ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 301 - 350 1,387 resultaten gevonden
Trekzaag (v.)
De trekzaag is een grote zaag met stijf blad (zie glossarium) door twee man (1) gehanteerd om stammen en balken dwars door te zagen en om bomen te vellen. Ze snijdt in beide richtingen. Deze zaag bestaat uit een lang getand blad (1,30-2 m) (2) vaak breder in het midden (12-17 cm), en aan de uiteinden, in hetzelfde vlak, twee rechte handvatten (3) van ca. 50 cm. Deze zijn door een dille, een angel of een schroef op het blad bevestigd. Er bestaan nu trekzagen met verstelbare handvatten, die verticaal of horizontaal geplaatst kunnen worden. De te zagen stam wordt op een dwarsstuk gerold en de zagers trekken (ze duwen nooit) de zaag om de beurt. [MOT] (1) In zacht hout konden sommige vaklui de trekzaag alleen hanteren. (2) BOERHAVE BEEKMAN 1949 /5 : 408, afb. 11.09 toont een boom met een omtrek van 13,19 m die omgezaagd is met twee trekzagen die in elkaars verlengde zijn samengelast. (3) De trekzaag met gesloten handvatten (bv. BISTON-BOUTEREAU-HANUS: 247) schijnt zeldzaam te zijn.
Trektang (v.)
De trektang heeft sterk gebogen kaken om nagels uit te trekken. Hun grijpvlak is bovendien herleid tot het minimum zodat de kaken eventueel onder de kop van de spijker kunnen klemmen en iets in de nagel dringen om een betere houvast te krijgen. Eens de tang de nagel omklemt, wordt de tang in zijn geheel als hefboom gebruikt om de nagel uit te trekken. Men plaatst soms een stukje hout onder de kaak om het houtoppervlak te beschermen.  Sommige modellen hebben een vierkante opening tussen de kaken om moeren los te draaien. Eén van de armen eindigt soms in een schroevendraaier, een bol - ter bescherming van de hand - of een koevoet. Bij deze laatste kan de arm naar buiten gebogen staan doordat er een te krachtige druk op uitgeoefend werd en de tang verbogen werd.  De tang wordt soms ook gebruikt om metaaldraad door te knippen, maar de bek is eigenlijk niet scherp genoeg geslepen voor dit doel. Men gebruikt dan beter een kopkniptang. Haar bek is scherper en meer afgeplat dan die van de trektang....
Trocart (m.)
Een trocart is een chirurgisch instrument dat de veearts gebruikt voor het laten ontsnappen van gassen bij koeien en schapen, wanneer er gisting ontstaan is door het eten van bv. te veel vers gras. Het is een stalen priem met een driekantige punt die door een buisje, dat bovenaan van een rand voorzien is, omvangen wordt. Het werktuig wordt in de linkerflank van het opgeblazen dier gestoken tot aan de rand. Vervolgens wordt de priem eruit getrokken zodat de gassen via het buisje uit de maag kunnen ontsnappen. Er bestaan sets met bijvoorbeeld drie trocarts van verschillende diameter in één metalen koker. Wanneer geen trocart voorhanden is, wordt soms gebruik gemaakt van een priem op het zakmes, en van een uitgehold stuk vlier. Met de trocart wordt ook het neusschot van een stier doorgestoken om een neusring aan te brengen. Zie ook slokdarmsonde. [MOT]
Tuinklauw (roterende) (v.)
De roterende tuinklauw is een handwerktuig van de tuinier om grond te woelen en te beluchten. Men kan er grond en compost mee losmaken en vermengen en ook onkruid losmaken om het gemakkelijker te wieden. Het werktuig wordt loodrecht op de grond geplaatst dus de steel wordt in horizontale positie geroteerd. Omdat dit belastend is voor het lichaam, is de steel soms telescopisch om de lengte aan te passen aan de gebruiker. Het werktuig bestaat uit een lange steel met een T-handvat, soms S-vormig gebogen, en vier tot zes tanden aan het uiteinde. Er bestaan ook korte (ca. 15 cm) handmodellen met drie tanden. De tanden staan meestal symmetrisch opgesteld en zijn gebogen, soms zijn twee tanden korter. Modellen met rechte tanden gelijken sterk op een woelvork. Met de tuinklauw wordt dieper gewerkt dan met de klauw met lange steel en de klauwkrabber. Voor grotere oppervlakken en professioneel gebruik zijn de woelvork, handcultivator en grondfrees aangewezen. [MOT]
Trogschraper (m.)
