ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 551 - 600 1,340 resultaten gevonden
Stukadoorstroffel (m.)
De stukadoorstroffel bestaat uit een gesmeed stalen blad dat met een omgebogen angel aan een recht hecht is bevestigd. Meestal zijn blad en angel uit één stuk gesmeed, soms is de angel echter met twee klinknagels aan het blad vastgeklonken. Het blad, van vorm rechthoekig of met afgerond uiteinde, varieert in grootte, van ca. 5 cm bij 10 cm tot ca. 11 cm bij 15 cm. "De stukadoor gebruikt deze troffel voornamelijk om de specie uit de kuip op zijn spaarbord te scheppen en soms van het spaarbord weer op de muur te brengen. Verder om de mortel in de kalkkuip 'om te zetten'." (1) Met de stukadoorstroffel mag men in tegenstelling tot de metselaarstroffel geen stenen afhakken. [MOT] (1) JELLEMA: 88.
Suikerstamper (m.)
Metalen staafje (ca. 15 cm) met aan één uiteinde een ring en aan het andere een plat, cirkelvormig plaatje met nopjes. Daarmee kan men in een glas geuze bier suiker fijn stampen. Er bestaat ook een model waarvan de ring vervangen is door het blad van een lepel. Moderne versies zijn van plastic en kunnen ook dienen om een schijfje citroen in een frisdrank uit te persen (zie ook citroenknijper). [MOT]
Strobaalsnijder (m.)
Handwerktuig om de gespannen touwbanden waarmee de geperste stro- of hooibaal is gebonden, door te snijden door deze lichtjes aan te raken en het werktuig naar zich toe te trekken. De strobaalsnijder bestaat uit een driehoekvormig mes - vaak een tand van een maaibalk - dat in een houten hecht steekt. Voor hetzelfde doel worden andere, al dan niet vouwbare, messen - onder meer het snoeimes - gebruikt. Zie ook schovenmes. [MOT]
Strodekkersmes (o.)
Het strodekkersmes is een mes met groot blad (ca. 50 cm lang) met afgeronde snede dat lijkt op het vishakmes maar met een steviger blad. Het wordt door de dekker voornamelijk gebruikt om riet of stro op de gewenste maat bij te snijden, bijvoorbeeld om ze aan de rand van het dak mooi effen af te snijden. Hij kan er ook het bindtouw van de rietbossen of het bandstro van de schoven mee doorsnijden, zoals landbouwers dat doen met een schovenmes. [MOT]
Taartvorm (m.)
Cirkelvormige (ca. 10-35 cm doorsnede) blikken, aluminium of porseleinen vorm met schuin oplopende, vaak geribbelde randen, waarin het deeg komt om taarten te bakken. De geribbelde randen zorgen voor een steviger baksel. De blikken of aluminium vormen hebben vaak een losse bodem waardoor de gebakken taart makkelijker eruit te halen is. Andere modellen hebben een vaste bodem en een langwerpig plaatje dat in het midden van de bodem vastzit en over de rand geschoven kan worden. Op deze wijze kan de taart van de bodem losgesneden worden. [MOT]
Suikerdeeggieter (m.)
Om vlug een groot aantal pralines te vullen en om suikergoed te gieten in het bakje gevuld met stijfsel (zie chocoladevorm) gebruikt men een suikerdeeggieter. Hij bestaat uit een plaatijzeren recipiënt dat uitmondt in 4 à 7 conische tuiten, en is voorzien van een handvat, eventueel met haakje. [MOT]
Tang voor smeltveiligheid (v.)
De elektricien gebruikt een tang voor smeltveiligheid om de patronen van smeltveiligheden te installeren en te verwijderen. Afhankelijk van het type patroon - bv. cilindrisch patroon, glazen zekering CEHESS, enz. – en dus ook van het aantal volt wordt een ander model van tang gebruikt. Het werktuig bestaat uit een plastic, vroeger bakeliet, tang (ca. 20 cm) met afgeronde bekken. Soms is er een mof in rubber bijgeleverd voor het hanteren van glazen zekeringen. Voor de patronen van zware smeltveiligheden (tot 12000 V) die vroeger gebruikt werden in kleine verwerkingsbedrijven (van bv. verlichtingsarmaturen) werd een lange (ca. 115 cm) (1) houten tang met porseleinen isolatoren op de armen gebruikt. De tang kan al dan niet voorzien zijn van een aarding in de vorm van een kabel. Zie ook sleutel voor DIAZED-smeltveiligheid. [MOT] (1) E & E: 353; vermeldt dat deze tang in 2 maten bestaat en toont ook een ander model.
