ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 501 - 550 1,327 resultaten gevonden
Kurkboor (v.)
De kurkboor wordt gebruikt in laboratoria of door de apotheker om een stop van kurk of rubber uit te boren, of een schijf uit te snijden die een dopje waterdicht maakt. Ze bestaat uit een set holpijpen uit inox met verschillende diameters (ca. 0,5-1,5 cm). Het werkend deel heeft een schuine, scherpe snede en het andere uiteinde is voorzien van 2 handvatjes (ca. 2 cm). Zie ook kurkboorslijper. [MOT]
Kurkenklopper (m.)
Monoxiel handwerktuig met een plat, vaak ovaalvormig deel waarmee men klopt en een rechte steel - te onderscheiden van de wasklopper - om stopsel in de fles te kloppen. Flessen kan men ook kurken met een flessenkurker. [MOT]
Laarzentrekker (m.)
Een stevige metalen haak (ca. 10-23 cm) met een houten, benen of metalen T-handvat (soms een ring, zie laarzenknecht) waarmee men hoge laarzen aantrekt. Soms werd op het uiteinde van het T-handvat een knopenhaakje en een holpijp gesmeed (1). Men steekt de laarzentrekker in het riempje dat aan de bovenzijde van de laars bevestigd is; vervolgens steekt men de voet in de laars en trekt men de laars aan. Wanneer de laars twee riempjes heeft, kunnen twee laarzentrekkers gebruikt worden. De haak kan een gedecoreerde schacht hebben of een bolvormig knopje op het uiteinde om te vermijden dat de haak uit het riempje zou glijden; sommige zijn vouwbaar. Om laarzen makkelijk uit te trekken, kan men een laarzenknecht gebruiken. [MOT] (1) David Stanley Auctions. 65th international auction 28th March 2015: 11.
Leerschaar (v.)
Schaar (ca. 20 cm) van de leerbewerker waarvan één blad rechthoekig (ca. 8 cm bij 1 cm) is. De bek van de schaar wordt steeds haaks ten opzichte van het materiaal gehouden om te voorkomen dat men onregelmatige snijkanten in het leder krijgt. [MOT]
Kuipersstopmes (o.)
Het kuipersstopmes (1) is een houten of metalen mes met breed en stomp lemmet, door de kuiper gebruikt om werk in te brede naden te duwen (vgl. kuipersbeiteltje). Het handwerktuig is te vergelijken met het breeuwmes, dat dezelfde bestemming heeft. [MOT] (1) Er wordt gewoonlijk van stopmes gesproken maar dat woord duidt ook een werktuig aan om stopverf open te strijken. Daarom stellen wij deze benaming voor.
Messingschaaf (v.)
De messingschaaf is een ploegschaaf (zie groefschaaf) om de messing uit de schaven. In het midden van haar zool, evenals in haar beitel is een groef uitgespaard. Tussen beide benen van de beitel wordt soms een stukje hout geklemd om te vermijden dat het gat door schaafsel verstopt geraakt. Een aanslag bepaalt de afstand tussen de messing en de rand van de plank. De zware messingschaven hebben soms een handvat en twee beitels. Soms vormen de messingschaaf en de groefschaaf één enkel werktuig, met name de dubbele ploegschaaf. De steeds smalle beitels staan dan in tegenovergestelde richting. Men kan de messingschaaf ook aan een veerploeg bevestigen. [MOT]
Mes voor kunststofplaten (o.)
Mes waarvan de korte snede eindigt in een scherpe ruitvormige punt. Hiermee wordt op de achterkant van een kunststofplaat, al trekkend, een snede van 1,5 mm diepte gemaakt. Door met de duim licht op de snijlijn te drukken breekt men de plaat. Is de afstand tussen de rand van de plaat en de snijlijn niet groter dan zo'n 12,5 mm dan gebruikt men de inkeping aan de bovenzijde van het handvat om de band af te breken. Voor het afbramen van de zijkanten gebruikt men de ronding in het mes en schuurt men hiermee langs de kant van de plaat. Zie ook balatummes. [MOT]
Melkzeefje (o.)
Klein, cirkelvormig (ca. 10 cm doorsnede), vlak met opstaande randen of lichtjes holrond zeefje van aluminium of email om het vliesje dat zich op gekookte melk vormt, te verwijderen. Te onderscheiden van het theezeefje. [MOT]
Mofhout (o.)/Mofstang (v.)