Handwerktuig waarmee de laatste restjes deeg uit de baktrog geschraapt worden. Het is een metalen handwerktuig met een breed uitlopend of vierkantig blad dat zich haaks ten opzichte van het eveneens metalen handvat bevindt (1). Zie ook deegsteker. [MOT] (1) In Groot-Brittannië zijn ook trogschrapers te vinden met angel of met dille en houten hecht.
Uitbeenmes (o.)
Met een uitbeenmes wordt rauw vlees uitgebeend. Het heeft een stevig, smal lemmet (ca. 10-20 cm lang) met een brede rug en een scherpe punt. Het is met een volle of 3/4 tong bevestigd in een houten of plastic hecht dat doorgaans zo gevormd is dat de hand - die vettig wordt tijdens het uitbenen - niet op het lemmet kan glijden. Zie ook hamguts. [MOT]
Troffelzaag (v.)
De troffelzaag dient om uitstekende toognagels en spieën af te zagen. Het is een zaag met tegenliggend (zie glossarium) aan weerszijden getand blad, in het midden op een kort, in een evenwijdig vlak liggend hecht geschroefd. De tanden worden slechts aan één zijde gezet. [MOT]
Uienvork (v.)
De uienvork of groentesnijkam heeft een reeks lange (ca. 5-8 cm), dicht naast mekaar staande, scherpe, metalen tanden die in een houten of plastic handvat bevestigd zijn. De tanden worden in een schoongemaakte ui gedrukt; met een mes kan men tussen de tanden door de ui in schijfjes snijden. [MOT]
Trekduivel (m.)
Hefboom om, naargelang zijn lengte, draad van een afrastering te spannen, bomen omver of stronken uit te trekken, ook om een aan de grond gelopen binnenvaartuig opnieuw in de stroom te helpen (1). Het werktuig bestaat uit een houten of metalen hefboom met op een zekere afstand van het uiteinde als steunpunt een ketting (ook een touw of een kabel) (a) die aan een vast punt vastgemaakt wordt bv. met een kikker. Tegenover die ketting, aan weerszijden en op gelijke afstand ervan zijn twee korte kettingen, kabels of touwen bevestigd die aan het uiteinde voorzien zijn van een haak (b + c). Deze kan in een schakel van een lange ketting (d) gepikt worden die aan de last, draad of boom vastgemaakt wordt. (2) Wanneer men de trekduivel in de richting van de last beweegt, nadert één van de haken (b) de last terwijl de andere (c) zich ervan verwijdert. Nu kan men de haak (c) in een schakel van de lange ketting pikken en de hefboom in de tegenovergestelde richting trekken. Dan komt haak (c) dichter...
Trekschaar (v.)
De trekschaar dient om takken af te knippen waar men met de snoeischaar niet aan kan. Ze wordt o.m. gebruikt bij het verwijderen van takken waar rupsen op zitten, het snoeien van jonge bomen, het plukken van lindebloemen (Tillia) enz. Ze bestaat uit twee 25-30 cm lange hefbomen van de eerste soort, die rond een spil draaien en aan een zijde in snijdende bladen eindigen. Een van de armen is in de vorm van een dille of een angel gesmeed en is op of in een schacht van 2-4 m bevestigd. De andere eindigt in een oog of een katrol. Een touw wordt aan het oog gebonden en rechtstreeks getrokken; het kan ook over de katrol lopen. Naar gelang van de wijze waarop de schaar opengaat, kunnen twee hoofdmodellen onderscheiden worden. Op de trekschaar met tegengewicht eindigt één van de bladen in een zwaar blokje metaal, dat door zijn gewicht de schaar openhoudt. Aan de arm die dat blad verlengt, is het touwtje bevestigd. Aangezien het tegengewicht weinig doelmatig was, werd het door een veer vervangen...
Trekmes, recht (o.)
Trekmes (zie glossarium) met recht of enigszins gebogen blad van 10-40 cm en twee houten knoppen. Op recente trekmessen zijn deze soms vervangen door twee verstelbare rechte handvatten. Hoewel door de wagenmaker dikwijls als zijn werktuig beschouwd, wordt het recht trekmes door verscheidene vaklui gebruikt. Nagenoeg al de in de lengte bolronde voorwerpen worden ermee gesneden (spaken, sporten, stelen, bomen van ladders enz.) evenals de bodem van een kuip, latten enz. Bomen worden ermee geschild. Het trekmes glijdt over het algemeen niet haaks op het te bewerken stuk maar wel schuin zodat het beter snijdt. Zie ook het gebogen trekmes. [MOT]
Trekmes, hol (o.)
