ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 501 - 550 1,340 resultaten gevonden
Schoffel met harkje (m.)
Werktuig waarbij het schoffelen en het opruimen van het onkruid in één werktuig is gecombineerd. De schoffel met harkje wordt veelal in de cichoreiteelt gebruikt waar de plantjes in rijen met een tussenafstand van 25-30 cm worden gezaaid. De schoffel met harkje bestaat uit 1 à 4 (vervangbare) rechte schoffelblad(en) van ca. 10-30 cm bij 3,5 cm met naar boven gebogen uiteinden (ca. 10 cm) die tussen twee metalen dwarsbalken geklemd zitten. Aan één zijde is de dwarsbalk bevestigd aan een beugel en dille waarin een lange (ca. 150 cm) houten steel steekt. De dille vormt een hoek van ca. 45° ten opzichte van het werkend deel. Een harkje (met ca. 6 tanden) in de vorm van een (langbenige) driehoek (vgl. eg (hand)) is met een scharnier aan de andere zijde van de dwarsbalk bevestigd. De tand op het uiteinde van het werkend deel kan men losschroeven. Al trekkend wiedt de schoffel het onkruid tussen de jonge plantenrijen (1) terwijl het harkje het bij elkaar trekt. Soms wordt er in de opening van...
Schoppriem (m.)
Lange (ca. 75-85 cm), smalle (ca. 1 cm) lichtjes gebogen staaf met één puntvormig en één schopvormig uiteinde. In het midden is er een driehoekig uitsteeksel (1). Het wordt door de strodekker in combinatie met de haakpriem gebruikt om het stro te binden. Beide priemen worden met het puntvormig uiteinde door het stro onder een deklat gestoken en schaarsgewijs geplaatst zodat de beide driehoekige uitsteeksels op de bandroede komen te rusten. Wanneer de bovenste uiteinden van de priemen naar beneden geduwd worden - het schopvormig uiteinde van de schoppriem dient als steun voor de elleboog - ontstaat een soort van hefboom en wordt het stro tegen de deklat geduwd. De strodekker heeft nu beide handen vrij om het stro te binden. [MOT] (1) Drukknopje, zetknopje of ook wel neusje geheten (TREFOIS 1970: 112).
Schoenmakersrasp (v.)
De schoenmakersrasp is een rechthoekige rasp (ca. 2 cm breed; ca. 20 cm lang) zonder handvat, waarvan de twee helften in tegenovergestelde richting raspen. De schoenmaker gebruikt deze rasp om de zolen, de zoolranden en de hielen te effenen en af te werken. De korte zijden zijn meestal afgerond; soms is één korte zijde recht. Er zijn ook modellen waarvan één zijde gegroefd is als een vijl. Zie ook pinrasp. Te onderscheiden van de hoefrasp. [MOT]
Slijmmes (o.)
Het slijmmes is een handwerktuig om te slijmen, d.i. de slijmen die zich aan de binnenzijde van dierlijke kransdarmen bevinden, te verwijderen. Na het spoelen kan de darm gevuld worden tot worst (zie ook worsthoorntje en worstspuit). Het slijmmes bestaat uit een dik (ca. 5 mm), niet snijdend blad (ca. 13 bij 2 cm) met stompe punt, dat door middel van een angel in een houten hecht is bevestigd. Dat laatste is voorzien van een beslagring en een koperen stootplaatje. De darm wordt meestal over een plank, die rechtop in een emmer staat, of over de tafelrand gelegd. Met de linkerhand wordt het begin van de darm stevig vastgehouden. Met het slijmmes in de rechterhand wordt er over de darmwand geschraapt tot de slijmerige massa volledig is verwijderd. Enige handigheid is hiervoor nodig om de darmwand niet te beschadigen. Slijmen wordt ook met de rug van een zwaar mes gedaan. Om de kransdarmen te reinigen wordt er ook gebruik gemaakt van een slijmhout. “Men neemt den (binnenste buiten...
Sleutel voor DIAZED-smeltveiligheid (m.)
Bij sommige industriële smeltveiligheden, o.a. bij de DIAZED-schroefveiligheden (1), kan men de stroomsterkte wijzigen door de zogenaamde pasring of contactschroef te vervangen. Om de ring los of aan te schroeven, gebruikt men een sleutel voor DIAZED-smeltveiligheid. (2) De sleutel bestaat uit een gespleten houten handgreep met veer en omsluitende ring eindigend in twee ijzeren pinnetjes. Er bestaat ook een model waar het uiteinde vervangbaar is (3). Zie ook tang voor smeltveiligheid. [MOT] (1) DIAZED staat voor "DI"ametral "A"bgestufter "Z"weiteiliger "ED"ison. (2) In het Nederlands spreekt men soms van een sleutel voor pasring omdat men in het Duits spreekt van Passschraubenschlüssel. (3) ''Cimco 1950'': 52.
