dan de twee wielen die de draaibeweging overbrengen door middel van tandwielen. Het werkend deel is meestal in de hoogte instelbaar. Het gras kan eventueel opgevangen worden door een ijzeren of plastic bak en soms bevindt er zich achter het frame een houten rol, nu ook van plastic. [MOT]
Fretboor (v.)
De fretboor is een zeer kleine avegaar die met één hand gedraaid wordt en dient om kleine gaten te boren, bv. voor een schroef (1). De kruk staat vast op het boorijzer (zie glossarium). Ze kan van hout of van metaal zijn. In het eerste geval eindigt het boorijzer in een angel, soms in een oog. In het tweede zijn boorijzer en kruk uit één stuk gemaakt. Het boorijzer is vaak een schroefboor (2) en juist omdat dit model het hout doet barsten, wordt de fretboor weinig aangewend voor smalle stukken. De fretboor is te onderscheiden van de zwikboor. [MOT] (1) Volgens TIDEMAN: 93 zou de fretboor ook gebruikt worden "bij onderzoekingen van hout omdat het boorsel minder fijn verkorreld is ...". (2) Zie glossarium. Vandaar dat fretboor soms het boorijzer van deze vorm aanduidt (LOMBAERT: 88).
Fineerzaag (v.)
De fineerzaag is een zaagje met tegenliggend (1) blad van ca.10-15 cm, bij het fineren gebruikt om de oplegplaten te zagen. De helft van de zeer kleine tanden staat schuin naar achter, de andere naar voor, om het hout niet te scheuren. Met deze zaag wordt steeds langs een liniaal gezaagd. Soms wordt de beitel van een tandschaaf voor dat werk gebruikt (2). [MOT] (1) Ook soms met geklemd blad (RAUWERDA 1948: 1.51). Er bestaan nu metalen fineerzagen met schuin handvat. (2) Bv. LOMBARD & MASVIEL: 90.
Frituurschep (v.)
Met een frituurschep laat men gefrituurd voedsel uitlekken. Ze heeft een opengewerkte, cirkelvormige, lichtjes holronde schep van metaaldraden (ca. 15-20 cm doorsnede) aan een lange steel (ca.30-55 cm). Aan de rand is de schep versterkt met een steviger ring en over de bodem lopen verstevigingsdraden. De steel is lang zodat men op veilige afstand van het hete vet kan blijven. De Chinese frituurschep heeft een schep van messingdraad die een patroon van gelijke cirkels vormt, bevestigd aan een houten steel. Zie ook schuimspaan. [MOT]
Gebakjestang (v.)
De bakker neemt gebakjes uit de toonbank met een schep of met een gebakjestang. Haar kaken zijn 3-5 cm breed en soms opengewerkt. De tang sluit zich rond het gebakje, wanneer men de armen dichtdrukt. De armen zijn niet gekruist. [MOT]
Fruitlepel (m.)
Lepel (ca. 15 cm) waarvan het blad een spits en getand uiteinde heeft, om makkelijk zachte fruitsoorten, zoals kiwi's, meloenen, e.d. uit te lepelen. [MOT]
Glassnijder (m.)
Handwerktuig met een vervangbaar en eventueel verstelbaar (1) snijwieltje van gehard staal of een diamant (2) - d.i. een in metaal gevatte splinter diamant - bevestigd in een houten, metalen of kunststoffen hecht. Het te snijden glas wordt op een vlakke ondergrond gelegd en langs een liniaal met het snijwieltje of de diamant ingesneden. Grote stukken worden dan afgebroken door het glas lichtjes op te lichten en neer te laten vallen; het glas breekt dan af langs de breuklijn. Soms heeft de glassnijder een bolvormig uiteinde of een hamervormig kopeinde, waarmee aan de onderzijde langs de breuklijn op het glas geklopt wordt, zodat het zou breken. Wanneer er een klein stukje glas afgebroken moet worden, gebeurt dit met behulp van een afgruistang of glasgruizer (3). Dat laatste is een stangetje of plaatje met inkepingen, overeenkomend met de verschillende dikten van vensterglas. Vaak is de glasgruizer echter in één werktuig verenigd met de glassnijder. Bij sommige modellen is het uiteinde van het hecht spatelvormig;...
Glasafsteekmes (o.)
Na het schilderen van glassponningen zit er altijd wel wat verf op het glas. Met het glasafsteekmes, voorzien van een veiligheids- of cuttermesje, schraapt men de verf gemakkelijk van het venster af. Hierbij houdt men het blad van het glasafsteekmes nagenoeg parallel met de ruit. Sommige modellen worden gebruikt bij het onderhoud van een keramische kookplaat. Het blad waartussen het mesje wordt vastgeschroefd, is van staal of plastic. Het handvat kan uit ijzer, hout of plastic vervaardigd zijn. Bij sommige modellen zitten de verwisselbare mesjes veilig in het hecht opgeborgen. Omdat de snede zo scherp is, is de glasschraper meestal voorzien van een metalen beschermkapje of kan je het bovenste deel van het hecht zo verschuiven dat het over het mesje zit. Het mesje van enkele modellen kan in verschillende posities (haaks, recht en schuin) t.o.v. het hecht bevestigd worden. Zo kunnen ze voor andere doeleinden aangewend worden. Bv. een potlood slijpen, als mes, om ijs, etiketten, kauwgom, enz. van harde oppervlakken...