Trekmes (zie glossarium) met U-vormig blad en twee rechte handvatten. Deze kunnen haaks of schuin tegenover de rug van het blad staan, dus nooit in het verlengde van het blad zoals bij het schiltrekmes. De gebogen delen van het blad zijn meestal gelijk maar er bestaan modellen met een verschillende straal (1). Het hol trekmes wordt vooral door de kuiper gebruikt om de holronde zijde van de duigen te bewerken. Zie ook staarttrekmes. [MOT] (1) Een driehoekig trekmes (GELINSKY: 85) is uitzonderlijk.
Tondeuse (kapper) (v.)
De kapper gebruikt een tondeuse voor het millimeteren van hoofd- of baardhaar. In tegenstelling tot de tondeuse voor paarden en runderen is deze van de kapper klein en licht en kan ze met één hand worden gehanteerd. De tondeuse heeft een dubbele metalen kam (ca. 4 cm bij 3,5 cm) met een 30-tal fijne tanden, waarvan het bovenste gedeelte kleiner (ca. 3 cm bij 2 cm) en vervangbaar is. Twee metalen armen - één vast aan het onderste blad en één draaiend rond een spil met veer - zijn voorzien van twee haakjes die de hand tegenhouden. De bewegende arm zorgt ervoor dat de bovenste kam horizontaal over de andere schuift en zo het haar, dat zich tussen de tanden bevindt, afknipt. Zie ook tondeuse voor honden en schapen. [MOT]
Tongtang (v.)
Bij sommige behandelingen houdt de arts de tong van de patiënt vast met een tongtang. De kaken variëren naargelang het model. Er bestaan tongtangen met twee ringen als kaken. Ze zijn geribd aan de binnenzijde voor een betere grip. Eén van beide kaken kan ook een ellipsvormige plaat zijn, die in de grotere ringkaak past. Bij nog een ander model bestaan de kaken uit een plaatje met twee gleufjes aan de buitenzijde voor de twee gekromde tanden op de andere kaak. Hierbij zorgen de tanden voor de grip op de tong. De tang kan men in verschillende standen blokkeren door middel van een beugel en haakjes. [MOT]
Trekmes, gebogen (o.)
Trekmes (zie glossarium) waarvan het blad minder of meer holrond is maar geen halve cirkel vormt. Op de angels steken twee korte hechten. Het gebogen trekmes wordt aangewend wanneer veel hout moet weggenomen worden van betrekkelijk brede stukken (bv. een duig) en om holronde vlakken te bewerken. Zie ook schiltrekmes. [MOT]
Topbijl (v.)
Wanneer grote bomen geveld worden, is het soms nodig ze eerst van hun kruin te ontdoen om te vermijden dat de boom zou blijven hangen, om het gewicht te verminderen en het barsten te voorkomen enz. Dat geschiedt doorgaans met een topbijl. Het gaat om een lichte bijl van ca. 0,8 tot 1,5 kg met betrekkelijk smal (6,5-7 cm) en lang (20-27 cm) blad, op een steel van 40-50 cm. De gespecialiseerde vakman staat op zijn klimsporen en wordt tegengehouden door een touw. Hij werkt meestal met één hand. Indien de houthakker het werk zelf doet, gebruikt hij vaak de houthakkersbijl. [MOT]
Tongtroffel (m.)
Handwerktuig met een afgerond, langwerpig (ca. 13-20 cm) blad dat in een omhoog gebogen steel steekt. Het werktuig wordt door de metselaar en de stukadoor gebruikt. Te onderscheiden van de pannenstrijker, maar heeft een breder blad (ca. 4-7 cm). [MOT]
Tonsillenelevatorium (o.)
Het tonsillenelevatorium is een handwerktuig dat de arts gebruikt om de amandelen in de keel vast te nemen en vast te houden. Het is lepelvormig en heeft aan beide uiteinden van de steel een cirkelvormig blad. Te onderscheiden van de balsteker. [MOT]
Uurwerkmakersponstang (v.)