Na het snijden van een loden buis met de lodenpijpsnijtang, verwijdt de loodgieter de opening om er een andere pijp in te kunnen solderen. Dit kan gebeuren met een opruimtang, een opruimkegel, een looduitdrijver of een mofhout. Dat laatste is een monoxiel cilindrisch werktuig uit palm- of azijnhout waarvan één helft een kleinere doorsnede heeft dan de andere helft. Indien het werktuig uit ijzer is vervaardigd, wordt het mofstang genoemd. Het mofhout/de mofstang wordt met het smalste gedeelte in de loden pijp gestoken; wanneer men het verder klopt, verwijden de afgeronde schouders tussen het smalle en het dikkere deel van het mofhout de pijp. De afmetingen van het mofhout/de mofstang variëren naargelang de doorsnede van de te verwijden pijp. [MOT]
Moertang (v.)
Moeren kan men aan- of losdraaien met een moertang. De kaken zijn aangepast aan de vorm van de moer. Ze grijpen de moer op vier van de zes vlakken. Anders dan bij de moersleutels bewegen de kaken niet parallel. Soms zijn ze aan de binnenzijde geribd voor een betere grip en kan men de opening fixeren met een stelschroef. Men kan dan de tang niet verder sluiten dan de schroef het toelaat, zodat men geen te grote druk op de zijvlakken van de moer kan uitoefenen en ze daarmee zou beschadigen. Zie ook combinatietang. [MOT]
Mestbijl (v.)
Bijl met hoog (ca. 30 cm), zwaar en dik (ca. 4 mm) ijzeren blad en boogvormige snede, dat door middel van een oog of dille verbonden is aan een houten steel (ca. 90 cm). De mestbijl wordt gebruikt om de aangestampte mest -in de potstal of buiten - door te hakken, dit in tegenstelling tot de zodensteker waarmee gestoken wordt. Zie ook zodenbijl. [MOT]
Onderkapper (m.)
Werktuig waarbij hecht, al dan niet uit metaal, en gutsvormig werkend deel meestal een hoek van 90° vormen. Er bestaan ook modellen met in plaats van het hecht een tweede gutsvormig werkend deel van verschillende breedte of waarvan een uiteinde vervangen is door een nietenkapper. Bij het beslaan van een paard gebruikt de hoefsmid de onderkapper om een stukje hoorn uit de wand, vlak onder de omgebogen en afgeknipte nagels, te kappen om te voorkomen dat de niet (dit is het uiteinde van de nagel) na het omnieten (zie hoeftang), buiten de wand zal steken. Het omslaan of omnieten gebeurt om het vastzitten van de nagel te bevorderen. "Bij gevoelige voeten wordt gebruik gemaakt van de nietentang; dit is een zeer nuttig werktuig, waarbij men voor het omnieten den hamer kan missen. Elk militair hoefsmid moet dan ook voorzien zijn van een nietentang en is verplicht deze bij gevoelige voeten aan te wenden" (1). [MOT] (1) KROON & GALLANDAT HUET: 164.
Onderlegplaat (v.)
Een onderlegplaat is een ijzeren blokje voorzien van ronde en/of vierkante gaten van verschillende grootte. Een onderlegplaat wordt door de smid gebruikt bij het doorslaan van gaten met een stokdoorslag of een doorslag. Zij wordt onder het te bewerken ijzer geschoven zodat het gat in de onderlegplaat juist onder het te maken gat komt om zo de stokdoorslag niet te beschadigen. De onderlegplaat wordt gebruikt als er een gat in het aambeeld ontbreekt of voor grote gaten wordt het gat in het aambeeld gebruikt. Sommige modellen zijn voorzien van een pen, om in het aambeeld te steken (1). Te onderscheiden van het nagelijzer. [MOT] (1) Bv. SELLENS: 15.
Oefendolk (m.)
De oefendolk werd door het Belgische leger gebruikt bij de opleiding van militairen tijdens het man-tegen-mangevecht. Aan de binnenkant van het hecht is een behuizing voorzien, waarin een veer is gemonteerd waaraan een metalen blad is bevestigd. Dit blad is langwerpig en rechthoekig met afgeronde zijden, of het gaat om een ronde stang. In beide gevallen eindigt het "lemmet" in een bol van rubber of staal met een diameter van ca. 2,5cm. Bij druk op de bol schuift het lemmet in het hecht. Bij het loslaten van de druk springt het lemmet weer voorwaarts. Het hecht is uit hout of metaal vervaardigd. De oefendolk is voorzien van een stootplaat. Verwar de oefendolk niet met het bolstrijkijzer (hand) van de strijkster, noch met de bollikker van de schoenmaker. [MOT]
Ondervolder (m.)