Slöjdmes (o.)
Het slöjdmes is maar één van de handwerktuigen die men in het Zweedse slöjdonderwijs gebruikt (1). De rug van het lemmet loopt recht door tot aan de punt, terwijl de snede in lichte boog richting punt buigt. Een ander model slöjdmes is voorzien van een ''drop-pointlemmet'': een breed gevormd lemmet dat min of meer symmetrisch in een punt uitloopt. Het houten hecht is breder (tot 3 cm) dan het lemmet en ligt goed in de hand. De houtsnijder gebruikt dit scherpe mes om hout te snijden en te kerven, in het bijzonder bij sierhoutsnijwerk. Naast dit mes wordt tijdens het slöjdonderwijs gebruik gemaakt van passer, hamer, beitel, zaag, enz. Zie ook het steekmes (houtsnijder) en het kerfmes. [MOT] (1) VAN DALE: 2617 slöjd is een onderwijsmethode die zich de alzijdige ontwikkeling van het kind ten doel stelt en deze tracht te bevorderen door het te laten werken met karton, klei en hout, LEFEBURE: 155-166.
Smeedhamer (m.)
De smeedhamer is hét werktuig van de smid, waarmee hij al het smeedwerk verricht, al dan niet samen met een voorhamer. Het is een tamelijk zware (ca. 500-2000 gr) hamer met een vrij dikke wigvormige pen, die in sommige gevallen in hetzelfde vlak ligt als de steel (ca. 30-35 cm) (1). De baan is lichtbol en de scherpe kanten moeten zorgvuldig zijn weggenomen daar het te bewerken ijzer anders niet vlak afgewerkt kan worden (2). Te onderscheiden van sommige modellen bankhamers die lichter zijn. Zie ook hoefsmeedhamer. [MOT] (1) In dit geval spreekt men van een kruispen (''Tech-term'': 7). (2) VAN DONGEN: 78.
Slokdarmsonde (v.)
De slokdarmsonde dient om in de slokdarm van het vee vast zittende voorwerpen - zoals stukjes aardappelen of voederbiet - voort te duwen tot in de maag. Zij wordt tevens gebruikt om de gezwollen pens, de eerste afdeling der maag van herkauwers, te ledigen van opgestapelde gassen (zie ook trocart). De slokdarmsonde is een buigzame buis (ca. 140-200 cm) in leer of spiraalsgewijs gewikkelde ijzerdraad of rubber met aan het uiteinde een mondstuk in hout of metaal en, in de buis, een puntige houten stang. Aan het ander uiteinde is soms een houten dwarsstuk voorzien om de bek van het dier open te houden. [MOT]
Slaag (tegelbakker) (m.)
Met de slaag slaat de tegelbakker de reeds gedeeltelijk gedroogde kleiplaat vlak, vooraleer hij de tegel op het gewenste formaat snijdt. Het is een hardhouten vierkant of rechthoekig werktuig met rond hecht. Het werkend deel is steeds groter dan de te bekomen tegel. Het vlak slaan vergt een grote behendigheid omdat de tegel overal even dik moet blijven. [EMABB]
Snijmolentje (o.)
Met een snijmolentje kan men kruiden zoals peterselie, munt enz. fijn malen (1). Meestal bestaat het uit een vultrechter met een gleufjesbodem en een rechte steel. In de gleufjes draait een as - met vier rijen tandjes die loodrecht op elkaar staan - die met een draaizwengel in beweging wordt gebracht. Er bestaat ook een model met een rond recipiënt en een rasp als bodem. Twee U-vormig gebogen mesjes of twee schoepjes met omgebogen tanden, die met een draaizwengel in beweging worden gebracht, duwen de kruiden doorheen de bodem. Zie ook snijroller (groente-). [MOT] (1) Volgens CAMPBELL: 79 kan je er ook knoflook en ui zeer fijn mee malen.
Snijvorm voor ventilatiepan / Snijvorm voor duivenpan (m.)
Houten, vlakke snijmal aan de bovenkant voorzien van een klein houten blokje als handvat. De pannenbakker gebruikt deze mal om de juiste vorm en oppervlakte uit een kleiplaat te snijden. Vervolgens maakt hij hiermee het kapje van een ventilate- of duivenpan. In tegenstelling tot de snijvorm van de tegelbakker (zie snijvorm (tegelbakker)) wordt deze mal niet voorzien van metalen randen om slijtage tegen te gaan. Dat is niet nodig daar de productie van ventilatie- en duivenpannen eerder klein is. Zie ook vorm voor ventilatiepan. [EMABB]
Snijroller (groente-) (m.)