Glaceerspalter (m.)
Dikkere spalter, al dan niet met steel, gemaakt uit wit varkenshaar (1) dat in een platte bus van blik of koperplaat is gevat en waarin de haarbundels door een kit (2) samengekleefd zijn. Modellen met steel bestaan in een breedte van 27, 40, 60, 80 en 95 mm, deze zonder steel enkel in de maten 80 en 95 mm. De glaceerspalter wordt hoofdzakelijk (3) gebruikt (bij hout- en marmerimitatie) om een teveel aan natte kleur van het oppervlak weg te nemen. "De vochtige, even uitgeknepen glaceerspalter neemt gretig vocht op en daarmee worden dan in de donkere, natte waterkleur gemakkelijk lichte partijen en kleurschakeringen gemaakt." (4). De glaceerspalter wordt ook gebruikt voor het aanbrengen van een laagje verdunde, doorschijnende verf op een dekkende ondergrond. Ook de banketbakker gebruikt de glaceerspalter om te glaceren, d.i. het gebak met een laag gladde glanzende suiker overdekken. [MOT] (1) De glaceerspalter heeft een dunnere soort varkenshaar dan de gewone spalter. (2) Meestal hars of een harsmengsel dat men...
Glansstrijkijzer (o.)
Wanneer men een kledingstuk of een deel ervan glanzend gesteven wilde hebben, gebruikte men een glansstrijkijzer. Eerst werd het kledingstuk in een stijfselpapje gedaan, daarna gedroogd, ingevocht en tenslotte droog gestreken. Wanneer dat met een strijkijzer met vlakke zool gebeurde (zie massief strijkijzer, strijkijzer met kolen en strijkijzer met strijkbout), kon de waterdamp die bij dit proces vrijkwam, niet weg. Daarom gebruikte men een glansstrijkijzer, dat een bolle zool had en waarmee al schommelend gestreken werd. Andere modellen hebben een zool die voor het grootste gedeelte vlak is maar waarvan de punt en/of de achterkant afgerond is. [MOT]
Goottroffel (m.)
Troffel waarvan het blad (ca. 3-8 cm bij 12-30 cm) gootvormig is; de uiteinden kunnen recht of afgerond zijn. Hij wordt gebruikt voor het afstrijken van ronde overgangen in het pleisterwerk, tussen wand en plafond. In plaats van een troffelvormig kan men ook een spaanvormig werktuig gebruiken. In dat geval staat het handvat in het midden van het gootvormig blad. Zie ook hoektroffel. [MOT]
Gladbeitel (m.)
De gladbeitel is één van de meest gebruikte beitels van de draaier en dient om een stuk glad te draaien aan de draaibank. Het is een beitel zonder borst, waarvan de meestal dubbele vouw (1) schuin op de as van het werktuig staat. [MOT] (1) Volgens DE VALICOURT: 1. 206 wordt de gladbeitel met één vouw voor harde houtsoorten aangewend.
Glazenmakershamer (m.)
Hamer (ca. 150-500 gr) met een smalle (ca. 1-2 cm) kop waarmee de glazenmaker kleine nageltjes in het raamkozijn klopt. Er bestaan verschillende modellen: met twee vierkantige banen, twee ronde banen en met één ronde baan en een wigvormige pen. Vaak is de steel van de glazenmakershamer afgewerkt als ruitenlichter. Te onderscheiden van de stoffeerdershamer. [MOT]
Graanschep (v.)
De graanschep is een handwerktuig met een halfcilindrisch blad en een recht hecht (ca. 20-30 cm) dat met één hand kan gehanteerd worden. Men gebruikt haar om kleine hoeveelheden graan uit de zakken te scheppen. De graanschep kan uit hout of metaal bestaan; vandaag de dag bestaan er ook plastieken modellen. Zie ook graanschop. [MOT]
Gladhout (hoedenmaker) (o.)
Bij het afwerken van de randen van een hoed gebruikt de hoedenmaker een reeks strijkijzers met aangepaste vormen. Finaal wordt dit houten handwerktuig koud gebruikt om de beklede boord vlak in vorm te persen en glad te maken. Het gladhout is ca. 15 cm lang en kan allerlei vormen (bvb. vlak of concaaf) aannemen naargelang het model en de bekleding van de hoed. Het is vaak van palmhout (buxus) gemaakt. [MOT]
Flesopener voor kroonkurk (m.)