De ondervolder wordt, al dan niet in combinatie met een bovenvolder, gebruikt bij het insmeden van kragen en halzen. Deze met de kleinste diameter worden ook gebruikt bij het voorbereiden van lasnaden. De ondervolder bestaat uit een zwaar halfronde (diam. ca. 0,5-8 cm), of trapeziumvormige kop en een korte pen (ca. 8-10 cm) die in het gat van het aambeeld gestoken wordt. Het gloeiend werkstuk wordt op het bolle uiteinde gelegd. [MOT]
Omsnijschaaf (v.)
De kim van een ton, d.i. het gedeelte tussen het uiteinde van de duigen en de kroos, wordt schuin afgekapt met een dissel. Ze enkel met dat laatste werktuig schoon effen houwen is echter moeilijk. Daarom gebruiken sommige kuipers een bijzondere schaaf die ze volkomen glad schaaft. De omsnijschaaf is ca. 15 cm lang en heeft soms een keerbeitel. Ze is in de lengte gebogen. In de breedte is ze het eveneens, maar zeer weinig. Ze verschilt van de kuipersboogschaaf door het feit dat de zool schuin staat tegenover de zijkanten. Ze is soms van een brede aanslag voorzien (1). [MOT] (1) Tech-term: afb. 9.32.
Ontpithaakje (o.)
Vele Franse bakkers gebruiken een - vaak zelfgemaakt - ontpithaakje (ca. 10 cm lang) om hun vruchten te ontpitten. Het bestaat uit een kurk met daaraan een stuk stevige, dubbelgevouwen ijzer- of koperdraad, die lichtjes gebogen is. Het ligt makkelijk in de hand en beschadigt de vruchten niet te erg. [MOT]
Paletmes (o.)
Het paletmes is een spatel- of troffelvormig werktuig (ca. 15-20cm lang) met over de gehele lengte buigzaam blad dat de kunstschilder gebruikt om verfstoffen op het palet te mengen en om verf op het doek aan te brengen (1). De spatelvormige kunnen van metaal, hout of plastic zijn en worden tevens gebruikt om, met de zijkant van het blad, natte verf weg te schrapen zonder de ondergrond te beschadigen. De troffelvormige hebben een metalen blad waarvan vorm en grootte (ca. 3-12 cm lang; ca. 3-4 cm breed) sterk variëren: het kan driehoekig, ruitvormig, ovaal of rechthoekig zijn - met of zonder afgeronde hoeken - en is met een knik aan het rechte hecht bevestigd (2). Deze laatste worden vooral gebruikt om kleine stippen of brede banen verf op het doek aan te brengen. Het paletmes met smal, rechthoekig blad bestaat ook als zakmes. Dan is het een handig kleinood om kleuren te testen. De huisschilder gebruikt ook een groter spatelvormig tempermes, waarvan het blad zo'n 15-30 cm lang is, om verf te mengen. [MOT] (1)...
Pannenvorm (m.)
Houten mal waarin de S-vormige pan (Boomse pan, Vlaamse pan) haar vorm krijgt. Ze wordt vervaardigd uit een in de lengte uitgeholde dikke wilgenhouten plank. Een uitsparing in het midden van de holle rand dient voor het aanbrengen van de neus van de pan en over de afgeronde zijkant brengt de pannenmaker de krul van de dakpan aan. De pannenvorm is niet makkelijk te maken en wordt zo veel mogelijk hersteld, vooral de zijkanten waar de slijtage groot is. Die zijkanten worden na te grote slijtage weggesneden en vervangen door hardhouten stukken, rekening houdend dat de welving nagenoeg de zelfde moet blijven. De onderkant heeft een handvat. Hierdoor kan de pannenmaker de mal omdraaien zodat de gevormde pan op de pannenlepel komt te liggen en in de droogrekken kan geplaatst worden. Er zijn zowel linkse als rechtse pannenvormen voor het maken van respectievelijk linkse en rechtse pannen. De pannenbakker maakt doorgaans zelf zijn vorm. Ook voor de nokpannen bestaan er vormen. Soms wordt de mal voorzien van een koperen...
Palter (m.)
De palter is een zware (1,5-4,5 kg) (1) metalen haak met een of twee losse ring(en) (middellijn ca.11-15 cm; gehele lengte 30-50 cm) om stammen te kantelen, om een boom die op de andere gevallen is, los te draaien en soms om kleine stronken uit de grond te trekken (2). Een houten staak (1,50-2 m) wordt in de ring gestoken met een uiteinde op de stam. Wanneer hij naar boven geduwd wordt, steekt de punt (3) van de haak eerst in het hout, daarna kantelt de stam. Wanneer deze laatste terug zou kunnen rollen, werken twee man samen: de eerste houdt het stuk tegen terwijl de andere het opnieuw vat. Er bestaan ook verstelbare modellen. De palter wordt vooral in het bos gebruikt. Op de werkplaats wordt de kanthaak (voor stam) aangewend. Zie ook zethaak. [MOT] (1) HILF: 407. (2) GAYER & FABRICIUS: 168; BOUCKAERT & POSKIN: 29. (3) Nu wordt een rechte snede aangeraden (HILF: 404) maar gewoonlijk eindigt de haak in een punt.