Keukengerei met snijwieltjes waarmee men peterselie, munt, uien, enz. op een snijplank fijn kan snijden (zie ook snijmolentje). Eén model bestaat uit één of twee reeksen metalen snijwieltjes (ca. 3-4 cm doorsnede) en een recht handvat bovenaan.  Een ander model heeft een reeks grotere snijwieltjes (ca. 8 cm doorsnede) rond een as, die in een plastic kap bevestigd is. Met deze snijroller kan ook groente, vlees, vis, fruit, noten, e.d. fijn gesneden worden. Wanneer de as uitgetrokken wordt, kunnen de snijwieltjes uit de kap genomen worden om ze af te wassen. Bij sommige van deze laatste modellen kan de roller vervangen worden door een andere met breed getande snijwieltjes. Wanneer men daarmee over een lapje vlees rolt, worden zelfs de fijnste vezels doorgesneden (zie ook vleesvermalser (hand)). [MOT]
Spade (holle) (v.)
Bij drainagewerken wordt de sleuf soms enkel met een tuinspade en een steekspade gegraven. Om het graafwerk te beperken wordt voor de laatste steek echter meestal een holle spade gebruikt die net iets breder is dan de gebakken draineerbuizen. Deze laatste worden dan met een leghaak in de sleuf geplaatst. De witloofteler gebruikt een holle spade om de warmwaterbuizen van het verwarmingssysteem (thermosiphon) in te graven. Het werkend deel van de holle spade is zo'n 60 cm lang en onderaan zo'n 8 cm breed. De steel is zo'n 75 cm lang en eindigt in een D-, T- of bolhandvat, al komt de rechte steel zonder handvat ook voor (1). De snede is rond. "De wegruiming wordt voleindigt by middel eener holle en zeer lange spade… Men maekt nog met die spade twee zydelingsche insnydingen voor dat men de aerde wegneemt; men regelt de schuinte van den steel zoodanig, dat men slechts op den bodem eene breedte overhoudt gelyk aen de buizen…"(2). [MOT] (1) ''Larouse agricole'':s.v....
Spaaksleutel (m.)
Een spaaksleutel wordt gebruikt - tijdens de montage, het onderhoud of de reparatie van spaakwielen op een fiets- of motorrijtuig - om de spanning van de spaken aan te passen. Dat doe je door de nippels van de spaken aan te draaien. Zo bekom je een perfect cirkelvormige velg die concentrisch is met de rijwielas en lateraal in één vlak ligt. Er bestaat een grote variatie aan modellen maar allen hebben ze in doorsnede een vierkantige uitsparing. Veelal zijn het meervoudige modellen, geschikt voor verschillende maten van spaken, met een cirkelvormig werkend deel. Een enkelvoudig model gelijkt sterk op de pijpvormige sleutel voor rolschaatsen (1). Deze kan ook in een viervoudige vorm bestaan, bv. model Nr.258 uit catalogus. Een ander model heeft een kleine uitsparing zodat het via de spaak over de nippel kan geschoven worden (zie model Nr 259 uit catalogus). Er bestaan ook verstelbare modellen (zie model Nr.261 uit catalogus). [MOT] (1) Zie Tech-term: 20.29a: enkelvoudige spaaksleutel met vleugel, geschikt voor...
Spaghettilepel (m.)
Houten, roestvrijstalen of plastic lepel met lange steel (ca. 25 cm) en 8-10 stompe tanden (ca. 2-3 cm) om spaghetti uit het kokende water te nemen en te laten uitlekken. Sommige modellen zijn voorzien van een opening in het midden van de lepel. Men steekt de spaghettilepel in de pan van de pas gekookte spaghetti en draait er mee rond zodat de tanden de slierten spaghetti meenemen. Haal het geheel boven de pan om het te laten uitlekken. Zie ook spaghettitang die wordt gebruikt nadat de spaghetti in een vergiet is uitgelekt. [MOT]
Soldeerkussen (o.)
Metalen schijfje, waarop een kluwen ijzerdraad is bevestigd, die tevens het handvat vormt (1). Het kan met de hand vastgehouden worden of op een driepoot (2) gelegd worden. Een van de operaties om een juweel te vervaardigen is het solderen, d.i. het samenvoegen van twee stukken metaal door er een derde, gesmolten, metaal tussen te laten vloeien, dat na afkoeling zorgt voor een hechte verbinding. Wanneer het werkstuk verhit wordt, zowel aan de bovenzijde als aan de onderzijde, gebruikt de edelsmid het soldeerkussen. De vlam (van de soldeerbrander) geraakt namelijk makkelijk tussen de draden die aldus het maximum aan warmte opslagen en voor een gelijkmatige verhitting zorgen. [MOT] (1) Het kan ook een hergebruik van een spoel zijn. (2) Afbeelding in EDWARDS: 56.