Metalen ponstang van de uurwerkmaker om gaatjes in de spiraalveer van een mechanische horloge te maken. Wanneer men bij een herstelling de oude veer hergebruikt, moeten nieuwe gaatjes geponst worden. In de bek zijn meerdere ponsen vastgeschroefd om diverse diktes van ronde en vierkante gaatjes in de veer te kunnen maken. Soms zijn er een spanveer en klemhaakje om de spiraalveer in positie te houden bij het uittrekken van de pons (1). Sommige modellen (bv. MOT V 92.0424) zijn voorzien van een bijkomende dikkere pons en een hol afgerond uiteinde van de bek om ook de haken of gaatjes aan de binnenzijde van de veertrommel te ponsen, waaraan de spiraalveer wordt bevestigd (2). [MOT] (1) That peculiar punch, in 'Newsletter of the tool and trades history society. Taths', 76, 2002, 24-26 (2) Model met dubbele functie: 'barrel hook and mainspring punching pliers'. Deze methode om de spiraalveer in de trommel te bevestigen was snel, eenvoudig en goedkoop volgens CROM Theodore, Horological shop...
Uitzetvork (v.)
Het telen van witloof gebeurt in twee fasen. In de eerste, de zogenaamde wortelteelt wordt de cichorei (Chicorium intybus L. var. foliosum) gekweekt en gerooid (1). In de tweede, de kropteelt (2), worden de gerooide wortels opnieuw uitgezet: ze worden zo recht en dicht mogelijk bij elkaar in kuilen of bedden geplaatst. Hier worden de witloofkroppen gevormd. Bij het oogsten van de volgroeide witloofkroppen, steekt de geknielde arbeider de uitzetvork achter de krop met wortel. Hij licht de plant op en breekt de rijpe krop af met een draaibeweging van de wortel. De uizetvork is een handwerktuig met 4 korte (ca. 15 cm) scherpe, puntige tanden en een T-, D- of rechte steel (ca. 60-100 cm). Het werkend deel is aan de steel bevestigd door middel van een angel of een dille. [MOT] (1) Zie cichoreirooivork en witloofmes. (2) Ook forcerie genoemd.
Vaatborstel (m.)
Borstel met stijve haren of staaldraad, vaak waaiervormig, en een recht of knopvormig handvat. Hij wordt gebruikt om de gootsteen en vuile potten en pannen te schrobben. Moderne vaatborstels zijn van plastic. Zie ook de pannenspons, groenteborstel, flessenborstel en spoelborstel voor glazen. [MOT]
Tweetand (m.)
Wanneer men de bovenste laag van de grond wil loshakken, gebruikt men meestal een hak. In harde of stenige bodem gebruikt men eerder een tweetand, die bestaat uit twee zware (ca. 20 cm bij 2 cm), scherpe tanden die haaks of schuin aan een rechte steel bevestigd zijn. Meestal gebeurt de verbinding door middel van een dille; in een enkel geval door middel van een oog, soms met twee extra wiggen om de verbinding steviger te maken. Zie ook houweel. [MOT]
Uitsteker (m.)
Met een uitsteker trimt de schoenmaker de zoolrand nadat deze ingenaaid is. Het handwerktuig heeft een cirkelvormig hoofd met aan het boveneinde een schuine snede en een diktegeleider met aan de bovenzijde een omgekruld randje. Dat randje zorgt ervoor dat er geen beschadigingen aangebracht worden aan het bovenleder. Het hoofd is bevestigd in een houten of een hol metalen hecht. [MOT]
Uitdeukhamer (m.)
Hamer (ca. 350-500 gr) die gebruikt wordt bij het uitdeuken van de carrosserie van een wagen. Hij heeft een relatief lange (ca. 15-20 cm), smalle cilindrische kop waarvan één uiteinde een verbreedde cirkelvorm vormt. Het andere uiteinde kan taps toelopen, bolvormig of vierkantig zijn. Zie ook carrosserievijl. [MOT]
Uitjestang (v.)
Met een uitjestang (ca. 20 cm lang) kan men makkelijk kleine uitjes vastnemen. Deze tang, die veelal van hout is, heeft dwars gegroefde, rechte kaken of breed uitlopende, cirkelvormige kaken. Zie ook slatang. [MOT]
Zodensnijder (m.)