Overschietspade (v.)
Werktuig eigen aan de beddenbouw met vlak, breed (ca. 25-35 cm) ijzeren blad en schuine snede t.o.v. de houten T-steel (ca. 75-100 cm). Blad, dille en steel liggen in hetzelfde vlak. Snede en steel vormen een hoek van ca. 70°. De overschietspade bestaat zowel in een linkse als rechtse uitvoering. Zodra het (gezaaide) graan (1) is opgekomen, wordt met de overschietspade de aarde uit de voren tussen de bedden gespit en over de bedden gespreid zodat de jonge planten tegen gure winden en vorst worden beschermd. In tegenstelling tot de tuinspade en de steekspade bevindt het blad van de overschietspade zich haaks voor de landbouwer en werkt men voorwaarts. Te onderscheiden van de stikspade van de steenbakker. [MOT] (1) Volgens V.A.W.P: 3.182 wordt de overschietspade ook in de bloembollenteelt gebruikt.
Pannenlepel (m.)
Bolrond monoxiel (wilgenhout) werktuig met handvat waarmee de pannenbakker de gevormde pan in de droogrekken plaatst. De pannenmaker legt de lepel met de bolle zijde op de pan. Vervolgens wordt de pan met de pannenvorm gekeerd en de vorm weggenomen zodat de nieuw gevormde pan op de lepel komt te liggen. De pannenmaker houdt met de andere hand de pan nog in evenwicht en plaatst haar vervolgens met enige omzichtigheid in het droogrek. [EMABB]
Pannenkoektang (v.)
Zeldzame plastic U-vormige tang (ca. 10 cm lang) - te onderscheiden van de fototang - die men kan dichtknijpen. Zo kan er een pannenkoek mee vastgenomen worden om deze vervolgens op deze wijze op te eten. Zie ook aardbeientang. [MOT]
Pannenspons (v.)
Met een pannenspons kan men tijdens het afwassen vuile pannen proper schuren. Het bestaat uit een schuursponsje uit gegalvaniseerd ijzergaas, al dan niet bevestigd aan een plastic steel.  Zie ook vaatborstel. [MOT]
Pijpfrees (v.)
Nadat de metalen pijpen (binnendiameter 0,3-5 cm) met de pijpsnijder of de metaalzaag zijn afgekort, gebruikt de loodgieter of de fitter een pijpfrees om de braam, die zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van de pijp voorkomt, te verwijderen. Daarvoor wordt respectievelijk een mannelijke en een vrouwelijke pijpfrees gebruikt. De mannelijke pijpfrees bestaat uit een stalen kegel van verschillende afmetingen met 7 à 20 gefreesde groeven die rechte of spiraalvormige snijkanten vormen. Het vrouwelijke model bestaat uit een cilinder of kegel waarvan de binnenzijde kegelvormig is uitgehold en voorzien is van 20 à 25 gefreesde groeven met rechte snijkanten. De pijpfrees wordt, zoals de ruimer, in beweging gebracht door een wringijzer, een omslagboor of een borstboor. Soms is het uiteinde voorzien van een opening waar een stangetje (ca. 10 cm) doorsteekt en als handvat dient. Andere modellen zijn voorzien van een handvat met palrad. [MOT]
Pikhouweel (o.)
Het pikhouweel wordt door de groefwerker en de mijnwerker gebruikt om steen(kool) los te hakken. Het pikhouweel van de mijnwerker heeft zeer verschillende vormen. Het heeft een 25-35 cm lange vierkantige (ca. 2,5 bij 2,5 cm) of rechthoekige (ca. 3 bij 1,5 cm) punt met aan het andere uiteinde een oog waar de houten steel (ca. 60 cm) in steekt. In plaats van een pikhouweel gebruikt de mijnwerker ook een soort van recht houweel zodat hij met hetzelfde werktuig twee maal langer kan werken. Om niet het hele werktuig naar de smidse te moeten brengen wanneer het versleten is, wordt ook een pikhouweel gebruikt waarvan de punt losgeschroefd kan worden (1). Het model gebruikt voor rotsen is zwaarder (ca. 3-4 kg) dan dat van de mijnwerker (ca. 1,5-2 kg). Naast de punt is dit model aan het ander uiteinde voorzien van een hamer. Zie ook rivelaine. [MOT] (1) HATON DE LA GOUPILLIERE: 285.