Tangpraam (v.)
De tangpraam is een metalen of houten tang bestaande uit twee hefbomen van de tweede soort (zie glossarium), die door middel van een scharnier, een ring of een touw met elkaar verbonden zijn. De twee armen zijn recht of gebogen. In het eerste geval zorgt de verbinding ervoor dat er ruimte overblijft wanneer het werktuig dichtgeknepen wordt; zo wordt de lip niet geplet. De dubbele boog in het tweede geval heeft dezelfde bedoeling. Een heugel op een van de armen en een ring op de andere maken het mogelijk het werktuig in een bepaalde stand te houden; een touw dat aan een arm vast is, vervult dezelfde rol. De tangpraam knijpt de zeer gevoelige bovenlip (1) van een paard tijdens een behandeling om de aandacht van het dier af te leiden én om een kalmerende en verdovende werking teweeg te brengen bij verontrustende (bv. oogverzorging) of pijnlijke ingrepen (vgl. praam) (2). [MOT] (1) Volgens ''Antique medical instruments'': 226 zou de tong gevat worden, maar er schijnen geen...
Teenmes (o.)
Het teenmes (1) is een klompenmakerswerktuig om de punt en eventueel de randen van de hiel binnenin glad te snijden. Het is een kort (4-6 cm) tweesnijdend blad, aan een uiteinde enigszins gebogen, in een rechte staaf eindigend. Door een angel of een dille is het met een rechte (2) houten steel verbonden. Het geheel is 50-70 cm lang. De steel wordt met beide handen gevat en het uiteinde ervan rust soms op de schouder van de vakman. [MOT] (1) De Franse benaming "rouanne de sabotier" duidt soms het teenmes aan (Encyclopédie: Oenomie rustique. Manière de faire les sabots 12), soms het zoolmes. Blijkens de afbeelding van de N.L.I. zou het ook een rits (?) (zie klompenmakersrits) kunnen zijn. (2) Franse auteurs halen soms een T-steel aan (zie DELMAS: 11: rouanne emmanchée en barre de T, en NAUTON: 3. afb.40.)
Tengelhamer (m.)
De tengelhamer is een hamer van ca. 800-1200 gr, gebruikt door timmerlieden (1), die op de klauwhamer (timmerman) lijkt maar waarvan de klauw bijna recht is. Ook is één van de punten langer dan de andere. De ambachtsman kan aldus zijn werktuig in een balk slaan om een steunpunt te hebben wanneer hij op het timmerwerk of de stelling klimt (2) en ook om te vermijden dat de hamer zou vallen (3). [MOT] (1) Volgens SALAMAN: 220 zou ook de kistenmaker dat werktuig gebruiken. Met de punt zou hij gaten slaan in de metalen banden. (2) Te vergelijken met sommige enterbijlen en brandweerbijlen (zie brandweerbijl). Hier dienen de punten echter ook tot het openbreken. (3) Volgens EMY: 1.76 en SALAMAN: 220 dient de punt ook om een spijkergat te slaan.
Tegeltang (v.)
De tegelzetter breekt tegels op maat met een tegeltang. Eerst zet men een rechte lijn uit waar men de tegel wil afbreken en vervolgens snijdt men de glazuurlaag in met een tegelsnijder. Tenslotte vat men de tegel met de tang op de lijn en knijpt de tang dicht. De tegel breekt precies op die plaats af. De kaken zijn aangepast aan het doel: de onderste kaak is smal en oefent een grote druk uit op één plaats om de tegel te breken. De bovenste kaak is breed en gevleugeld en houdt de tegel tegen. De vleugels staan licht gebogen zodat de druk nog verhoogd wordt. Op de onderste kaak zit ook een wieltje om telkens iets verder te rollen bij het breken van de tegel. Zie ook dakpantang en marmertang. [MOT]
Timmermansguts (v.)
