ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 201 - 250 1,272 resultaten gevonden
Dekkersheugel (m.)
Zodra de dekker het stro of het riet op het dak gespreid heeft, legt hij er een twijg op. Om te vermijden dat ze voor en tijdens het binden van het dak zou glijden - en ook om het stro te persen - steekt de vakman er door het stro een dekkersheugel naast. De dekkersheugel bestaat uit een plat ca. 35-45 cm lang stuk ijzer met twee tot vijf diepe zijdelingse inkepingen, waarop een haakvormige stang van ca. 10 cm loodrecht gesmeed is. Een van de uiteinden eindigt in een punt, het ander steekt in een houten hecht of vormt een ring die als handvat dient. Een van de inkepingen haakt achter de lat, de kleine stang drukt de twijg naar beneden. Zo kan ze niet meer weg en is het samendrukken van de laag stro met haak- en schoppriem (zie haakpriem) gemakkelijker. De dekkersheugel wordt soms door houten mikken vervangen. Die houden de twijgen goed tegen maar drukken ze niet naar beneden. [MOT]
Dekspaan (v.)
Nadat het riet is vastgeklemd met de dekkersheugel worden met de dekspaan de stoppeleinden van de rietstengels gelijk en op de vereiste dikte opgeklopt. Zo verkrijgt men een dak met vlak en egaal aanzien (1). De dekspaan is een vierkante of rechthoekige (ca. 14-20 cm x 24-30 cm) dikke (ca. 3-4 cm) houten (eik of essehout) plank (2) met aan de onderzijde rijen geboorde gaten (diam. ca. 1 à 1,5 cm; diepte ca. 1,5 à 2 cm). De stoppeleinden van de rietstengels passen in de doorboorde gaatjes van de dekspaan zodat ze niet kan wegglijden (3). Bovenaan is een houten steel (ca. 35-100 cm) bevestigd die een hoek van ca. 15° met het werkend deel vormt. De modellen met korte steel zijn soms voorzien van een zetje (zie haakpriem) en veelal gebruikt bij reparatiewerken. Deze met lange steel worden gebruikt voor het zwaardere drijfwerk. De dekspaan is soms voorzien van een haak om het tijdelijk op het dak te hangen. Na het opkloppen kan het riet vastgebonden worden (zie haakpriem en schoppriem). [MOT] (1) VAN HEMERT & VAN...
Diepvriesmes (o.)
Getand mes (ca.20-30 cm) met een houten of plastieken hecht waarmee men diepgevroren voedsel kan snijden.  Het lemmet kan lange, puntige tanden of een brede, scherpe golfsnede hebben (vergelijk broodmes en sneeuwzaag).  Het kan ook aan de andere zijde een snede hebben waar bv. brood mee kan gesneden worden. [MOT]
Dijkboor (v.)
Moet men het regen- of sneeuwwater op de akkerlanden snel afvoeren, dan kan men een gat boren door de dijk met behulp van een bijzondere grondboor, de dijkboor. Ze bestaat een uit een boorijzer (diam. 5-15 cm), dat guts- of schulpboorvormig (1) is, op een ijzeren stang (lengte ca. 180-320 cm; diam. ca. 3 cm) voorzien van een afneembaar ijzeren kruk (ca. 60 cm) (2). De meeste modellen kunnen verlengd worden door stangen (ca. 140-260 cm) in elkaar te steken en te bevestigen met een bout met moer. De lengte van de stang bij de dijkboor (ca. 140-260 cm) is langer dan bij de grondboor (ca. 80-150 cm). [MOT] (1) In dat geval is er aan het uiteinde vaak een haak (vgl. naafboor). (2) ''Landverbeteringen'' uit DAVID 1975a : 202, beschrijft een dijkboor waar de kruk niet op het einde van de stang bevestigd is. Dat uiteinde loopt door en er wordt een balk of plank tegen gedrukt, die werkt als hefboom en het indringen vergemakkelijkt.
Distelsteker (m.)
De distelsteker heeft een rechthoekig blad met rechte snede (ca. 3-5 cm breed). Het blad is met een dille bevestigd aan een rechte, houten steel van ongeveer 1,20 m lang. Met de distelsteker kan men zonder bukken de penwortel van distels (of van zuring) onder de bladkraag afsteken zodat het onkruid niet teruggroeit. De distelsteker wordt vooral gebruikt op weiden en op graanvelden die breedwerpig gezaaid zijn en waar geen andere afdoende methode bestaat. Het distelsteken is vaak vrouwenwerk. De distelsteker wordt door de herder soms als wandelstok gebruikt. Te onderscheiden van de penworteltrekker. Zie ook disteltang, penwortelsteker en aspergesteker. [MOT]
Disteltang (v.)