Snijvorm (tegelbakker) (m.)
Hardhouten (bv. eiken) snijmal voorzien van ijzeren randen om slijtage tegen te gaan. Het houten gedeelte is aan de onderzijde licht uitgehold (een paar millimeter) tot op enige centimeters van de randen opdat de snijvorm steeds vlak op de te snijden kleiplaat komt te liggen die gevormd werd in de tegelvorm en na een eerste droging, voldoende gekrompen zal zijn om ze op het juiste formaat te snijden. Zie ook snijvorm voor ventilatiepan. [EMABB]
Snijpasser (glas) (m.)
Werktuig waarmee men een rond gat uit glas kan snijden. Het bestaat uit een snijwieltje dat in een verstelbare houder zit. Die laatste is bevestigd aan een arm (ca. 10-30 cm) die rond een zuignap draait. De snijpasser wordt met de zuignap in het midden van het te snijden gat geplaatst, de juiste straal wordt ingesteld en in één doorgaande beweging kan de cirkel gesneden worden. Zie ook glassnijder en peilglassnijder. [MOT]
Sondeerijzer (o.)
Ronde of vierkante ijzeren (1) stang (0,80-4 m lang; 1-5 cm dik) eindigend onderaan in een punt en bovenaan in een oog waardoor een stok gestoken wordt dat als handvat dient; bij kleine modellen is het werktuig helemaal van ijzer en T-vormig. “Veelal zijn in de sondeerstaaf op onderlinge afstanden van ongeveer 30 cm, onder een hoek van 45° schuin naar beneden gerichte gaatjes geboord, met een wijdte van ongeveer 8 mm. Bij het uittrekken van de staaf worden deze gaatjes, vooral wanneer de grond nat is, gevuld met grond, zoodat met behulp van de sondeerstaaf dan tevens op afstanden van 30 cm eenvoudige grondmonsters kunnen worden verkregen.” (2) Bij bouw- en dijkwerken wordt het werktuig in de grond gedrukt of geslagen om de bodemgesteldheid en de dikte van de lagen te bepalen. “Uit den weerstand, welke hierbij wordt ondervonden, kan een, zij het eenigszins oppervlakkig denkbeeld worden verkregen van het draagvermogen van den grond en van den aard en van de vastheid van de door het ijzer doorboorde grondlagen. Ook...
Spitgreepje (o.)
Kleine en lichte spitgreep om in de tuin de grond te verkruimelen rond bomen en struiken. Hij is ook geschikt voor het werken in de borders, perken en plantenbakken. Terreinverzorgers van sportgrasvelden gebruiken dergelijke vork om het water in vochtige zones van een grasveld te laten indringen door gaten in de grond te prikken om het veld speelbaar te maken. Het werktuig bestaat uit vier gesmede of gestanste tanden met een rechthoekige (1 cm bij 0,2 cm) doorsnede en puntig uiteinde. De tanden kunnen zowel plat in het vlak van het blad liggen als haaks gedraaid (1). In dat laatste geval is het de bedoeling de wortels van de planten nog minder te beschadigen. Werkend deel en een houten T-, D- of knopsteel (ca. 80 cm) zijn d.m.v. een dille aan elkaar bevestigd. Te onderscheiden van het wiedvorkje dat een kortere (ca. 15-20 cm) steel heeft en dus al hurkend wordt gebruikt. [MOT] (1) HUXLEY: 122 toont een model waarvan de tanden in twee verschillende vlakken liggen.
Spijkertang (bontwerker) (v.)
Tang (ca. 20-30 cm lang) met lange (ca. 8-10 cm), platte, dwars gegroefde kaken, waarvan één aan de buitenzijde gearceerd is. Meestal is één arm recht en de andere gebogen. De bontwerker gebruikt de tang om het bont glad te trekken en vast te spijkeren, om het te laten drogen. Zij wordt in de rechterhand gehouden terwijl het bont met de linkerhand aangetrokken wordt; vervolgens wordt het aan de rand vastgepakt met de tang en wordt er een spijker op geplaatst, die in het bord geslagen wordt door er met de gearceerde onderkant van de kaak een zachte tik op te geven. Zie ook spantang en singeltang. [MOT]
Spiraalklopper (m.)