Zoden zijn regelmatige blokken grond, afgesneden of afgestoken van de bovenste laag van grasland. Door de aanwezigheid van vele wortels is de samenhang in die blokken vrij groot en kunnen ze verplaatst worden. Om erosie tegen te werken, wordt naakte grond vaak met dergelijke zoden bedekt; zo bv. bij dijk- of verdedigingswerken of bij het aanleggen van spoorwegen. De afmetingen van die plakzoden variëren, maar 30 x 15-30 cm met een hoogte van 4-6 cm is courant. Ook een gazon kan op die wijze aangelegd worden. Zoden worden ook gestapeld zoals (bak)stenen om beschoeiingen, muurtjes en hutten te bouwen. Men spreekt dan van blok- of metselzoden. Ze zijn zo'n 30 x 15 cm en 10 cm hoog. Om de zoden verticaal los te maken, gebruikt men een tuin- of steekspade, een zodenbijl, een zodensteker. Ook een zodensnijder, waarvan men twee hoofdvormen onderscheidt. Het eerste model heeft een mesvormig blad van zo'n 40 cm. Soms is dit een hergebruikt blad van een zeis. Het eindigt in een dille of een angel,...
Zodenbijl (v.)
Bijl met groot, zwaar en dik (ca. 5 mm), rechthoekig (ca. 40 cm bij 10 cm) of halvemaanvormig (1) ijzeren blad dat door middel van een oog of dille verbonden is aan een lange (ca. 100 cm) gebogen steel. De snede van het blad en het uiteinde van de steel vormen een hoek van ongeveer 45°. De zodenbijl dient om de zoden - met taaie wortels - door te hakken bij oppervlakkige turfwinning, maar ook om bijvoorbeeld daar waar een greppel met de steekspade uitgegraven zal worden om draineerbuizen te leggen (zie buizenlepel en leghaak). Bij het steken van zoden om dijken of taluds te beschermen, wordt ook vaak een zodenbijl gebruikt om de oppervlakte van de weide in lange repen te verdelen, die daarna met de tuinspade dwars afgestoken worden en dan met de zodenlichter losgemaakt (2). Zo'n bijl wordt ook soms gebruikt als mestbijl, om de aaneengekoekte mest van de potstal door te hakken. Zie ook zodensteker en zodensnijder. [MOT] (1) Bv. DEBY uit DAVID 1975: 140. (2) Bv. FRICK & CANAUD: 508.
Zodensteker (m.)
Met een zodensteker kan men zoden of aangestampte mest verticaal afsteken; hij wordt ook bij het turven gebruikt. De zodensteker heeft een zwaar, driehoekig blad met afgeronde hoeken, bevestigd in een T-steel. Het dwarsstuk is breed (ca. 50 cm) en wordt met beide handen gevat, vervolgens drukt men het werktuig naar beneden met zijn gewicht. In enkele gevallen is er een steun voor de voet. Te onderscheiden van de hooispade. Niet te verwarren met de zodensnijder die getrokken wordt en de graskantsteker waarvan het blad de vorm heeft van een halve maan. Zie ook mestbijl, zodenbijl en zodenlichter. [MOT]
Zaaghaal (v.)
Voorwerp waaraan een pot of ketel bij het koken boven het vuur in de schouw gehangen wordt. Een zaaghaal heeft een langwerpig blad (ca. 70-90 cm lang; ca. 8-10 cm breed) dat aan één zijde getand is en dat eindigt in een brede (ca. 4-5 cm) haak die een omkrullend lipje heeft en waaraan de ketel gehangen wordt, een lange (ca. 90-100 cm) stang die kan glijden door een plat oog - bovenaan tegen de rugkant van het blad bevestigd - en die beneden eindigt in een haak, en een beugel die met het éne uiteinde scharniert in de haak van de stang en met het andere uiteinde onder een tand van het blad gezet kan worden. De beugel kan hoger of lager in de tanden grijpen; zo kan de hoogte boven het vuur geregeld worden. De stang eindigt bovenaan meestal in een wartel; op deze wijze kan de zaaghaal om zijn verticale as bewegen terwijl de grote ring - die aan een haak in de schouw gehangen wordt - onbeweeglijk blijft. In zeldzame gevallen eindigt de stang bovenaan in een haak (1). Er bestaan ook kleine...
Wildschaar (v.)