Keukengerei waarmee men met een kroonkurk afgesloten fles kan openen. Het is een klein (ca. 10 cm), metalen voorwerp met een rechte steel en een breed uitlopend, plat uiteinde met een uitsparing. Aan de steelzijde is de uitsnijding meestal voorzien van een uitsteeksel dat men makkelijk onder de kroonkurk kan haken. Door de flesopener naar boven te bewegen, wordt de kroonkurk van de fles getrokken. De flesopener voor kroonkurk kan ook een onderdeel zijn van ander keukengerei zoals een kurkentrekker, een bokaalopener voor schroefdeksels, een flesopener voor schroefstop en -dop, een blikprikker of een blikopener. Bij een blikopener met scherp, langwerpig blad en speypunt is aan één zijde van het blad een lobvormige uitsparing aangebracht met punt om onder de kroonkurk te haken. De flessenopener wordt niet zelden als relatiegeschenk gebruikt en kan dan gecombineerd zijn met een balpen, een aansteker, enz. De flesopener voor kroonkurk kan ook gecombineerd zijn met een beiteltje en een hamertje om blokjes ijs te pletten,...
Fruitplukker (m.)
Om het laatste fruit van een hoge boom te kunnen oogsten, kan men gebruik maken van een fruitplukker. Hij bestaat veelal uit een omgekeerde ijzeren kegel (diam. ca. 10-15 cm; ca. 7-10 cm hoog) met een 10-15-tal inkepingen (ca. 3-5 cm hoog) waarin men de steel van bijvoorbeeld appel of peer vat. Hij kan ook gemaakt zijn van bijvoorbeeld houten lamellen die met touw op enige afstand van elkaar verbonden zijn, of een rieten mandje zijn (1). Soms ook een ovaalvormig mandje van draadijzer met eventueel bovenaan een V-vormig pinnetje (2). Een model uit Mexico is gemaakt uit een open structuur van bamboe in de vorm van een rugbybal (ca. 90 cm lang; max. diam. ca. 12 cm) die in het midden en op beide uiteinden is opgebonden. Bovenaan is er een grotere opening voorzien om het fruit op te vangen (3). Een ander model bestaat uit een ijzeren of plastic ring, voorzien van inkepingen en een (katoenen) zakje (ca. 20 bij 15 cm) - dat soms afneembaar is om het te kunnen wassen - of een netje waarin de vrucht valt. Uitzonderlijk...
Formeerijzer (o.)
Het formeerijzer dient om groeven uit te snijden aan de binnenkant van het leer (1) om het toevouwen ervan te vergemakkelijken. Het wordt ook gebruikt om stiknaden uit te tekenen. Het werktuig wordt schuin op het leer gezet en langs een liniaal steeds naar je toe getrokken (2). Het formeerijzer bestaat uit een dik (ca. 3,5 mm) ijzeren, meestal haakvormig, blad (ca.5,5 bij 10 cm) waarvan de schuine zijde is omgebogen en zo een snijdende U-vormige punt vormt. Het werkend deel steekt door middel van een angel in een houten hecht (ca. 13 cm) dat verstevigd is met een beslagring. Een ander model bestaat uit een platte ijzeren stang waarbij één of beide uiteinden tot een rits zijn omgebogen (3). Het formeerijzer kan ook uit een stalen pincet-vormig werktuig bestaan met al dan niet haakvormige uiteinden (4). Eén uiteinde is omgebogen en snijdt. Het andere uiteinde dient als geleider. Met dit model snijdt men een groef evenwijdig aan de rand van het stuk leer. Een schroef stelt de breedte (max. ca. 2,5 cm) van de rand...
Fruitpers (m.)
Werktuig met een metalen, geperforeerd recipiënt (ca. 7-10 cm doorsnede; ca. 8-15 cm hoog) op een sokkel met opstaande randen; aan de bovenzijde zit er een schroef die een plaatje naar beneden duwt als men eraan draait (1) (zie ook vleespers) (2). Voor druiven en bessen gebruikt men ook een ander model, dat te onderscheiden is van de vleesmolen. Hij heeft een huis van (vertind) gietijzer met bovenaan een vultrechter en binnenin een Archimedesschroef die door een draaizwengel in beweging wordt gebracht en waaronder zich een zeefbodem bevindt. Deze fruitpers wordt met een schroefklem aan het tafelblad bevestigd. De trechter wordt gevuld en men draait aan de zwengel. De schroef duwt het fruit tegen de zeefbodem; het sap komt er doorheen en wordt opgevangen in een kom, de velletjes en zaadjes komen er gescheiden van het sap uit en worden in een andere kom opgevangen. Zie ook citruspers. [MOT] (1) De kleine fruitpers die men in de keuken gebruikt, is gebaseerd op de grote druivenpers die in de wijnbouw gebruikt wordt. (2)...
Flessenkraker (m.)
Kartonnen drankverpakkingen en flessen uit plastic kan men met een flessenkraker samen drukken vooraleer ze in de vuilniszak te gooien. Een model bestaat uit 2 hefbomen van de derde soort. Over de hele lengte van de ene arm zit een verhoging die in de andere arm past. Dicht bij de spil is de verhoging licht uitgehold om de ronding van de flessen beter te kunnen vatten. Op de andere kaak beletten twee driehoekige tanden het wegglijden van de fles. Men plaatst de lege fles (zonder dop) haaks in de tang en knijpt het werktuig dicht. Men begint bij het bovenste gedeelte van de fles en herhaalt de handeling bij de basis. De fles neemt zo minder plaats in. Brikken plaatst men eveneens haaks tussen de tang. Men drukt ze in het midden samen. Bij een ander model plaatst men de plastic fles verticaal tussen het vast en het opengeschoven gedeelte. Dat laatste is voorzien van een voetsteun om het met kracht naar beneden te drukken. [MOT]
Flessenspoeltoestel (v.)