De timmermansguts is helemaal van metaal vervaardigd en heeft een betrekkelijk smalle kop en, in verhouding tot de hele lengte van het werktuig een kort hol blad met evenwijdige zijden (3-5 cm breed). De snede is recht, de vouw over het algemeen naar binnen gericht. Het stuk dat als hecht dient, heeft een ronde, zes- of achthoekige doorsnede. Deze guts dient om ronde gaten, pengaten enz. uit te hollen, en om de met de avegaar te boren gaten, te doppen. Ze wordt steeds met de houten hamer geslagen. Zie ook schrijnwerkersguts, naafguts. [MOT]
Tongtang (v.)
Bij sommige behandelingen houdt de arts de tong van de patiënt vast met een tongtang. De kaken variëren naargelang het model. Er bestaan tongtangen met twee ringen als kaken. Ze zijn geribd aan de binnenzijde voor een betere grip. Eén van beide kaken kan ook een ellipsvormige plaat zijn, die in de grotere ringkaak past. Bij nog een ander model bestaan de kaken uit een plaatje met twee gleufjes aan de buitenzijde voor de twee gekromde tanden op de andere kaak. Hierbij zorgen de tanden voor de grip op de tong. De tang kan men in verschillende standen blokkeren door middel van een beugel en haakjes. [MOT]
Tuinspade (v.)
Vandaag is het een spade met ijzeren, min of meer rechthoekig of driehoekig blad, ongeveer een derde langer dan breed (ca. 27 x 18 cm), dat in het verlengde van een bol-, T- of D-steel ligt (1). De grootte van het blad is afhankelijk van de kracht die nodig is om de kluit op te tillen en te verplaatsen (2). Het blad van de tuinspade is soms voorzien van een voetsteun om de schoen van de gebruiker niet te beschadigen. Uitzonderlijk wordt een verlengstuk bovenaan op het blad van de tuinspade bevestigd om het werktuig als steekspade te gebruiken (3). Vroeger was de tuinspade ook volledig uit hout. Ze was dan wel beslagen. Afmetingen en vorm van het blad kunnen sterk variëren. In Ierland zijn er zelfs asymmetrische spaden (4). De tuinspade wordt gebruikt om de tuin of de akker om te spitten, om gewassen te verplanten en om te graven (5). [MOT] (1) De lengte van het werktuig kan van streek tot streek sterk variëren. Zo hanteert men in België tuinspaden van zo'n 110-120 cm lang, in Italië werktuigen van 160 tot 210...
Trogschraper (m.)
Handwerktuig waarmee de laatste restjes deeg uit de baktrog geschraapt worden. Het is een metalen handwerktuig met een breed uitlopend of vierkantig blad dat zich haaks ten opzichte van het eveneens metalen handvat bevindt (1). Zie ook deegsteker. [MOT] (1) In Groot-Brittannië zijn ook trogschrapers te vinden met angel of met dille en houten hecht.
Uitzetmes (o.)
Een uitzetmes heeft een rechthoekig (ca. 10-15 cm lang) stenen - meestal leistenen - metalen of glazen (1) blad, waarvan één lange zijde in een houten handvat steekt dat met twee handen gevat moet worden. De leerlooier gebruikt het uitzetmes om het leer uit te rekken, glad te maken, te polijsten en er het vocht uit te duwen. [MOT] (1) Zie SALAMAN 1986: 313.
Uitjestang (v.)
Met een uitjestang (ca. 20 cm lang) kan men makkelijk kleine uitjes vastnemen. Deze tang, die veelal van hout is, heeft dwars gegroefde, rechte kaken of breed uitlopende, cirkelvormige kaken. Zie ook slatang. [MOT]
Verfbusopener (m.)
De huisschilder en de doe-het-zelver gebruiken een verbusopener om het deksel van de hermetisch afgesloten verfbussen op te tillen zodat er lucht in de bus kan dringen en men deze kan openen. De verfbusopener is een plat metalen staafje (ca. 10-15 cm) waarvan het uiteinde (ca. 1 cm) is omgeplooid en verdund om makkelijker onder het deksel te geraken. Het staafje dient dan als hefboom van de eerste soort. Als het uiteinde niet is omgeplooid, heeft het de vorm van een platte schroevendraaier en/of haak. Iets kortere modellen zijn voorzien van een ring om meer druk te zetten, soms zijn ze gecombineerd met een blikprikker of een flesopener voor kroonkurk. [MOT]
Verstekschaaf (v.)