Keukengerei dat bestaat uit een in spiraal gedraaide draad en een recht hecht, waarmee eiwit kan geklopt worden. De vorm van de spiraal kan sterk variëren; ze kan o.a. peervormig of conisch zijn. Deze modellen bewegen in principe op en neer in plaats van te draaien zoals een garde; al 'verend' maken ze het eiwit stijf. Zie ook eierklopper. [MOT]
Spiraalsnijder (m.)
Met een spiraalsnijder kan men groenten of fruit in spiraalvorm snijden. Het is een plastic of metalen handwerktuig met een schroefvormige boor, haaks aan het uiteinde van een snijdend gedeelte dat eindigt in een ring. De boor duwt men lichtjes in de groente of het stuk fruit, de wijsvinger wordt in de ring gehaakt en vervolgens draait men het werktuig rond. Het snijdend gedeelte zal nu het fruit of de groente in een spiraal uitsnijden. [MOT]
Spijkerlichter (m.)
Handwerktuig dat de schoenmaker en de stoffeerder gebruiken om spijkers uit te trekken. Het is een kleine (ca. 20 cm lang) koevoet die in een houten hecht steekt. [MOT]
Spitsbeitel (m.)
De spitsbeitel is een V-vormige platte draaiersbeitel met één vouw om een groef uit te draaien. [MOT]
Sponningschaaf (v.)
De beitel van een sponningschaaf (1) steekt onderaan en aan één zijde van het blok uit om een sponning uit te schaven. Het blok heeft een aanslag of een verstelbare geleider om de breedte van de sponning te bepalen, en een aanslag of een tweede geleider om haar diepte te bepalen. Vaak snijdt een voormes, d.i. een voor de beitel rechtstaand mes, de rand van de sponning af. Sommige sponningschaven hebben een handvat. Bij de Japanse sponningschaaf (2), die niet noodzakelijk is voorzien van een geleider, zit de schaafbeitel schuin in het blok zodat de hoek tussen de twee snedes juist gelijk loopt met de zijde van het blok. Er bestaan verschillende varianten op de Japanse sponningschaaf die allen zowel een linkse als een rechtse snede hebben. Zo bijvoorbeeld het model dat een sponning schaaft waarbij de zijkant 45° bedraagt. De sponningschaaf is te onderscheiden van de bredere bossingschaaf. [MOT] (1) Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen een kleine sponningschaaf met aanslagen (glassponningschaaf) en een grote...
Spuitzak (m.)
Linnen, nylon of plastic puntzak (ca. 30-45 cm) voorzien van een kegelvormige tuit in verschillende maten (diam. ca. 0,5-2 cm), vormen (1) en materialen zoals blik, plastic, roestvrij staal en nylon die de banketbakker gebruikt om deeg te spuiten. Soms is er een ophanglus of gat voorzien aan de bovenkant van de zak om deze, na gebruik, te drogen. Op de gevulde spuitzak wordt druk uitgeoefend met de vingers en de palm van één hand. Met de andere hand wordt het tuitje geleid. Zo kan men makkelijk de vulling in verschillende patronen, afhankelijk van de maat en vorm van het tuitje, aanbrengen. Ook de spuitzak is in verschillende formaten te krijgen. De grootste zijn bestemd voor het spuiten van schuim (2) en soezendeeg. Middelgrote zakken worden gebruikt om slagroom te spuiten. De kleinste zijn voor glazuur. Hiervoor gebruikt de kok ook wel eens papieren weggooi-kornetten. De spuitzak wordt tevens voor allerhande versieringen met mayonaise, room, aardappelpuree (de z.g. pomme duchesse), enz. gebruikt. Zie ook glazuurspuit...
Spitgreep (m.)
De spitgreep (1) is een handwerktuig met - meestal vier (2) - brede, platte of in doorsnede driehoekige tanden. Werkend deel en een T-, D- of knopsteel (ca. 80-100 cm) zijn d.m.v. een angel - verstevigd door een beslaghuls -, een dille of twee veren aan elkaar bevestigd. De punten van de, licht naar voor gebogen, tanden zijn beitelvormig of puntig. Het "blad" loopt naar onder toe breder uit. Een ander model heeft bovenaan het blad een brede band om de kluiten makkelijker te dragen en om te draaien. Een spitgreep wordt gebruikt om steenachtige of sterk samenhangende (klei-)grond te bewerken (3) of te verkruimelen en om mest onder te spitten. In de (moes)tuin worden, in tegenstelling tot de tuinspade, met de spitgreep bij het verplanten de wortels van de plant minder beschadigd. Om dezelfde reden geeft de tuinier ook de voorkeur aan dit werktuig om slingerplanten en struiken uit te steken. Een iets bredere en langere spitgreep wordt als aardappelrooivork gebruikt. Zie ook spitgreepje (4). [MOT] (1) Kleine modellen...
Staarttrekmes (o.)