Voordat bv. bierflessen (1) gevuld worden, moeten ze gespoeld worden. Dat kan met een flessenborstel of met een flessenspoeltoestel. Het werkend deel van het flessenspoeltoestel is gemaakt uit een bundel stalen bladveren eindigend in draadstalen borsteltjes. Het wordt bovenaan het toestel in draaiende beweging gebracht door een zwengel. Een buisje dat zich op de stang onder het borsteltje bevindt kan naar boven worden geschoven om zo de borsteltjes samen te vouwen zodat hij in de fles kan. Door het buisje terug naar beneden te schuiven gaan de borsteltjes uit elkaar en kan men de fles aan de binnenkant schoonborstelen. Het toestel wordt aan de rand van een kuip bevestigd met het onderste deel, de pomp, in het water. Door aan de zwengel te draaien wordt het water opgevoerd om de fles tevens te spoelen. Het vuile water wordt opgevangen door de koperen schotel die zich onder de stang van de borsteltjes bevindt, en afgevoerd via een slang. [MOT] (1) Het toestel kan ook gebruikt worden voor...
Friseertang (v.)
Met een friseertang zet men haar en snor in de krul. Ze heeft een holronde kaak en een bolronde die in de eerste past. Het werktuig wordt opgewarmd op een komfoortje en men knijpt er een stukje papier mee om te zien of ze niet te warm is. Het haar wordt dan met de tang genomen en er rond gedraaid om de krul te bekomen. De friseertang bestaat in verschillende dikten. Doorgaans kruisen de armen van die tangen zich maar er bestaan er ook andere; een veer houdt het werktuig dan dicht. In sommige gevallen is één van de armen zelfs veel korter dan de andere. Het reismodel heeft vouwbare armen. Zie ook krulstok, pijpschaar, krultang (lokkentang) en papillottang. [MOT]
Flesopener voor schroefstop en -dop (m.)
Met een flesopener voor schroefstop en -dop kan men de stop of de dop van sommige flessen makkelijk losdraaien. Verschillende oplossingen werden bedacht. Zo bv. een tang met hefbomen van de tweede soort die een aan de binnenkant geribde ring (ca. 3 cm) dichtknijpt. Zo ook een 12-hoekige schijf met in het midden een conische geribde opening (ca. 3-4 cm). Soms is het werktuig gecombineerd met een flesopener voor kroonkurk of een bokaalopener voor schroefdeksels. Zie ook een champagnetang. [MOT]
Flestang (v.)
Warme flessen, bokalen, proefbuisjes e.d. kan men veilig vasthouden met een flestang. De vorm van de tang en ronding van de bek zijn aangepast aan het recipiënt. De armen kunnen gekruist zitten of evenwijdig lopen. [MOT]
Fototang (v.)
Negatieven en afdrukken van foto's kan men makkelijk vastnemen met een fototang. Ze bestaat uit een u-vorm die men dichtknijpt. Soms zijn beide armen ook halverwege met elkaar verbonden door een scharnier en houdt een veer het werktuig open. De pannenkoektang lijkt sterk op de fototang. [MOT]
Gietersstrijkijzer (o.)
Deze nieuwe werktuigfiche is nog in opbouw. De vormgieter of mallenmaker in een ijzergieterij (bv. tingieter, kopergieter) gebruikt een heel arsenaal van gietersstrijkijzers (1) om een gietvorm op te bouwen en het zand passend aan te drukken. De gieter heeft enkele tientallen tot zelfs honderden gereedschappen voor handen, telkens iets afwijkend van vorm en afmetingen maar steeds licht en compact (ca. 10-30 cm lang en 5 cm breed, 5-50 gr zwaar, uitzonderlijk tot 150 gr. Afhankelijk van het model gaat het om stalen of bronzen werktuigen, uitzonderlijk ook aluminium en koperen onderdelen. Er bestaat een grote variatie aan gietersstrijkijzers; zowel enkele als dubbele (bij dubbele modellen staan de bladen steeds in tegengestelde richting), met hol, gutsvormig of recht blad, met gebogen of hoekig uiteinde,... De stalen werktuigen zijn troffel-, spatel- of haakvormig. Men kan dan spreken van gieterstroffels, vormspatels en zandhaken. De bronzen werktuigen zijn haak-, spatel-, guts-, of stampervormig. Men kan dan spreken...
Gewone spanzaag (v.)