Pikhaak (m.)
De pikhaak wordt in combinatie met een zicht gebruikt. Hij dient om bij het werk de halmen bijeen te houden en om het afgehakte graan tot een schoof bijeen te brengen. De pikhaak heeft een gebogen of recht, puntige ijzeren haak (ca. 15-30 cm) dat haaks aan een rechte houten steel (ca. 80-100 cm) is bevestigd door middel van een angel, een dille of twee veren. Op ca. 10 cm van het uiteinde van de steel is meestal een sleuf voorzien om het blad van de zicht erdoor te steken zodat het geheel over de schouder kan gedragen worden. Zie ook de kortere halmenhaak. [MOT]
Pijpschaar (v.)
Ondanks haar naam is de pijpschaar een tang. Men warmde de kaken op om kant e.d. te pijpen of er plooien in aan te brengen. De bek bestaat uit twee ronde lange staafjes. Soms draaide men touw rond de ogen van de armen om de handen te beschermen tegen de warmte. De plooischaar kon meerdere plooien tegelijkertijd aanbrengen. [MOT]
Pizzawieltje (o.)
Keukenwerktuig met een relatief groot (ca. 6-7 cm doorsnede) en stevig roestvrijstalen snijwieltje, bevestigd in een houten, plastic of aluminium hecht dat naar het wieltje toe wat wijder uitloopt, om de vingers te beschermen. Met een pizzawieltje kan men een pizzabodem uit het deeg snijden en, als de pizza gebakken is, kan men deze daarmee in punten snijden. Te onderscheiden van het deegradertje. [MOT]
Plakhamer (m.)
De plakhamer is een hamervormig werktuig van 300-600 gr waarmee een oplegblad op het blindhout gestreken wordt. Het heeft een zeer brede pen (5-10 cm) en een kort hecht. Het werkend deel is van ijzer, van hout of, uitzonderlijk van koper (1). Het oplegblad wordt aan de bovenzijde bevochtigd en langs de onderzijde ingestreken met lijm. De gelijmde zijde wordt op het blindhout gelegd. Nadat het oplegblad lichtjes is verwarmd - d.i. om de lijm, die zeer vlug afkoelt en opstijft, terug vloeibaar te maken (zie lijmijzer) - legt de vakman de pen van de plakhamer op de plaat en duwt (2) of trekt (3) hij het werktuig van het midden van de plaat tot aan het uiteinde van het blad (4). Hij begint opnieuw tot wanneer hij over heel het blad gewreven heeft. Het doel van de bewerking is het blad goed op het hout te drukken en de lijm open te strijken. De druk mag niet te groot zijn om het blad niet te scheuren. Om bij het lijmen een oplegblad aan te drukken op een bolrond oppervlak, gebruikt men een soort zak, die men op maat...
Plamuurmes (o.)
Spatelvormig werktuig dat wordt gebruikt om vulmiddel aan te brengen in kleine spleten in wand of plafond. Het plamuurmes heeft meestal een driehoekig of trapeziumvormig metalen blad (ca. 2-14 cm breed), met scherpe of afgeronde hoeken, dat soepel en (licht) verend is, en in een houten of plastic, recht hecht steekt. Met de hoek van het plamuurmes worden eerst de losse delen uit de scheur verwijderd, daarna wordt wat vulmiddel op het uiteinde van het blad aangebracht en wordt het in een doorlopende beweging in de scheur gedrukt. Door de flexibiliteit van het blad dringt het vulmateriaal in alle oneffenheden. Nadat het opgedroogd is, wordt het bewerkte oppervlak geschuurd (zie schuurpapier), opdat het vulmateriaal niet boven het oppervlak zou uitsteken. De huisschilder gebruikt tevens een plamuurmes om het houtwerk van ramen, deuren en hun kozijnen te plamuren. Er bestaan ook plamuurmessen waarvan de bladen verwisselbaar zijn. Zie ook afsteekmes. [MOT]
Planttang (v.)
Tang met twee halfcilindrische - soms spade- of troffelvormige - kaken die dicht gaan wanneer de ramen naar elkaar gedrukt worden. Een bijzonder model (van het leger?) wordt bediend met een hendel. De planttang dient vooreerst, zoals de pootboor, om bolgewassen en planten waarbij de wortels niet ontbloot mogen worden, te planten of verplanten. Hierbij worden de halfcilindrische kaken (diam. ca. 6-18 cm) van de tang in gesloten toestand in de (mulle) grond geduwd om dan de mooi gevormde kluit terug te lossen door de kaken te openen. Een groter model (ca. 120 cm) dient om makkelijk diepe, smalle kuilen in de grond te graven. De opening tussen de spadevormige, dikke (ca. 3 mm) kaken bedraagt ongeveer 15 cm in gesloten toestand. Bij het graven duwt men de plantboor halfopen in de aarde, drukt men de armen dicht en haalt zo de aarde tussen de spaden naar boven. Men kan tot 1 meter diep gaan. Deze planttang werd onder meer gebruikt om de houten elektriciteits- of telefoonpalen te plaatsen. Om grenspalen te plaatsen,...