Grote schaar (ca. 25 cm lang) waarmee men botjes van gevogelte doorknipt. Zij heeft gebogen bladen, waarvan één getand is en eventueel een diepe inkeping net boven de as heeft om dikkere botjes - die men op deze plaats doorknipt omdat men daar de meeste kracht kan uitoefenen - bij het knippen goed vast te houden. Veelal bevindt er zich tussen beide armen een veer die de schaar steeds weer open duwt. Een haakje aan het uiteinde van één van armen of een knopje ter hoogte van de veer zorgt ervoor dat de schaar gesloten blijft als zij wordt opgeborgen. [MOT]
Wijzertang (v.)
Met behulp van de wijzertang klemt de uurwerkmaker de horlogewijzer vast. Dit is nodig wanneer hij het gat wil verbreden waarmee de wijzer op de staaf bevestigd is. Door beide kaken van de wijzertang zijn een negental gaten van verschillende doorsnede geboord. De uurwerkmaker plaatst de wijzer in de bek tegenover het gat van de gewenste grootte. Vervolgens kan hij met een ruimer door de gaten van de bek het gat van de wijzer vergroten zonder dat de wijzer kan verschuiven. [MOT]
Zoolschaafje (o.)
De schoenmaker kan de randen van de zool bijsnijden met een schoenmakersmes of met een zoolschaafje. Dat laatste heeft een dun metalen, in de breedte lichtjes gebogen blad (ca. 2 cm bij 1 cm) dat horizontaal in een koperen houder zit, die bevestigd is aan een recht houten handvat. Wanneer men het zoolschaafje gebruikt, plaatst men de hand het best zo dicht mogelijk bij het hoofdeinde. Vaak wordt het handvat naar het hoofdeinde toe verbreed zodat het beter in de hand ligt. [MOT]
Zoolmes (o.)
Het zoolmes heeft een kort (4-5 cm) tweesnijdend metalen blad dat schuin tegenover de as van de angel ligt. Het hecht is zo'n 40 cm lang. De klompenmaker gebruikt het zoolmes om de binnenzool van de klomp, onder de kap, glad te maken. Hij neemt de steel met beide handen vast: de linker dichtbij het ijzer, de rechter dicht bij het uiteinde om een hefboom te hebben. Soms ook vat hij het met beide handen naast het ijzer. Het uiteinde van de steel rust dan op zijn schouder, tegen zijn hals. De snede die steeds vlijmscherp moet zijn, wordt op een zacht stuk hout, bv. wilg (Salix) geslepen. [MOT]
Zeepkorfje (o.)
Rechthoekig of rond korfje (ca. 10 cm bij 5 cm) gevlochten in ijzerdraad, bestaande uit twee scharnierende helften waarop een of twee ca. 20 cm lang(e) hecht(en), eveneens van ijzerdraad of van hout, bevestigd is (zijn). Bij het wassen van linnen in een waskuip worden de schilfers en de restjes harde zeep in het zeepkorfje gegoten en zo in het waswater opgelost. [MOT]
Zoollikhout (o.)
Het zoollikhout is een langwerpig (ca. 15-18 cm) stuk hout - dat meestal een rechthoekige doorsnede heeft, soms in het midden wat gezwollen voor een betere grip - met getrapte uiteinden, waarmee de schoenmaker de zoolranden polijst. [MOT]
Zwabber (m.)
Handwerktuig dat bestaat uit kabelgaren, lappen of sokken (1) bevestigd aan een lange (ca. 1-1,30 m) steel en waarmee men het dek van een schip kan dweilen (2) of, eveneens aan boord, de planken van het dek kan vochtig houden (3) of zelfs een brand kan blussen (zie ook vuurzweep)(4). Hetzelfde werktuig wordt ook in huis gebruikt om de vloer te dweilen. Dan bestaat het soms uit lange pluizige draden om de vloer af te stoffen. Sommige modellen zijn voorzien van een stang in een holle steel. Bij het uittrekken van de stang wordt het werkend deel bij elkaar gedrukt zodat het overtollige water eruit loopt. [MOT] (1) DORLEIJN: 132. (2) Ook om water op te nemen in een scheepsruim (DORLEIJN: 132). (3) Men spreekt dan soms van een koelzwabber. (4) Men spreekt dan soms van brandzwabber.
Zwaaispits (m.)