De gewone spanzaag is een spanzaag (zie glossarium) die in verscheidene grootten (1) bestaat: van 35 tot 120 cm. Naargelang van haar lengte en de vorm van haar tanden dient ze om grote of kleine planken en latten door te zagen. In tegenstelling tot de schulpzaag is het breed (ca. 4-5 cm) blad van de gewone spanzaag vast in het rechte kader gemonteerd. Deze zaag wordt bij een arm boven het blad gevat wanneer ze horizontaal of schuin gehanteerd wordt; bij een arm en bij de boom wanneer ze verticaal werkt, wat echter zelden voorkomt. Tegenwoordig bestaan er ook vouwbare modellen. Zie ook brandhoutzaag en draaizaag. [MOT] (1) VAN KEIRSBILCK 1898: 235, noemt het grootste model boogzaag (F scie allemande; E frame saw), het middelste kortzaag (F F scie à débiter; E pit saw.) en het kleinste model pinzaag (F scie à araser).
Gazonhark (v.)
Men gebruikt een gazonhark voor het bijeenharken van blad en gras van gemaaid gazon. Ze wordt naast het egaliseren van ingezaaide oppervlakken (zie grondhark) ook vaak als bladhark gebruikt. Het is een hark waarvan het blad 20 à 40 licht gebogen, korte (ca. 10 cm) tanden van ijzer, rubber of plastic heeft met een tussenafstand van ca. 2 cm. Het werkend deel (ca. 40-100 cm breed), vaak voorzien van een beugel, staat haaks op de ca. 140-180 cm lange houten, soms ook aluminium, steel. Een ander model van gazonhark heeft een 55-tal puntige tanden (ca. 7 cm) die in een houten balk steken dat scharniert ten opzichte van een vast ijzeren geraamte voorzien van twee wielen. Tijdens het trekken van die gazonhark komen de wielen van de grond en harkt het werkend deel alles bijeen. Bij het duwen zal het werkend deel naar de gebruiker scharnieren en kan het geheel makkelijk wegrollen. Zie ook hooihark (hand). [MOT]
Fritessnijder (m.)
Keukenwerktuig waarmee men frietjes uit aardappelen kan snijden. Het heeft een rond of vierkantig messenblok, bestaande uit verscheidene rijen vierkantige, snijdende openingen (ca. 6-12 mm), bevestigd in een metalen of plastic huis. Er bestaan talloze modellen. Het eenvoudigste heeft een drukplaatje dat door middel van twee handvatten naar beneden geduwd wordt en zo de aardappel doorheen het messenblok duwt. Bij andere modellen wordt het drukplaatje door middel van een hefboom naar het messenblok bewogen. [MOT]
Gieterstroffel (m.)
De troffel die door diverse vormgieters (aluminiumgieter, tingieter,...) wordt gehanteerd om het zand in de vorm te bewerken, bestaat uit een stalen blad (ca. 7-15 cm), dat met een omgebogen angel aan een recht houten hecht is bevestigd. Het blad is ofwel driehoekig met een spitse of stompe punt ofwel langwerpig en afgerond. Deze vormen komen sterk overeen met modellen van de pleistertroffel en de stukadoorstroffel, soms ook de metselaarstroffel. De gieter gebruikt troffels voor diverse werkzaamheden bij het vullen van de gietvorm, voornamelijk in grotere gietvormen en samen met diverse stalen vormspatels, -gutsen en -lepels, om het zandoppervlak aan te strijken of uit te snijden, bij de afwerking van hoeken en oppervlakken (1). [MOT] (1) E. AMIC: L'apprenti fondeur, Liège, 1927, 5-6.
Gietvorm voor kogels (v.)
Kleine gietvormen gelijken vaak op tangen: ze hebben twee armen, een bek en een draaispil. Toch zijn ze geen werktuig in de strikte zin van het woord, omdat ze slechts als recipiënt gebruikt worden. Men houdt ze dicht, giet er het vloeibaar metaal in, laat het stollen en opent de vorm. Deze gietvorm is bedoeld voor kogels. De kaken sluiten perfect op elkaar en vormen een holte binnenin. Aan de buitenzijde is een opening voorzien om het metaal in de vorm te gieten. Om meerdere kogels tegelijk te gieten, zijn op sommige grote exemplaren meerdere holtes voorzien. [MOT]
Gietersstamper
De stamper (1) die de vormgieter hanteert om het zand in de vorm aan te werken, is doorgaans van brons vervaardigd, om goed te glijden en tegen het roesten. Hij is ca. 15 cm lang en het rond werkend deel heeft een glad vlak met een diameter van 1,5-3 cm. Het cilindrisch middenstuk fungeert als handvat. Aan het uiteinde zit een cilindrische verdikking of een kleine bolvorm (2). Op een model zijn de werkende delen verwisselbaar. Zie ook het gietersstrijkijzer. [MOT] (1) Term uit Internationaal Gieterijtechnisch Woordenboek: 232-233. (2) In het Frans spreekt men van colonne simple of ordinaire en colonne à perle. DUPONTCHELLE, J.: Manuel pratique de fonderie, 1914: 128-130 en AMIC, E.: L'apprenti fondeur, Liège, 1927, 7-8.
Glaceerijzer (o.)