De verstekschaaf dient om kopshout te schaven in het verstekblok, d.i. een toestel om planken en lijsten in verstek (45°) te zagen en te schaven. Het is een houten of metalen (1) schaaf van ca. 30-35 cm, zonder keerbeitel, waarvan de beitel zeer schuin staat (40°; en minder) (2). De zool is soms met een metalen plaat beslagen (3). [MOT] (1) GREBER: 225. (2) Volgens ROUBO: 3.809 is de vouw naar boven gericht. Dezelfde schrijver geeft een afbeelding van een verstekschaaf met twee gaten. (3) Volgens MERTENS: 1. 18 is de zool soms enigszins uitgehold.
Vetkoelketel (m.)
Metalen ketel op poten, voorzien van twee handvaten en een kraantje. Het gezeefde gekookte vet (bladreuzel, varkensscheilvet of rundvet) wordt in de vetkoelketel gedaan om verder af te koelen. Na ca. een uur (1) kan het nog vloeibare vet via het kraantje dat zich onderaan de ketel bevindt, afgetapt worden in houten vaten, blokken of kleinverpakking (bv. zakjes) (2). [MOT] (1) Bij rundvet is de gewenste temperatuur ca. 50° C (BARETTA: 193). (2) BARETTA: 193.
Verbandschaar (v.)
Met de verbandschaar kan men gips- of stijfselverbanden verwijderen. De schaar heeft één blad met een stomp kegelvormig uiteinde, dat men onder het verband steekt; zo brengt men geen verwondingen aan. Het verband wordt in de lengte doorgeknipt en kan vervolgens verwijderd worden. Er bestaan lichte en zwaardere modellen (ca. 150-400 gr), met één of twee handen te bedienen, naargelang het te verwijderen verband. [MOT]
Vloerdrijver (m.)
Er bestaan verschillende modellen van de vloerdrijver (1) om de planken van een vloer samen te drukken. Het een bestaat uit "een ronde ijzeren staaf a, lang 1,10 m, dik 26 mm, van onderen een weinig taps bijlopend; aan het ondereinde zit een beweegbare knie b, lang 20 cm, zwaar 13 bij 52 mm en op 0,50 m uit den onderkant een beweegbaar schoorijzer c, van onderen aangepunt. De hefboom wordt in een put in de balk gestoken, zodat de knie tegen de regel drukt; door de lange hefbomen naar de planken over te trekken, drukt de knie deze in elkaar; het schoorijzer glijdt daarbij over de balk en drukt met de scherpe punt er in, zodra de hefboom losgelaten wordt, waardoor een teruggaan belet wordt" (2). Een ander model vat de balk tussen twee armen in plaats van er ingestoken te worden. Met deze werktuigen kunnen vijf tot zeven planken samen gedrukt worden. Vaak worden ze vervangen door een kram en één of twee wiggen, soms door de schietbeitel. In dat laatste geval moet elke plank afzonderlijk getrokken worden. [MOT] (1)...
Vlegel (m.)
Handwerktuig waarmee graan (1) wordt gedorst door op de grond liggende losgemaakte schoven te kloppen. Tussendoor worden de halmen met een (houten) hooivork gekeerd. Wanneer alle korrels uit de aren zijn gevallen, worden de halmen weer gebonden. Het graan wordt met behulp van een blokhark samen geduwd. Men kan zowel alleen als met verscheiden (zelfs acht) arbeiders werken. De vlegel bestaat uit een houten steel (ca. 130-150 cm) en een zwaardere - meestal uit haagbeuk (2) - knuppel (lengte ca. 60-80 cm; diam. ca. 5-10 cm) die beweeglijk aan elkaar zijn bevestigd. Afmetingen en vorm van de onderdelen verschillen naargelang de periode en de streek. Zo kan de knuppel volledig uit één stuk hout zijn vervaardigd of uit samengebonden stukken gemaakt zijn zoals bijvoorbeeld in China (3). Ook de verbinding tussen de twee delen is verschillend van streek tot streek. Het werkend deel kan voorzien zijn van een leren kap of doorboord zijn. De steel kan eveneens voorzien zijn van een leren lus of van een ijzeren...