De landbouwer kan onkruid met lange, diepe wortels zoals distels uittrekken met een disteltang. Deze grote houten tang (ca. 90 cm) heeft vaak geribde kaken voor een betere grip. Men plaatst ze op de plant en trekt voorzichtig de plant uit. De wortels zitten vaak zeer diep en breken makkelijk af. Men voert dit werk dan ook best uit wanneer de bodem erg vochtig is en een beetje meegeeft. Zie ook penworteltrekker en distelsteker. [MOT]
Dolhamer (m.)
Zware hamer om te slachten vee te bedwelmen, om ze nadien met de halssnede te doden. Het bedwelmen kan geschieden met een slachtmasker, een (pen)schiettoestel of een dolhamer (1). Het kan een houten hamer (ca. 5-6 kg) met lange steel zijn (zie sleg). Het werkend deel kan ook van metaal zijn en gelijken op een steenklophamer. Of een hamer met een metalen kop die aan één zijde een staafvormig uiteinde heeft, waarmee men doorheen de schedel kan slaan om de hersenen te verbrijzelen. Een ander model bestaat uit een uitgeholde pen en een haak als ander uiteinde. De haak zou dienen om de pen, wanneer deze vast komt te zitten, uit de schedel te trekken. Zie ook stokdoorslag. [MOT] (1) Verboden sinds 1920 (bij Kon. Besluit van 5 juni) in Nederland. In Frankrijk sinds 1964.
Dooierscheider (m.)
Met een dooierscheider kan men eiwit en dooier makkelijk van elkaar scheiden. Het is van blik of plastiek, rond (ca. 6-10 cm), met gaten of sleufjes onderaan en eventueel met een handvat. Wanneer men de dooierscheider boven een kommetje plaatst en het ei erboven breekt, blijft de dooier liggen in de kleine uitholling in de bodem van de dooierscheider terwijl het eiwit door de openingen in het kommetje druipt. De dooierscheider kan ook van steen zijn. Het bestaat dan uit een schaaltje met gleuf dat op een recipiënt past. Schaaltje en recipiënt vormen aldus één geheel. [MOT]
Doornhaagschaar (v.)
De doornhaagschaar dient om doornige heesters te snoeien en om takken af te knippen die te dik zijn voor de snoeischaar (tot ca. 2,5-3 cm). Ze bestaat uit twee hefbomen van de eerste soort, die rond een spil draaien, of uit een aantal op elkaar werkende hefbomen. De ca. 5 cm lange bladen met gebogen snede eindigen in twee angels die in 40-50 cm lange houten stelen steken; uitzonderlijk vervangen twee veren de angels en worden de houten handvatten erop bevestigd met een bout (1). Eén van de bladen eindigt soms in een haakje waarmee de tak naar zich getrokken kan worden. Enkele doornhaagscharen hebben een dubbele stompe, maar geribde kaak. De griendwerker gebruikt soms een schaar met gebogen armen zodat hij zich minder hoeft te bukken om dicht bij de grond te knippen. Zie ook haagschaar. [MOT] (1) Vandaag gaat het om een geheel metalen werktuig.
Doorslag (smid) (m.)
Korte (10-17 cm) stalen cilinder, aan de omtrek vaak gekarteld, met steeds een vlak uiteinde (diam. ca. 1,5-6 mm), om gaten in dun plaatijzer te slaan. Onder de plaat wordt een stukje lood of kopshout gelegd, de doorslag wordt op de plaat geplaatst en aan het andere uiteinde wordt er met een bankhamer op geslagen. De smid gebruikt ook een zwaarder (15-25 cm; diam ca. 1 cm) model om in een gloeiend stuk ijzer gaten te slaan. Onder het werkstuk wordt dan een onderlegplaat gelegd en er wordt op de doorslag geslagen met de smeedhamer. De doorslag kan verschillende vormen aannemen naargelang het gat rond, vierkantig of langwerpig moet zijn (1). Zie ook stokdoorslag. Te onderscheiden van de drevel die een kegelvormig of licht uitgehold uiteinde heeft. [MOT] (1) Bv. ZWIERS: s.v. doorslag.
Dopsleutel (m.)
De dopsleutel is een moersleutel (zie glossarium) met een hol (drie-, vier-, zeskantig enz.) ondiep (vgl. pijpsleutel) werkend deel waar de moer of de kop van de bout volledig in past. Dat werkend deel staat vaak los van het hecht zodat verschillende maten met hetzelfde hecht gedraaid kunnen worden. De kracht op het werkend deel wordt uitgeoefend op een haak-, T-vormig of recht hecht (haak en T worden soms gecombineerd door middel van een scharnierend uiteinde). Niet zelden staan twee of meer werkende delen op hetzelfde hecht. Een combinatie met een steeksleutel bestaat. Er zijn ook dopsleutels met ratelgreep, die het mogelijk maken te werken zonder het werkend deel op het einde van de beweging telkens te lichten. Ook een booromslag kan op de losse werkende delen passen. Zie bougiesleutel, horlogesleutel, klinksleutel, pianosleutel, watersleutel en wielmoersleutel. [MOT]
Dopsleutel voor spoorschroeven (m.)