Raapbord (o.)
Plankje met een handvat, dat gebruikt wordt om pleisterwerk door schuren een ruw, zandig oppervlak te geven, of om een betondak af te werken. Het handvat staat niet precies in het midden op het plankje maar zodanig dat men met het voorste deel van het raapbord achter de langs de wand lopende buizen kan schuren. De afmetingen zijn sterk uiteenlopend (van ca. 10 cm/8 cm tot ca. 30 cm/10 cm). De kleinere raapbordjes worden gebruikt voor kleinere vlakken (1). Tegenwoordig bestaan er ook modellen uit kunststof. Zie ook raapspaan. [MOT] (1) JELLEMA: 89 maakt een onderscheid tussen het groot raapbord dat volgens hem gebruikt wordt om het in het ruw gezette werk bij te werken, d.w.z. de gaten te vullen en oneffenheden glad te strijken en het klein raapbord - dat hij schuurbordje noemt - waarmee in ronddraaiende bewegingen de afwerklaag op de ruwe onderlaag wordt aangebracht. Soms wordt om dit schuurbordje een vilten of wollen lap gedaan, om fijner schuurwerk te bekomen.
Puntslag (m.)
De puntslag is een korte (5-12 cm), metalen cilinder met een scherp en puntig uiteinde. Hij wordt gebruikt om het midden van een in metaal te boren gat en de rand van uit te snijden plaatijzer aan te duiden en om een gat te doppen, d.i. voor het boren een klein gat in het metaal drijven opdat het boorijzer zou bijten zonder weg te glijden. De schacht is in vele gevallen gekarteld zodat hij goed in de hand kan gehouden worden. De puntslag wordt gebruikt in combinatie met een hamer. Het werktuig is te onderscheiden van de drevel. [MOT]
Pureestamper (m.)
Keukengerei waarmee men aardappelen en andere groenten fijn kan stampen. Het bestaat uit een ronde, ev. bolronde, houten schijf waarin een steel steekt. Daarmee worden de gekookte aardappelen door de gaten van een vergiet gedrukt. Het werktuig kan ook in een pureezeef werken en dan is zijn vorm eraan aangepast (1). Naast de houten pureestamper bestaan er ook metalen, van ijzer, aluminium of plaatijzer. Met deze werktuigen, met opengewerkt stampgedeelte, hoeft men niet meer in een vergiet of een zeef te werken. Zie ook aardappelstamper (vee). [MOT] (1) Bv. LUCAS s.d.: 26.
Puntbeitel (m.)
De puntbeitel is een metalen beitel zonder hecht (ca. 20-30 cm en meer) met een spitse punt die de vorm heeft van een piramide met vier zijden. De doorsnede varieert van 8 mm tot 1,5 cm. De steenhouwer gebruikt hem om steen te bewerken (te “spitsen”, te “punteren”) tot een vrij ruw oppervlak met duidelijke puntindrukken, soms in een waaiervorm. De beeldhouwer gebruikt hem om de grote overtollige delen van het steenblok weg te slaan en zo de eerste ruwe vorm aan het beeld te geven. De puntbeitel wordt beslagen met een houten steenhouwersklopper of een steenhouwersvuist. [MOT]
Pureezeef (v.)
Metalen zeef (ca. 15-35 cm) die conisch of bolrond is en waarmee men met behulp van een houten, respectievelijk kegelvormige of bolronde, stamper (zie ook pureestamper) gekookte aardappelen of andere groenten doorheen duwt, om puree te bekomen. De kegelvormige stamper past met zijn smal uiteinde in de bodem van de zeef en wordt langs de randen gerold; de bolronde stamper wordt met lichte druk over de zeefbodem heen een weer bewogen. De kegelvormige zeven hebben veelal een onderstel zodat ze over een pan kunnen gezet worden; ze kunnen ook een handvat hebben. De bolronde hebben twee handvatten waarmee ze over een pan gezet kunnen worden. Zie ook pureeknijper. [MOT]
Puimsteen (werktuig) (o.)