Voegblok (o.)
Om de voegen in vers geplaatste cementvloeren glad te strijken en/of om er een bijzondere vorm aan te geven wordt een voegblok (1) gebruikt. Het voegblok bestaat uit een dik metalen (staal, brons of messing) plaatje (10 bij 3 cm) van verschillende doorsnede, afhankelijk van de vorm die men aan de voeg wil geven. Het werkend deel is aan een blok of een greep (2) bevestigd, soms ook aan een handvat met knik. Er bestaat ook een model met breed wieltje, dat men over het oppervlak laat rollen (3). [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. (2) Bv. SELLENS: 117. (3) Bv. SELLENS: 117.
Vleesvork (v.)
De vleesvork dient om stukken vlees of spek uit een kookpan te nemen of op te steken om ze te roosteren op het vuur. Het is een vork met twee, soms drie tanden en een lange - vaak haakvormig - steel (30 to 80 cm). Ze is meestal volledig uit ijzer vervaardigd. Bij een speciaal model staan de tanden haaks op de steel maar in hetzelfde vlak. Zie ook roostervork. [MOT]
Vliegenjager (m.)
De vliegenjager is gemaakt van een paardenstaart gebonden op een steel van 20-30 cm. Met dat werktuig verjaagt men de vliegen bij het beslaan of verzorgen van zenuwachtige paarden. Het werktuig is te onderscheiden van de vliegenmepper waarmee de vliegen gedood worden. [MOT]
Voorsnijmes (o.)
Met een voorsnijmes worden grote stukken vlees voorgesneden. Het heeft een enigszins buigzaam lemmet (ca. 25-30 cm lang) met een scherpe, soms omhoog gebogen punt waarmee het vlees van de botten kan worden losgesneden. Vroeger waren voorsnijmessen vrij breed zodat men het vlees er ook mee kon serveren. De meeste voorsnijmessen hebben een 3/4 of volle tong. Het hecht kan van allerlei materialen zijn gemaakt: plastic, hout, hertshoorn, roestvrij staal, zilver of ivoor. De meer stugge messen dienen om runder-, varkens- of lamsvlees voor te snijden; licht buigzame messen worden gebruikt voor gevogelte. Het wordt vaak in combinatie met een voorsnijvork gebruikt. Zie ook hammes. [MOT]
Voorhamer (m.)
Hamer met een vrij dikke wigvormige pen, die in sommige gevallen in hetzelfde vlak ligt als de steel. In tegenstelling tot de smeedhamer is de kop van de voorhamer veel zwaarder (tussen 2-12 kg) en is de steel langer (ca. 60-100 cm) zodat hij met twee handen kan worden gevat. Als de smid met één of meerdere helpers samenwerkt, gebruikt hij een smeedhamer om de plaats aan te duiden waar geslagen moet worden. De helpers hanteren dan elk een voorhamer om het eigenlijke smeedwerk uit te voeren. Ook voor het "zware" smeedwerk wordt een voorhamer gebruikt. Door zijn lange steel kan er namelijk met grote kracht mee worden geslagen. [MOT]
Voetschaar (v.)
De voetschaar is een zwaar werktuig dat op de grond staat en waarvan de metalen onderkaak met de voet tegengehouden wordt. De beweegbare bovenkaak, een hefboom van de tweede soort, heeft een snijdend blad dat tussen beide bladen van de onderkaak glijdt (1); het uiteinde van die onderkaak is geribd om een beter houvast te bieden. Met de voetschaar knipt de mandenmaker de dikkere wissen op maat. [MOT] (1) Er bestaat ook een model met een vlakke onderkaak, dat meer plet dan knipt.
Voegenkrabber (tuinier) (m.)
Handwerktuig met een plat en enigszins L-vormig blad (ca. 7 cm bij 7 cm) met een spitse punt, dat aan de rug- en voorzijde een vouw heeft, en dat bevestigd is in een houten of plastic hecht. Het wordt in de tuin gebruikt om vuil en onkruid tussen tegels en stenen te verwijderen (zie ook wiedvingerling); men kan het al trekkend en al duwend gebruiken. Met de rug van het blad kan men ook aarde van schop of spade afkrabben. Zie ook wiedhaakje. [MOT]
Vorm voor ventilatiepan / Vorm voor duivenpan (m.)