Gietijzeren keukenwerktuig bestaande uit een rond plaatje (ca. 5-8 cm doorsnede; ca. 1-3 cm dik), in het midden bevestigd aan een geknikte, lange (ca. 40 cm) steel, met of zonder houten handvat. Wanneer men het glaceerijzer roodgloeiend verhit boven het gas of in het vuur, kan men daarmee de bovenkant van gratineerschotels of gesuikerde nagerechten bruineren met een knapperige korst of een karamellaag. Het glaceerijzer is vrijwel niet te onderscheiden van het mutsstrijkijzer, een gelijkaardig werktuig dat op de kachel verwarmd werd en waarmee de binnenkant van mutsen gestreken werd. [MOT]
Gazonbeluchter (zolen) (m.)
Een klein gazon kan je al wandelend beluchten door gebruik te maken van de gazonbeluchter (zolen). Hij bestaat uit ijzeren of plastic zolen waaronder ijzeren spijkers (ca. 5 cm) bevestigd zijn. De zolen bevestig je onder je schoenen. Andere middelen om het gazon te beluchten zijn een prikker of een gazonbeluchter (roller). [MOT]
Graanzeef (v.)
Nadat het graan met de vlegel is gedorst en het graanstro is verwijderd, blijven korrels, kaf, aardkluitjes, kortstro, steentjes en andere onzuiverheden samen achter. Een deel van de onzuiverheden wordt verwijderd met behulp van de graanzeef. Door de zeef heen en weer te schudden, vallen de korrels erdoor terwijl kaf en kortstro achterblijven. De graanzeef wordt ook gebruikt om kaf van stof/zand te scheiden (1). Ook de vlaswerker gebruikt een graanzeef om na het dorsen (zie bookhamer) het lijnzaad van het kaf te scheiden. De graanzeef is een grote (diam. 50-100 cm) ronde zeef (2) met 2 à 3 houten ringen (hoogte ca. 10-20 cm) waartussen een platte geperforeerde bodem uit metaal (zink) of leer (3) is geklemd. In laatstgenoemde worden de kleine ronde of langwerpige gaatjes (diam. 1-2 mm; hartafstand ca. 4 mm) (4) geponst met een holpijp. Het midden van de zeefbodem is vaak versierd met een figuur, een datum, initialen en/of plaatsnaam. In de rand zijn soms 1, 3 of 4 gaten of gleuven voorzien om de zeef aan respectievelijk...
Graanboor (v.)
De graanboor is een handwerktuig om bulkgoederen en voedingswaren in zakken (vb. graan, koffie, cacao) te controleren op kwaliteit door een steekproef te nemen. Door een beperkt staal te bestuderen, kan men controleren of de inhoud van een recipiënt aan de eisen voldoet. Het wordt gehanteerd door handelaars zelf maar ook door controleurs bij de douane en in de haven. Molenaars hadden de reputatie verhandelde graanzakken aan een grondig onderzoek te onderwerpen met de graanboor. De graanboor behoort net als de kaasboor tot de monsterstekers. Het bestaat ook uit een langwerpig, halfcilindervormig blad dat aan het uiteinde vaak smaller is. Zowel blad als hecht kunnen diverse vormen en formaten aannemen. De controleur steekt het werktuig diep in de waar en trekt het meteen terug. Het monster bevindt zich dan in de holte van het blad. Op een model kan het blad openscharnieren om het graan vlot uit de gleuf te schuiven (1). [MOT] (1) Zie dit scharnierend exemplaar met T-steel van Museum Rotterdam
Graskantsteker (m.)
Handwerktuig waarmee de kanten van het gazon worden afgestoken. Bij nauwkeurig werken geschiedt dit langs een richtsnoer. De graskantsteker maakt een korte rechte snede, maar met enige oefening kunnen ook gebogen lijnen langs het gras worden gestoken. Hij heeft een halvemaanvormig ijzeren blad (breedte 20-22 cm) dat door middel van een dille of een angel - verstevigd met 2 veren en een beslaghuls - aan een houten of ijzeren knop- of T-steel (ca. 70-125 cm) is bevestigd. Bovenaan is het blad soms voorzien van een voetsteun om de schoen van de gebruiker niet te beschadigen. Niet te verwarren met de zodensteker waarvan het zwaar blad de vorm heeft van een driehoek. Zie ook borduurafsnijder (roterend) en zodensnijder. [MOT]
Graszweep (v.)
Licht werktuig geschikt voor het maaien van het gazon op moeilijk bereikbare plaatsen zoals langs boomstammen, stenen, hekken en bermen. De graszweep bestaat uit een dun blad (ca. 20-25 cm), aan beide zijden getand (1) of langs beide zijden en voorzijde voorzien van een snede (2). Het blad staat, door middel van een gebogen en lange angel, haaks op de houten of met rubber beklede steel. Het werktuig wordt voor de voeten heen en weer gezwaaid waarbij het blad evenwijdig met de grond komt te liggen en zo de dunne grasstengels doorsnijdt. Door de dubbelzijdige snede werkt het langs beide kanten. Zie ook zeisje met lange steel. [MOT] (1) Volgens LOGAN: 176, kunnen de grasstengels door de getande snede niet wegbuigen. (2) Catalogus 1976: Wilkinson Sword. The name on the world's finest garden tools.