Hoewel ook gebruikt in plaats van het hol trekmes om smalle holronde vlakken te bewerken, dient het staarttrekmes (1) hoofdzakelijk om het binnenste van een ton glad te schaven. De ambachtsman drukt het werktuig tegen het hout met zijn linkerhand en trekt met zijn rechterhand. Het is een trekmes (zie glossarium) met half-cirkelvormig of cirkelvormig (2) kort blad waarvan het ijzer in een dille eindigt. Een ander model heeft een recht of gebogen blad en beugel, die overgaat in twee angels, die al dan niet zijn samen gesmeed. De houten steel is 20-40 cm lang. Tenslotte kan het een gebogen blad (ca. 10 cm bij 4 cm) zijn dat haaks op het uiteinde van een stang (ca. 20 cm), al dan niet met dille, is gesmeed. De houten steel is hier ca. 40-45 cm lang. Het werktuig onderscheidt zich van de steelschraper door het feit dat het vlak van het blad en dat van het bewerkt stuk hier nagenoeg evenwijdig zijn. In tegenstelling tot het lepelmes wordt met het staarttrekmes asgericht gewerkt. Het Japanse staarttrekmes, met rechte...
Splitpentrektang (v.)
Tang om splitpennen - dit zijn aan het vooreinde gespleten pennen waarvan de einden, als zij aangebracht zijn, uiteengebogen worden zodat ze niet meer uitvallen - uit te trekken. Kenmerkend zijn de twee naar binnen of naar buiten gerichte haken op het uiteinde van de kaken. Wanneer de haken naar buiten gericht zijn, wordt één haak in het oog van de pen gestoken en het hele werktuig wordt dan een hefboom; wanneer de haken naar binnen gericht zijn, wordt het oog met de twee haken gevat en wordt de pen uitgetrokken. Splitpennen kunnen ook uitgetrokken worden met een splitpentrekker. Vaak is de splitpentrektang gecombineerd met een andere tang en maakt dan deel uit van een combinatietang.[MOT]
Staartsnijder (m.)
Handwerktuig dat de hoefsmid gebruikt om bij trekpaarden de staart tot na het staartbeen af te knippen (1). Het is tangvormig met relatief lange (ca. 30-40 cm) armen, met of zonder houten handvatten. De éne kaak is U-vormig uitgesneden en is hol opdat het snijblad op de andere kaak erin past; uitzonderlijk is ze van hout (2). De staart wordt net na het heiligbeen afgeknipt, zodat hij niet meer terug kan groeien. De wonde wordt met een staartbrandijzer uitgebrand. [MOT] (1) N.L.I.: s.v. brûle-queue, vermeldt dat de staart van het paard werd afgesneden nadat het een beroerte had gekregen. (2) STOQUART: 23.
Splitpentrekker (m.)
Naast de splitpentrektang kunnen splitpennen - dit zijn gespleten pennen waarvan de einden, als zij aangebracht zijn, uiteengebogen worden zodat ze niet meer uitvallen - ook uitgetrokken worden met behulp van een splitpentrekker.  Dat is een metalen staafje (ca. 10 cm), vaak gekarteld voor een betere grip, met een haakvormig uiteinde waarvan de diameter varieert naargelang de grootte van de pennen. De haak wordt in het oog van de splitpen gestoken; de splitpentrekker wordt naar beneden geduwd - waarbij de onderkant van de haakvormig uiteinde als steunpunt dient - en de pen wordt uitgetrokken. [MOT]
Stikhaak (m.)
De griendwerker gebruikt een stikhaak om de jonge twijgen in (overjarige) hakgrienden (zie rijshaak) en in knotwilgen te stikken, d.i. dunnen (1). De stikhaak bestaat uit een sikkelvormig blad (breedte: 2 cm; dikte 2 mm) dat door middel van een angel met een steel van ca. 15-25 cm verbonden is; door steel en angel steekt een nagel. Soms is er tussen angel en werkend deel een verlenging (ca. 15-20 cm) (2) voorzien. Hiermee zou men makkelijker tussen de dikkere overjarige takken kunnen werken zonder de handen te beschadigen. Te onderscheiden van de lattentrekker die groter en zwaarder is. Zie ook snoeimes. [MOT] (1) Voor hetzelfde doel wordt ook gebruik gemaakt van een bandhaakje dat sterk gelijkt op de stikhaak. Het blad (ca. 15 bij 2 cm; gewicht ca. 150gr) van het bandhaakje is minder gebogen. (2) Bv. VINK: 17.
Stokhaak (m.)