Puimsteen is grijs, glasachtig vulkanisch gesteente met veel luchtbellen en dat zeer poreus is. Natuurlijke puimsteen is zeer ongelijk van structuur en bevat dikwijls scherpe stukjes kwarts die bij het schuren krassen kunnen veroorzaken. Daarom gebruikt men vaak kunstmatige puimsteen, vervaardigd uit gemalen en gezifte puimsteen met een bindmiddel. Veelal wordt het aangewend om schilderwerk af te schuren, maar ook in de lichaamsverzorging wordt de puimsteen gebruikt. Zie ook schuurpapier. [MOT]
Radijssnijder (m.)
Tangvormig instrument waarvan één kaak schepvormig is en één cirkelvormig met centraal een cirkelvormig mesje waarrond straalsgewijs een achttal mesjes gegroepeerd zijn. Aan het uiteinde is er een V-vormig mesje. Wanneer men een radijs in de schepvormige kaak plaatst en de tang vervolgens toeknijpt, dringen de mesjes in de radijs en wordt zij in bloemvorm uitgesneden. Met het V-vormig mesje kan men driehoekige stukjes uit de rand van de schil van uitgeholde citrusvruchten snijden. [MOT]
Riffelrasp (v.) / Riffelvijl (v.)
Riffelraspen en riffelvijlen bestaan in een grote verscheidenheid van vormen, grootten (ca. 12 tot 50 cm) en groften. Meestal hebben beide uiteinden van het werktuig een gebogen werkend deel, maar er bestaan ook modellen met een angel waarop een hecht steekt. De gebogen vorm maakt het mogelijk ingewikkelde profielen en moeilijk te bereiken hoekjes en bochtjes af te werken in hout, steen, gips en metaal. [MOT]
Ringkegel (m.)
Lange (ca. 40 cm), taps toelopende stalen staaf, die de edelsmid gebruikt voor het rondmaken van de schacht van een ring of het rondmaken van een kas voor een zetting. Naast deze ronde vorm zijn er ook ovale en hoekige; ook grotere maten zijn verkrijgbaar voor het maken van bepaalde vormen voor bv. armbanden, medaillons en doosjes. De ringkegel is te onderscheiden van de ringstok, d.i. eveneens een taps toelopende stalen staaf, hol of massief, met een schaalverdeling in cijfers om de maat van een ring vast te stellen. [MOT]
Rijstmesje (o.)
Het rijstmesje is een uiterst licht (ca. 20-60 gr) mesje waarmee in Indonesië de vrouwen rijst oogsten. Het heeft een klein (ca. 5-7 cm bij 1-2 cm) en zeer licht (max. 5 gr), lichtjes bolrond lemmet, aan de bovenzijde gevat in een bamboehouten hecht. Dwars op de bovenzijde van het hecht wordt een bamboestokje - soms aan één zijde puntig gesneden - geplaatst, dat men in de hand vat; zo ligt het mes comfortabeler in de hand. Omdat men met dit mes aar per aar moet oogsten, is het mogelijk in éénzelfde veld de rijpe aren te selecteren en de andere nog even te laten staan. [MOT]
Scheermes (o.)
Het scheermes is samen met de kam en de schaar het traditionele instrument van de kapper. Met dit vlijmscherpe mes wordt hoofd- en baardhaar geschoren. Hecht en lemmet bestonden vroeger uit een geheel. Later werd het hecht uit hoorn, plastic of metaal vervaardigd. Het lemmet is van staal en varieert in lengte van 10 tot 22 cm. Het blad is hol geslepen; vanaf de afgeronde bolle lemmetrug loopt het lemmet hol naar binnen tot aan de snijkant. Het lemmet wordt handmatig en scharnierend in het hecht opgeborgen. Soms wordt over het mes nog een beschermende stalen hoes geschoven. Sommige modellen bevatten een vervangbaar blad. Men plooit het mes open in een hoek van ca. 45°. De ringvinger klemt tussen heft en lemmetuiteinde, wijs- en middelvinger houdt men op de botte zijde van het lemmet, de duim plaatst men onderaan de botte zijde van het lemmet. Zo heeft men het mes stevig vast bij het scheren. Een veiliger scheermes is het veiligheidsscheermes. Zie ook effileermes en effileerschaar. [MOT]
Scheerkwast (m.)