De zwaaispits (1) is een handwerktuig van de steenbewerker met een lange houten steel (ca. 30-100 cm) die met twee handen gevat wordt en een lange (ca. 30-50 cm) symmetrische ijzeren kop (2 à 3 kg zwaar) met twee piramidale punten. De steenhouwer hanteert hem om de grovere oneffenheden in natuursteen weg te hakken op de verticale vlakken. Zie ook de afhouwhamer. De hamer is verwant met de bilhamer die door de molenaar wordt gehanteerd om een maalsteen te billen, maar diens banen vormen doorgaans een bredere pen. Het handwerktuig is niet te verwarren met de polka en sommige modellen van de vlecht en houweel. [MOT] (1) De term is een verbastering van het Duitse Zweispitz (twee punten).
Wigsleutel (m.)
De wigsleutel (1) is een metalen T-vormige inbussleutel waarmee de drukker sluitwiggen vastzet voor de spatiëring van het zetsel in het vormraam. Er bestaan verschillende modellen naargelang het model van sluitijzers (2). Een sluitwig bestaat uit twee metalen wigvormige blokjes met een specifieke vertanding, soms schenen genoemd. De tanden grijpen niet rechtstreeks in elkaar maar de inbussleutel past er perfect tussen of vormt de verbinding middels een klein ijzeren rolletje. Zo kan de drukker de sluitijzers gelijkmatig van elkaar verwijden of vernauwen om het zetsel vaster te zetten of opnieuw los te maken. Door formaatwit of holwit tussen de zetblokjes te plaatsen, bekomt men de gewenste spaties en alinea's in het druksel. [MOT] (1) MIDGLEY, R. & LAWTHER, G.: 37. (2) SCARON E., De leerling drukker, Turnhout, 1928: 20-23 geeft een bondig overzicht van houten en metalen sluitmaterieel.
Jaloeziewasser (m.)
De latjes van plastic jaloezieën kan men makkelijk afstoffen met een jaloeziewasser.  Kenmerkend zijn de lange kaken met mousse (of een andere stof) aan de binnenzijde om de latjes af te stoffen. De kaken zijn soms licht gebogen om de buiging van de latjes beter te kunnen volgen. Al naargelang het model heeft men één of twee bekken. In het laatste geval staan de bekken op zo'n afstand van elkaar dat men twee latjes tegelijkertijd kan poetsen. [MOT]
Zoolwieltje (o.)
Het zoolwieltje is een schoenmakerswerktuig (ca. 12-14 cm) dat bestaat uit een klein (ca. 1 cm doorsnede; enkele millimeters breed) wieltje met een motiefje dat bevestigd is in een koperen U-vormig beugeltje en een houten handvat. Nadat het opgewarmd is, wordt het over het midden van de schoenzool gerold, om daar een decoratief lijnpatroon aan te brengen.Zie ook het achterijzer met wieltje [MOT]
Zweettrekker (m.)
Werktuig waarmee men - net zoals met het zweetmes - het vocht van sterk bezwete paarden aftrekt. Het heeft een langwerpig (ca. 20 bij 5 cm) metalen blad, dat in de lengte gebogen is en haaks bevestigd is aan een rechte steel. Aan het blad is ook een rubberen band bevestigd die er aan één lange zijde onderuit steekt (ca. 1 cm). Te onderscheiden van de ruitenwisser. [MOT]
Zwikboor (v.)
De zwikboor is een fretboor om een luchtgat in een ton te boren. Haar kruk is meestal zwaar om de zwik, d.i. de pen om het gat te stoppen, in te kunnen drijven. Daarom zijn de uiteinden ervan soms met koperen of ijzeren blokjes beslagen. Het boorijzer is vaak een schroefboorijzer (zie glossarium). [MOT]
Zweetmes (o.)
Het zweetmes bestaat uit een reep buigzaam metaal - nu wel eens van plastic - (ca. 50 cm bij 4 cm), met een handvat aan beide uiteinden (1). Het dient om het vocht van sterk bezwete paarden af te strijken. Zie ook zweettrekker. [MOT] (1) Een afgedankt zeisblad werd daarvoor vaak gebruikt (bv. ''Nouveau dictionnaire universel des arts et métiers'': s.v. couteau.).
Lookpers (v.)