Handwerktuig om voorwerpen op- of af te hangen. De slager gebruikt hem voor spek, worsten e.d., de stomer, voor kleren, de winkelier, voor lichte en betrekkelijk weinig verkochte goederen. De stokhaak bestaat uit een naar boven gebogen haak (ca. 5 cm) met dille waarin een lange steel (ca. 120-250 cm) steekt. Sommige modellen zijn voorzien van meerdere haken. Zie ook bootshaak. [MOT]
Stempeltang (v.)
Men kan een stempel in papier drukken met een stempeltang. De stempeltang bestaat uit twee delen: de stempel en de houder. De stempel zelf lijkt op een breed pincet dat uitloopt in twee stempelplaten. Op de binnenzijde van de platen zit de tekening van de stempel in reliëf. Deze stempel wordt in de houder geplaatst. Met een arm drukt men beide platen van de stempel tegen elkaar. Het papier ertussen wordt vervormd naar de tekening van de stempel, die trouwens makkelijk verwijderd kan worden om een andere stempel erin te plaatsen. Zie ook controletang. [MOT]
Steilblokschaaf (v.)
De steilblokschaaf is een korte blokschaaf met bijna verticale beitel, zonder keerbeitel. Ze dient om zeer harde houtsoorten te schaven of beter, te schrapen. Zie ook tandschaaf. [MOT]
Stempelhamer (leerlooier) (m.)
Houten hamer met een metalen plaatje op de baan (zie glossarium), waarop een patroon van kleine nageltjes bevestigd is; die nageltjes kunnen letters of een figuur vormen. Met de stempelhamer merkt de leerlooier de huiden: bij het slaan maken de nageltjes gaatjes in de dierenhuid. Zie ook stempelhamer (houthakker). [MOT]
Stokbeitel (m.)
De stokbeitel wordt gebruikt voor het koud of warm doorhakken van staven of ijzeren banden en tot het besnoeien van werkstukken. De smid plaatst de pen van de stokbeitel op het werkstuk en slaat met de voorhamer op de baan van het werkend deel. De stokbeitel bestaat uit een hardstalen hamerkop met in het vlak van de steel een wigvormige pen en een vlakke baan, waarin een steel (ca. 40 cm) steekt. Een zeldzaam model heeft een ijzeren steel waarbij zich tussen het werkend deel en de steel een veer bevindt (1). Deze vangt de kracht van de slag op als er niet loodrecht op de beitel wordt geklopt. De pen heeft een dubbele vouw van 30° om het ijzer warm door te hakken of van 60° om het koud te bewerken. Te onderscheiden van de stokwig. Zie ook schrooi en koubeitel. [MOT] (1) Bv. VAN DONGEN: 80.
Stookschop (v.)
Rechthoekige ijzeren schop (ca. 30 cm lang) met een dille waarin een houten D-steel steekt (ca. 70-80 cm). Ze wordt door de stoker gebruikt bij het vullen van de stookketel van een verwarmingsinstallatie of van een stoommachine, door de steenbakker, van de oven. Ze heeft opstaande randen opdat de kolen er niet zouden uitvallen bij het scheppen. Zie ook kolenschep en kolenschop. [MOT]
Stokdweil (v.)
Dweil of bos oude lappen (1) die aan een stok bevestigd zijn en waarmee schoongemaakt wordt in de bakoven voordat het brood met de ovenpaal in de bakoven "geschoten" wordt en na het verwijderen van de kolen met het rakelijzer, ook om water op te nemen in een scheepsruim (2). In de oven gebruikt men ook wel eens een natgemaakte (oven)bezem, uit rijshout van brem of berk, of een ovenwis (3). [MOT] (1) Soms zelfs een stuk afgedankt net. (VAN DE VENNE: 22). (2) DORLEIJN: 132. (3) Men spreekt van een ovenwis als er in plaats van de dweil een bosje stro op de stok bevestigd is (WEYNS 1963: 35).
Stoffeerdershamer (m.)
De stoffeerdershamer is een relatief lichte (ca. 200-400 gr) hamer - te onderscheiden van de glazenmakershamer - met een lange (ca. 10-15 cm), smalle (ca. 1-1,5 cm) kop bevestigd aan een houten steel. De hamerkop heeft één ronde baan en aan het andere uiteinde een platte pen, vaak met een klauw. De stoffeerder gebruikt de hamer om kopspijkertjes in te slaan en te verwijderen. Soms is de kop gemagnetiseerd; zo worden de spijkertjes vastgehouden, wat het werk vergemakkelijkt aangezien bij het bekleden van meubels vaak in lastige hoekjes moet worden gespijkerd. [MOT]
Stokwig (v.)