Kwast om scheerzeep aan te brengen alvorens zich te scheren met een scheermes of een veiligheidsscheermes. Een scheerkwast bestaat uit een bundel nekhaar van de das (1), varkenshaar (vroeger ook paardenhaar), zijde of nylon vastgelijmd in een handvat gemaakt uit hoorn of been, hout, metaal, bakeliet of plastic. De kop van het werkend deel is kegelvormig of bolvormig. De scheerkwast wordt eerst met heet water natgemaakt en met draaiende bewegingen over het potje met vaste scheerzeep gewreven. Bij gebruik van een scheerstick wordt deze over de te scheren baard gewreven en met de natte scheerkwast tot een licht schuimend laagje gebracht. Scheerschuim of -gel worden op de natte scheerkwast gespoten. De kwast wordt zo vastgenomen dat je de basis van de haren met de vingers grijpt. Het scheerschuim wordt op de baardharen aangebracht met heen en weergaande bewegingen of met pompende en draaiende bewegingen (2). [MOT] (1) De zachte dassenharen hebben een groot absorberend vermogen. (2) DE BROUWER & VAN LIEROP: 96-97.
Scharnierbeitel (m.)
Volledig van metaal vervaardigde beitel om scharniergaten van o.a. vleugelfitsen te hakken. De scharnierbeitel heeft een dun (2 tot 4 mm), breed (ca. 2-3 cm) blad, voorzien van één tot drie punt(en). Soms is het blad, waar de punten bijeenkomen, cirkelvormig uitgesneden om spaanders te verwijderen (1). Bij een ander model wordt op het blad kleine tandjes uitgesmeed zoals op een rasp. Deze wordt gebruikt wanneer er een kwast zit op de plaats waar men het gat moet hakken. Zie ook schietbeitel. [MOT] (1) Bv. SALAMAN 1975: 140.
Schaafmes (steenbakker) (o.)
Werktuig meestal volledig uit ijzer, met een vierkantig of rechthoekig blad (15-20 cm lang, ca 12 cm breed) waarvan een lange zijde omgekruld is om het grijpen te vergemakkelijken; soms worden gewoon twee plankjes op het blad bevestigd. Het handwerktuig gelijkt op de deegsteker van de broodbakker. Met het schaafmes ontdoet de steenbakker diverse voorwerpen, bv. zijn vormtafel en werktuigen, van kleiresten. [EMABB]
Schephand (tuinier) (v.)
Met een schephand in elk hand kan men makkelijk in één keer een grote hoeveelheid lichte tuinafval, zoals bladeren, gras of takjes oprapen. De schephand bestaat uit een groot plastic trapeziumvormig hol blad met afgeronde hoeken, voorzien van een indruk waar vingers en arm in passen en met een riem om de pols tegen te houden. Bovenaan is een opening voorzien om ze al hangend op te bergen. [MOT]
Sauslepel (m.)
Om vlees of schotels te bedruipen met saus gebruikt men een sauslepel. Dat is een lepel met een komvormig (ca. 5 cm doorsnede), metalen blad met aan één zijde een uitschenktuitje en een lange (ca. 25-30 cm), eventueel houten steel. De steel ligt in hetzelfde vlak als de schep - in tegenstelling tot de pollepel - wat het scheppen in ondiepe braadpannen vergemakkelijkt. [MOT]
Schotelklem (v.)
Zoals de schoteltang wordt ook de schotelklem gebruikt om pannen zonder handgrepen van de warmtebron te tillen. Een model is gemaakt om een warme (pyrex)schotel uit de oven te nemen zonder zich te verbranden. Het werkend deel (ca. 3 cm breed) dat haaks op de as zit, grijpt de binnen- en buitenzijde van de pan. Een veer zorgt ervoor dat de pan ertussen geklemd blijft. Soms is het werktuig gecombineerd met een flesopener voor kroonkurk. De schotelklem gemaakt voor (pyrex)schotels bestaat uit een metalen handvat (ca. 17 cm) met verbreed uiteinde (ca. 6 cm) en 2 uitstekende tanden. Tussen laatstgenoemden bevindt zich een beweegbaar staafje waarmee je de lip van de schotel tussen het bovenste deel van het werktuig en het staafje kan vastklemmen. De tanden bevinden zich onder de handgreep tot aan de rand van de schotel. [MOT]
Schildershakmes (m.)
Het schildershakmes heeft een vrij dik, breed (3,5 cm) en kort (10 cm) blad, al dan niet gevat in een houten, lederen of rubberen handvat (1). Het handwerktuig eindigt op een schuine (ca. 80°) of haakse snede. De snede aan de lange zijde van het blad is recht en scherp, terwijl de rug van het mes breed is (ca. 5-7 mm) opdat men er met een hamer op kan slaan. De schilder gebruikt dat hakmes voor het uithakken van oude stopverf uit glassponningen. [MOT] (1) Een eerder zeldzaam model heeft, in het handvat, kleine sleuven die, zoals bij een glassnijder, als glasgruizer dienen, d.i. om smalle strookjes glas af te breken (VAN DER KLOES & VAN DER BEEK: 183; FLEURY: 81).