Vol houten vorm met een kort rond hecht, waarop de kap van een ventilatie- of een duivenpan gemaakt wordt. De pannenbakker legt de met de snijvorm (snijvorm voor ventilatiepan) uitgesneden kleiplaat op deze vorm en de bekomen kap wordt dan aan de dakpan, voorzien van een opening, bevestigd. [EMABB]
Vuist (metselaar) (v.)
Een vuist is een stalen hamer (ca. 1-2 kg) met twee vierkante, vlakke banen waarvan de hoeken meestal zijn afgeschuind, en korte (ca. 20 cm) steel. De metselaar gebruikt de vuist voor sloopwerk. Hierbij slaat hij met de hamer op het breekijzer. Te onderscheiden van de moker die zwaarder is en een langere steel heeft. [MOT]
Wasboender (m.)
Vroeger gebeurde het wassen met de hand. Na het koken van het wasgoed werd elk stuk ingezeept met fijngeraspte zeep (zie zeeprasp) en schoongewreven. Dat kan met de handen alleen maar men kan ook een wasbord en -boender gebruiken, d.i. een borstel zonder handvat met een houten ovaalvormig borstellichaam (ca. 18-20 cm bij 5-6 cm; dikte 2 cm) voorzien van een aantal (ca. 75) niet doorboorde gaten waarin haarbundels (ca. 3 cm lang) uit chiendent (hondsgras) of kunststofvezel steken. De rand van het borstellichaam is afgeschuind en daardoor staan de buitenste haarbundels naar buiten gericht behalve waar men de wasboender vastneemt: daar is de rand recht en ontbreken de haarbundels. [MOT]
Wiedvorkje (o.)
Het wiedvorkje is een gesmeed - nu ook van gestanst plaatijzer - vorkje met twee tot vijf tanden (ca. 3-8 cm lang; ca 0,5-3 cm tussen de tanden) en een kort hecht - uit hout, aluminium of kunststof - waarmee de tuinier en de bloemenkweker losse grond rond een plant omwoelen en onkruid verwijderen. Te onderscheiden van de penwortelsteker en het spitgreepje. Zie ook plantschopje, wiedhaakje en klauw met korte steel. [MOT]
Wasklopper (m.)
Vroeger gebeurde het eigenlijke wassen nadat het wasgoed gekookt was. De loog en het reeds opgeloste vuil, evenals de laatste vlekken moesten met zeep verwijderd worden. Dit gebeurde met de hand alleen, op een wasbord of met een wasklopper (ca. 30 bij 10 cm). Dat laatste is een houten spaanvormige klopper - te onderscheiden van de kurkenklopper en de strijkklopper - waarmee op de was geklopt werd, die men op een steen of plank legde. [MOT]
Watersleutel (m.)
Heel grote (ca. 1 m) geheel metalen dopsleutel met vast T-vormig uiteinde waarmee het werktuig gedraaid wordt. Een arm van de T is wigvormig gesmeed. Er bestaat ook een model met een gaffelvormig werkend deel. (zie foto van BRoys) De watersleutel dient om de hoofdkraan van een huis, die zich in de grond bevindt, open of toe te draaien. Met het wigvormig uiteinde verwijdert de waterfitter het gietijzeren deksel boven de kraan. Zie ook dopsleutel voor spoorschroeven. [MOT]
Walkmes (o.)
Een walkmes is een stok (30-40 cm lang, 3-4 cm dik) met aan één uiteinde een lange nagel (ca. 10 cm) die er schuin en dwars door geslagen is. Bij het walken, het met de hand kneden van de klei, snijdt men de massa klei in twee met dat werktuig. [EMABB]
Wiedhaakje (o.)
Handwerktuig dat bestaat uit een in doorsnede vierkantig (ca. 1 cm), gebogen blad (ca. 6-8 cm lang), eindigend in een spitse punt. Het is haaks in een relatief lange (ca. 25-35 cm) houten steel bevestigd, die op het uiteinde verbreedt. Het wordt gebruikt om tussen planten onkruid te wieden. Zie ook wiedvorkje en voegenkrabber (tuinier). [MOT]
Zakkenbinder (m.)