In plaats van look heel fijn te snijden of in een vijzel te pletten, kan men het ook persen. De lookpers bestaat uit hefbomen van de tweede soort. Een ervan is naast het scharnier breder en geperforeerd. De andere is eveneens breder en vormt een drukplaatje dat in het eerstgenoemde past. Men plaatst het teentje tussen de twee armen en drukt de tang dicht. Zo wordt het look door de gaatjes geperst. De tang kan zowel uit metaal als uit plastic vervaardigd zijn. Op sommige modellen kan één arm 360° rond het scharnier draaien. Het werkend deel is dan voorzien van plastic nopjes die de achtergebleven restjes look uit de gaatjes verwijderen. Soms zijn de armen uitneembaar om het schoonmaken te vergemakkelijken. Deze modellen zijn soms ook voorzien van een extra zeefje met kleinere gaatjes voor een fijner resultaat. Andere modellen zijn gecombineeerd met een ontpitter (zie V 89.0005). [MOT]
Loodstrekker (m.)
De loodstrekker (1) is een werktuig van de glas-in-loodzetter om de loodprofielen te walsen, waartussen het glas wordt aangebracht. Het metalen frame van zware modellen bevestigt men meestal vast aan een werkbank of -tafel (2). Met de opvallend lange zwengel (ca. 50 cm) worden stalen tandwielen aangedreven. De H-vormige profielen, die in lange rollen uit de gieterij komen, worden door de loodstrekker getrokken om de smallere zijkanten van het profiel verder te vormen (3). Binnenin zitten wangen die de grootte en vorm van de flenzen bepalen en wieltjes die de hoogte van het H-profiel bepalen, met dwarsgroeven om de grip te bieden die nodig is om het lood door de molen te trekken (4). Het lood wordt daarbij verlengd en verdund, zodat de zijkanten langs de randen over het glas kunnen worden gestreken om de compartimenten van het glasraam stevig te monteren. [MOT] (1) Onder dezelfde naam is in de handel een compact spantuig verkrijgbaar om loodprofielen vast te zetten om ze te strekken maar...
Luciferstrijker (m.)
Stenen pot (ca. 10 cm doorsnede; ca. 10 cm hoog) in de vorm van een afgeknotte kegel of bol (ca. 7 cm doorsnede), met een horizontaal geribbelde of ruwe buitenzijde waarlangs men een lucifer strijkt om deze vuur te laten vatten (1). In de pot is er bovenaan een holte voorzien waarin de lucifers rechtop worden gezet. Onder de bolle strijkpot is een schoteltje (ca. 13 cm doorsnede) aangebracht om de opgebrande lucifers op te leggen. [MOT] (1) Dat lukt enkel met de lucifers die men vroeger gebruikte; de hedendaagse veiligheidslucifers zullen geen vuur vatten als men ze over de ribbels strijkt.
Maasbal (m.)
Ei- of paddenstoelvormig, meestal glad volhouten, ivoren of benen voorwerp (ca. 8-10 cm lang; ca. 50-100 gr) waarover een te herstellen stuk stof, bv. een kous, kan worden strakgetrokken. Er bestaan ook eivormige modellen met een groef aan de buitenzijde en een schachtje waarin een haakje kan opgeborgen worden. De paddenstoelvormige maasballen hebben soms een koker in de steel om naalden in op te bergen. Ze zijn niet te verwarren met een houten pureestamper. Zie ook de maastang en de stopring. [MOT]
Looduitdrijver (m.)
Na het snijden met de lodenpijpsnijtang verwijdt de loodgieter de opening van een loden buis om een andere loden buis erin te kunnen solderen. Dit kan gebeuren met een opruimtang, een opruimkegel, een mofhout of een looduitdrijver. Dat laatste is een monoxiel cilindrisch werktuig uit palm- of azijnhout dat smaller toeloopt naar één uiteinde. Het varieert sterk van grootte naargelang de diameter van de te verwijden buis. Er wordt met een hamer op geklopt. [MOT]
Loodei (o.)
Volledig metalen werktuig met een ronde steel - die aan één uiteinde vaak omgebogen is - en een langgerekte bolvorm die zich bijna haaks ten opzichte van de steel bevindt. Het wordt door de loodgieter gebruikt om bladlood en loden pijpen te verbinden. Na het verhitten, wordt het loodei tegen de verbinding gehouden om het soldeersel vloeibaar te houden terwijl het glad gewreven wordt. Nu wordt voor dit doeleinde een soldeerlamp gebruikt. [MOT]
Loodzetbeitel (m.)
Een loodzetbeitel is een S-vormige stompe beitel, vaak met een gebogen snede, die de loodgieter gebruikt om lood en werk, d.i. gepluisd touwwerk, in de kraag van een gietijzeren buis te drijven opdat die waterdicht zou zijn. Er wordt met een hamer op geslagen. [MOT]