De stokwig dient om korte blokken (1) te kloven (vgl. kloofmes). Ze bestaat uit een ijzeren wig van ca. 2 kg met een oog waarin een rechte schacht van 70-80 cm steekt. Haar doorsnede is meestal niet driehoekig: de twee zijden zijn evenwijdig over ca. 6-7 cm en lopen dan smaller toe. Tegenover de stompe snede eindigt de wig in een zwaar vierkantig blok waarop geslagen wordt. Het werktuig wordt op de doorsnede van het te kloven stuk geplaatst en door een helper door middel van een sleg of een moker geslagen (vgl. kloofbijl). Zie ook kloofwig. [MOT] (1) Zie een uitzondering in SANDVIG: 7-8. De spleet waarin de houten wiggen gedreven worden om een stam te kloven, wordt met een stokwig bekomen.
Stokpuntslag (hoefsmid) (m.)
Handwerktuig dat bestaat uit een hardstalen hamerkop waarvan één uiteinde de vorm heeft van een vierzijdige piramide en het andere uiteinde een vlakke baan heeft, op een relatief lange steel (ca. 40 cm) gestoken. Daarmee maakt de hoefsmid een vierkantig gat in het hoefijzer. Het metaal moet roodgloeiend zijn; de hoefsmid plaatst het puntig uiteinde van de hamerkop op het metaal en klopt op de vlakke baan met een hamer. Zie ook stokdoorslag. [MOT]
Stikspade (steenbakker) (v.)
Spade met ijzeren blad, breder dan hoog (ca. 30 x 15 cm), met rechte of schuine snede en voorzien van een houten T-steel; wanneer de snede schuin is, gelijkt het werktuig enigszins op de overschietspade. De steenbakker gebruikt de stikspade om zavel doorheen de gerotte klei te spitten. [EMABB]
Stopmes (o.)
Het stopmes dient om stopverf aan te brengen in glassponningen. Er bestaan verschillende vormen die streekgebonden zouden zijn. Het blad kan puntig of stomp, stijf of veerkrachtig, recht of gebogen zijn. De huisschilder gebruikt het stopmes, nadat het houtwerk in de grondverf werd gezet en "afgepuimd", om spijker- en schroefgaten met stopverf te stoppen. Een eerder zeldzaam model heeft kleine sleuven in het blad (1), net zoals een glassnijder, om smalle stukjes glas af te breken. Zie ook kuipersstopmes en oestermesje. [MOT] (1) Zie JACKSON & DAY: 170 en SALAMAN 1976: 251.
Strijker (pannenbakker) (m.)
Cilindrisch stuk beukenhout waarmee door middel van een schuivende zigzag-beweging de pannenbakker het teveel aan klei van het pannenraam verwijdert. Daardoor wordt tegelijkertijd de klei gladgestreken. Daar de strijker fel onderhevig is aan slijtage moet hij regelmatig op de draaibank worden bijgewerkt. [EMABB]
Strekhout (o.)
Wigvormig houten handwerktuig (ca. 10-12 cm lang; ca. 7-10 cm breed) met een bot metalen of hoornen blad, soms met afgeronde hoeken, bevestigd in het smal toelopend uiteinde. De bontwerker gebruikt het strekhout om naden plat te strijken (zie ook robber), het soepel wrijven van gespijkerd materiaal en het oprekken van ingevochte vellen. Het wordt met de rechterhand gehanteerd terwijl men met de linkerhand het vel vasthoudt. [MOT]
Strijkglas (o.)
Glazen werktuig dat sterk op een kleine loper voor kleurstof of stamper gelijkt, waarmee linnen en o.m. borduurwerk glad gestreken wordt; het werkvlak is bolrond of heeft afgeronde hoeken. Net zoals het strijkhout warm je het strijkglas niet. [MOT]
Stophouweel (o.)
Door de spoorwegarbeider gebruikt houweel waarvan het ijzer in een punt eindigt en het andere uiteinde T-vormig is om fijne (bv. grind) en grove ballast onder de rails te stoppen. [MOT]
Suikertang (v.)
Bij het koffieservies hoort een suikertang, waarmee men een klontje uit de suikerpot neemt. Vaak bestaat ze uit 2 hefbomen van de derde soort verbonden door een veer. De kaken eindigen in tanden of in lepeltjes. Een ander model bestaat uit een staafje waarbij 3 tanden opengaan als men het naar beneden drukt. De suikertang met suikerbreektang maakt het mogelijk een klontje (1) te nemen én te breken. Men noemt ze ook klontjesschaar of suikerschaar. Deze tang verschilt sterk van de grotere suikerbreektang, die gebruikt werd om suikerbroden te breken. [MOT] (1) N.L.I.: s.v. coupe-sucre, meldt dat deze tang ook voor stukjes nougat kan gebruikt worden.