De zakkenbinder wordt vooreerst gebruikt, onder meer door de landbouwer en de molenaar, om (grote) zakken te sluiten met een dunne (ca. 1 mm) ijzerdraad die aan beide uiteinden voorzien is van een lus waar het haakvormig uiteinde van de zakkenbinder wordt ingepikt. Door het (terugverend) handvat over de schroefdraad te trekken, wordt de binddraad in elkaar gedraaid. Ook de betonstaalvlechter gebruikt de zakkenbinder (1) om de bewapeningsstaven - bij bv. vloerplaten - tot een net samen te binden. Hierbij wordt om iedere kruising een draad gebonden. [MOT] (1) WATTJES: 156 noemt dit ook een draadbindtang.
Zadelmakersmes (m.)
Dit mes is half zo groot als het rondmes en wordt ook wel kwartrondmes genoemd. Het blad snijdt aan de bolle en aan de holle zijde. Zo kan leder op maat gesneden worden door een duwende of een naar zich toe trekkende beweging. Dit model wordt door de zadelmaker vooral gebruikt om dun en soepel leder te splijten, d.w.z. om in de dikte van het leder te snijden. Met het zadelmakersmes kan men ook heel precies op maat werken: men plaatst de hoek van het mes met enige kracht op het leder en snijdt met de snede van het mes meegaand het leder op de gemarkeerde lijn door. Bij het eindpunt wordt het mes opnieuw neergezet tot de gehele snede is uitgevoerd. [MOT]
Worsthoorntje (o.)
Met een worsthoorntje kan men worsten stoppen.  Het is een trechter (ca. 10-15 cm lang) van metaal of email (1) waar het vlees meestal met de duim doorheen wordt geduwd. Een goed gereinigde darm wordt over het buisvormig uitgangsstuk gehangen en wordt zo gevuld met de vleesbrei. De slager kan ook een worstspuit of een worstpers gebruiken. [MOT] (1) De eerste waren vervaardigd van een stuk koehoorn (WEYNS 1974: 486).
Zaagzethamer (m.)
Hamer om een zaag met betrekkelijk grote tanden te zetten, d.i. om de tanden op gelijke wijze te schranken (zie glossarium). Het is een stalen hamer met dubbele pen. De uiteinden ervan zijn vaak gegroefd zodat hij niet wegglijdt wanneer men op de harde zaagtand slaat. De zaagzethamer komt in verschillende maten voor. Te onderscheiden van de haarhamer die zwaarder is en een kortere steel heeft. Zie ook zaagzetijzer en zaagzettang. [MOT]
Witloofmes (o.)
Het witloofmes dient om op het veld het loof van de cichorei (Chicorium intybus L. var foliosum) af te snijden. Het is een klein (ca. 20 cm) en licht (ca. 25 gr) mesje met recht blad en gladde snede, dat makkelijk in de hand ligt. Het lemmet wordt vaak gewet, waardoor de snede ietwat hol wordt. Het hecht kan van hout of plastic zijn. [MOT]
Zeis (v.)
Men gebruikt een zeis om gras te maaien voor het hooi, om graan te oogsten en om onkruid te verwijderen. Een zeis heeft een lang (ca. 40-100 cm) licht gebogen blad met een brede rug, eindigend in een punt, dat haaks op een lange (ca. 150-200 cm) houten of ijzeren steel - boom genoemd - bevestigd is. De verbinding gebeurt door middel van een ring en een wig of een schroef, zodat de hoek tussen blad en steel gewijzigd kan worden en het blad makkelijk afgenomen om het te haren (zie haarhamer, haarspit, haartoestel). De steel kan recht, S-vormig (1) of Y-vormig (2) zijn, zonder handvatten of met één of twee handvatten, die verstelbaar zijn. Op de rechte boom wordt soms een wethout bevestigd. Voor het hooien gebruikt men een zeis waarop onderaan een houten of ijzeren beugel bevestigd is, die het gesneden gras meesleept. Die zeis dient ook om onkruid te maaien. Wanneer tussen struiken e.d. gewerkt wordt, geeft men de voorkeur aan een zeis met kort blad (ca. 40 cm) en zonder beugel. Een zeis met een of twee houten beugels...