Glazuurspuit (v.)
Met een glazuurspuit garneert en glazuurt men taarten en gebak. Zij bestaat uit een plastic of metalen buis (ca. 10 cm lang; ca. 4-5 cm doorsnede), waar men glazuur of botercrème in kan doen, met daaraan geschroefd een plastic of metalen spuitmondje. Het glazuur wordt door het mondstuk geperst met een nylon zuiger die aan de handgreep vastzit. De buis is bovenaan afgesloten met een deksel met aan weerszijden vingergrepen. Deze laatste kunnen zich echter ook aan weerszijden bovenaan de buis bevinden. De buis wordt gevuld met glazuur en de zuiger wordt erin geduwd. Om het glazuur door het mondstuk te spuiten, duwt men de zuigerhandgreep met de duim naar beneden terwijl in elke vingergreep een vinger steekt. Het mondstuk wordt geleid met de andere hand. Bij één spuit horen meestal verwisselbare spuitmondjes, die allemaal een ander motief hebben. Zie ook spuitzak. [MOT]
Graanschop (v.)
De graanschop is een houten schop (ca. 150 cm lang) gebruikt voor het omroeren van het graan en om het in de kaar van de wanmolen en in zakken te scheppen. Het blad heeft een lengte van ca. 35 cm bij 30 cm, is holrond, en is door middel van twee pennen of twee bouten aan de steel bevestigd. Zie ook graanschep en graanschepbak. Te onderscheiden van de omzetschop. [MOT]
Garnaalschaar (v.)
Schaar waarmee men garnalen kan pellen. Eén arm heeft twee aparte onderdelen: een in doorsnede vierkantig, smal (enkele millimeters) en spits staafje met ernaast een plat en buigzaam blad. De andere arm bestaat uit een stevig snijblad met erop een ander smaller blad bevestigd. Om een garnaal te pellen, steekt men het spits staafje langs de kop naar binnen; de schaal kan nu losgeknipt worden. [MOT]
Graanschepbak (m.)
Met een graanschepbak kan men graan opscheppen. Hij bestaat uit een horizontale plank, twee zijplanken die vooraan afgerond zijn of in een punt uitlopen en een achterplank. Eventueel is er nog een bovenplank. De zijplanken zijn bovenaan in het midden verbonden door een dwarslat, bedoeld als handgreep; de achterplank heeft achteraan in het midden een U-vormige greep. Zie ook graanschop. [MOT]
Groefschaaf (v.)
De groefschaaf is een schaaf met smalle beitel (ca. 0,2- 0,8 cm), zonder keerbeitel, om een groef in een plank te schaven. Zware groefschaven hebben een handvat en om dwarsdraads te kunnen werken, snijdt een verticaal mesje soms de vezels door (1). De zool van deze schaaf kan van metaal of van hout zijn. In het eerste geval bestaat zij uit twee platen die op dezelfde lijn staan en waartussen de schaafbeitel steekt. In het tweede, heeft het blok dezelfde doorsnede als de messingschaaf. In de groef is een houten lat ingelegd die de zool vormt; wanneer de groefschaaf op een veerploeg bevestigd is, is het geheel soms monoxiel (2). Op beide modellen is er, steeds links op het blok, een aanslag. Tenslotte dient gezegd te worden dat er groefschaven bestaan met bolronde zool. Ze worden vooral door de koetsenmaker gebruikt (zie koetsenmakersgroefschaaf). De groefschaaf is één van de ploegschaven (3), d.i. het stel schaven dat de groef en de messing (zie messingschaaf) in te verbinden planken uitschaaft. Soms vormen ze...
Griefpasser
Werktuig dat wordt gebruikt in de leerbewerking o.m. door de zadelmaker, de gareelmaker en de riemenmaker. Het wordt meestal verhit (1) en in de nerfzijde (2) van het leer gedrukt voor het aanbrengen van strakke, goed afgewerkte groeven van verschillende (4 tot 6) diktes, als versiering of als 'gids' voor het naaien. Een griefpasser bestaat in veel verschillende vormen en is gemaakt van ijzer, hout of been (3). Kleine modellen (ca. 15 à 20 cm) zijn voorzien van een licht gebogen stang dat in een houten hecht steekt. Met de grote modellen (ca. 35 cm) wordt vanuit de schouder gewerkt om meer druk te kunnen uitoefenen. Het werkend deel heeft één of meerdere bolle stompe snede(s) en is al dan niet voorzien van een geleider. Deze laatste is vast of instelbaar (4) en net diep genoeg om de rand van het leer te houden zonder dat het oppervlak waarop het leer wordt geplaatst te raken. De enkelvoudige modellen, met een ruitvormig werkende deel (zie MOT V 94.0215 S), kunnen gemakkelijk in het midden van een groot stuk leer...
Groentesnijder (m.)