Zethaak (hout) (m.)
De zethaak (1) dient om stammen en balken te wentelen, ook soms om ze te trekken (vgl. kanthaak (voor stam), palter). Het is een puntig, enigszins gebogen ijzer van ca. 25-30 cm, met een oog aan het uiteinde, waarin een rechte of gebogen steel van 1,10-1,40 m steekt (gewicht: 2,5-5 kg). Het ijzer wordt op de grond gelegd, onder de stam. De gebruiker trekt op de steel, die nagenoeg verticaal staat. De punt steekt dan in het hout en de stam rolt. Wanneer een stuk getrokken wordt, slaat de gebruiker zijn werktuig in het hout, zoals hij het ook soms met zijn bijl doet, om een houvast te hebben. [MOT] (1) De benamingen van de kanthaak, de palter en de zethaak worden met elkaar verward. Dat zethaak iets anders aanduidt dan kanthaak, kan afgeleid worden uit de opsomming in VAN YK: 27: 12 sethaken, 10 kanthaken". Zelfs met de duivelsklauw, d.i. één of twee aan een touw gebonden haken, om een stam of een balk te slepen, is er soms verwarring (bv. VAN LENNEP: 18: "balkhaak, houvast, duivelsklauw, kanthaak, trekhaak"). Wanneer...
Zicht (v.)
Met een zicht wordt horizontaal doorheen het graan, peulvruchten e.d. gehakt, door een zwaaiende beweging te maken, dit in tegenstelling tot de zeis waarmee wordt gesneden. Hierdoor kan men met een zicht zwaar, legerend en zelfs dooreen geslagen gewas oogsten (1). De zicht wordt meestal in combinatie met een pikhaak gebruikt. Een zicht heeft een gebogen, gesmeed - nu ook van staal - blad (ca. 50-70 cm bij 10-12 cm op het breedste gedeelte), dat in een hoek van 60° à 90° op een korte (ca. 30-50 cm), houten steel bevestigd is. Het zichtblad is, in tegenstelling tot het zeisblad, naar de punt toe breder, om bij het slaan beter in evenwicht te blijven. De verbinding tussen werkend deel en steel gebeurt door middel van een ring en een wig, zodat het blad makkelijk afgenomen kan worden om het te haren. Het handvat (ca. 10-15 cm) is met de steel in een hoek van 60° à 90° verbonden d.m.v. een pen- en gatverbinding of een zwaluwstaartverbinding; soms is het geheel ook monoxiel. Het uiteinde van het handvat is recht, verbreedt...
Zandschop (metselaar) (v.)
Licht holronde schop met rechte snede, van plaatstaal gemaakt. Doorgaans is er geen handvat op de steel maar een T-handvat komt ook voor. De zandschop dient om zand, grind, steenslag e.d.m. te verplaatsen. De archeoloog gebruikt de zandschop om hele dunne laagjes grond af te schaven om zo de sporen zichtbaar te maken. Zie ook ballastschop. [MOT]
Zeemansknipmes (o.)
Het zeemansknipmes bestaat hoofdzakelijk uit een lemmet en een splitsijzer. Dat laatste is vaak licht gebogen, soms kan het met een veiligheidspal vastgezet worden. Een ring maakt het mogelijk het mes aan een borgtouw te binden. Niet zelden steekt een plaatje aan een uiteinde uit, dat als schroevendraaier kan dienen. Verder wordt het wel eens gecombineerd met een blikopener, een sluitingssleutel, e.d.m. Zie ook zakmes. [MOT]
Zandschop (steenbakker) (v.)
Monoxiele (wilg) schop met licht trapeziumvormig blad en afgeronde hoeken, waarmee de steenbakker het droog rivierzand in een kruiwagen schept. Dat zand moet ervoor zorgen dat de klei niet aan de houten werktuigen kleeft. De zandschop van de steenbakker is te onderscheiden van de boezemschop. [EMABB]
Zeilhaakje (o.)
Het zeilhaakje is een haakje (ca. 10 cm) met wartel waaraan een lijn bevestigd is. De zeilmaker gebruikt het bij het zeilnaaien om het doek gestrekt te houden. Het haakje wordt in het doek geprikt en de lijn wordt op de zeilmakersbank vastgezet. [MOT]