Met een groentesnijder kan men groenten in fijne stukjes hakken. Hij kan bestaan uit een plastic cilindrisch frame, waarin zich een zigzag gebogen snijblad bevindt, en een stang met een veer er rond en met een vlak plastic handvat. Men plaatst de plastic cilinder over de groente, die al in stukken gesneden is, en men duwt de verende stang verschillende malen krachtig naar beneden. Het snijblad beweegt op en neer en draait rond, zodat de groente in fijne stukjes wordt gehakt. Dit model wordt vooral voor het snijden van uien gebruikt. Zie ook het handvat voor uien. Een ander model bestaat uit drie langwerpige (ca. 10 cm) mesjes op enige afstand van elkaar, die haaks aan een metalen tussenstuk bevestigd zijn dat loodrecht in een houten handvat steekt. Het mesje in het midden zit lager dan de andere twee en er is een veer rond het tussenstuk gedraaid. Wanneer men het handvat naar beneden duwt, wordt de veer gespannen en bewegen de twee buitenste mesjes naar beneden. Door steeds weer op en neer te bewegen, worden de...
Grendel (steenhouwer) (m.)
De grendel is een handwerktuig van de steenhouwer om de oneffenheden weg te “spitsen” bij de ruwe bewerking van harde steensoorten of een stuk zandsteen. Het is samengesteld uit puntijzers, vierkant in doorsnede en bij elkaar gehouden in een beugel met een opsluitwig. Voor de bewerking dienen de ijzers minstens aan één kant mooi op een lijn te staan. Het aantal puntijzers varieert meestal tussen 9 en 13. (1) Gezien ze vlot verwisselbaar zijn, kunnen ze individueel geslepen of bijgesmeed worden. Het handvat kan van hout of metaal zijn en wordt met beide handen gevat. Dit handwerktuig wordt niet meer actief gebruikt. (2) Zie ook bouchardhamer. [MOT] (1) Het aantal puntijzers kan sterk variëren. Op diverse exemplaren zijn tussen 5 en 15 puntijzers aangetroffen. (2) Wegens de overmatige stofvorming zou het in Nederland in 1921 reeds verboden zijn. JANSE 1998: 26. Zie artikel over een onderzoek naar stofvorming in 1910: ELIAS S., Een en ander over de gevaren van het steenhouwersvak, in Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde...
Groefkrammes (o.)
Het groefkrammes is een mes (1) van ongeveer dezelfde lengte als het krammes (ca. 80-100 cm) en dat eveneens aan één uiteinde een houten hecht heeft en aan het andere een haak die in een zware kram aan de werkbank bevestigd wordt; het mes fungeert aldus volgens het hefboomprincipe van de tweede soort. Het heeft een smal (ca. 1-3 cm), langwerpig (ca. 10 cm) V- of U-vormig onderdeel dat in de hefboom bevestigd is door middel van een schroef (2) en waarmee een groef gesneden wordt rond de randen van de zool van de klompschoen om er het leder in vast te nagelen. Soms wordt het groefkrammes gecombineerd met een hielafrondmes. Laatsgenoemde is dan eveneens in de hefboom bevestigd d.m.v. een schroef. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Het mes werd in onze streken niet gebruikt, wel in Groot-Brittannië en Frankrijk. (2) Het kan ook in een gleuf bevestigd zijn zodat het verstelbaar is.
Griendhakmes (o.)
Bij het oogsten van tenen, d.i. één- en tweejarige wilgentwijgen, in snijgrienden (zie rijshaak) gebruikt men een lattentrekker of een griendhakmes. Met dat laatste worden de tenen van de stoof, d.i. de levende stronk, afgehakt. In Vlaanderen wordt er liefst geen hakmes met hecht en blad in hetzelfde vlak gebruikt maar wel een griendhakmes met afgerond of puntig S-vormig blad (ca. 30/12 cm; 1,1-1,5 kg) en met boogvormige snede. Zie ook de rijshaak waarmee tevens gehakt wordt. [MOT]
Groefzaag (v.)
De groefzaag is een zaag om een groef van gelijke diepte uit te zagen. Er bestaan twee sub-typen: de zaag zonder geleider, met geklemd of tegenliggend blad, en de zaag met verstelbare geleider, doorgaans met tegenliggend blad (zie glossarium). Het blad (15-30 cm) is in of tegen een rechthoekig blok bevestigd met recht hecht of met open of gesloten pistoolkolf. Met de groefzaag zonder geleider wordt tot tegen het blok gezaagd of wordt er een lat tussen de plank en het blok geplaatst. [MOT]
Groefmes (o.)
Schoenmakerswerktuig dat dient om het teveel aan leder af te snijden aan de ingenaaide zoolrand. Het heeft een smal (ca. 5 mm) blad met een gaffelvormig, snijdend uiteinde en een smalle, ondiepe, overlangse groef (ca. 1-2 mm) aan de onderzijde. Men duwt het groefmes langs de rand en een stripje leder wordt afgeschaafd. Sommige schoenmakers zouden voor dat doeleinde een afkorter van de zadelmaker gebruiken (1). [MOT] (1) SALAMAN 1986: 105.