De spoorwerker gebruikt een dopsleutel sterk gelijkend op de watersleutel maar zonder wigvormig uiteinde, om de kraagschroeven aan- of los te draaien waarmee de spoorstaven (met een Vignoleprofiel) op de dwarsliggers bevestigd worden. [MOT]
Draaddoorsteker (m.)
Hulpmiddel om makkelijk de draad door het oog van een naald te steken. Het bestaat meestal uit een dun ruitvormig metalen lusje dat in een plastic of metalen plaatje bevestigd is dat als handvat dient. Soms is het slechts een ijzeren reepje met een haakje. Men steekt het werkend deel door het oog van de naald en de draad door het lusje of haakje. Bij het terugtrekken van het werktuig komt de draad mee door het oog. Zie ook maastang. [MOT]
Draadknipper (m.)
Draad kan men doorknippen met een draadkniptang of een draadknipper. Dat laatste is een tangvormig werktuig met twee bladen die telkens drie U-vormige uitsparingen hebben. Wanneer men de armen opentrekt, komen de drie uitsparingen in de twee bladen met elkaar overeen en kan de draad ertussen geplaatst worden. Wanneer men de armen toeknijpt, worden de bladen - en tevens de uitsparingen - verschoven en wordt de draad afgeknipt. Zie ook isolatiepijpsnijtang. [MOT]
Draadkniptang (v.)
Draad kan men makkelijk met een draadkniptang doorknippen. Al naargelang de draad en de bereikbaarheid bestaan er verschillende modellen. De benaming hangt af van de ligging van de snede tegenover het vlak van het werktuig. De snijdende kaken kunnen in hetzelfde vlak liggen en dan spreken we van een zijkniptang. Wanneer de kaken haaks op het vlak van het werktuig zitten, noemen we het een kopkniptang. Verder zijn er heel wat variaties op de draadkniptang. Bij sommige tangen liggen de snijdende bladen in hetzelfde vlak als het werktuig, maar haaks op de as. Eén van de kaken eindigt dan vaak in een haak om de draad makkelijker te vatten. De armen zijn soms geleed. Men combineert de draadkniptang ook met een platbektang, een plombeertang of een wringtang. Zie ook draadknipper en boutenschaar. [MOT]
Draadsnij-ijzer (voor bouten) (o.)
Werktuig om een uitwendige schroefdraad te snijden aan ijzeren bouten en dunne staven. Er bestaan verschillende modellen, die allemaal van gehard staal zijn. Het kan een troffelvormig werktuig zijn van variërende grootte (ca. 15-35 cm lang) met in het blad verscheidene gaatjes met draad van verschillende diameter (van enkele millimeters tot 1 cm), voor bouten van verschillende grootte (1). De bout wordt in een bankschroef geklemd en het overeenstemmende gat van het snij-ijzer wordt op het uiteinde geplaatst. De vakman draait vervolgens het werktuig over de bout naar beneden, erop lettende dat het loodrecht op de bout blijft. Het draadsnij-ijzer kan ook een rechthoekig plaatje zijn met in het midden een - eventueel verstelbare - uitsnijding, met rechte handvatten aan de twee korte zijden (2). Daarmee kan men makkelijker draaien. In sommige gevallen is er op hetzelfde draadsnij-ijzer ook een snijtap om inwendige draad te snijden aan de bijbehorende moer (zie draadsnijtap...
Draadsnij-ijzer (voor buizen) (o.)
De loodgieter gebruikt een draadsnij-ijzer voor het snijden van uitwendige schroefdraad aan buizen. De snijdraad bevindt zich in een cilindrisch onderdeel (ca. 10-15 cm doorsnede), waarvan het verlengde op het uiteinde van de buis - die vastgeklemd zit - geplaatst wordt en aldus dienst doet als geleider; op deze wijze staat het draadsnij-ijzer steeds loodrecht op de buis. Het draadsnij-ijzer kan één of twee lange (ca. 50 cm) rechte handvatten hebben, die meestal demonteerbaar zijn. De draad wordt gesneden door het draadsnij-ijzer volledig rond de buis te draaien. Wanneer er maar één handvat is, kan het draadsnij-ijzer uitgerust zijn met een palrad zodat het niet volledig rondgedraaid moet worden. De snijdraad zelf is vervang- of verstelbaar om draad aan buizen van verschillende diameter te kunnen snijden. Zie ook draadsnij-ijzer (voor bouten). [MOT]
Draadsnijblok(o.)
Het draadsnijblok dient tot het snijden van een uitwendige schroefdraad in een stuk hout. Het is een langwerpig houten blok, o.m. van haagbeuk (Carpinus betulus) (1), waardoor in het midden een gat geboord is en waarvan de twee uiteinden in handvatten eindigen. In het gat steekt een mesje, soms twee, en is een schroefdraad getrokken. Het te bewerken stuk hout wordt in de bankschroef geklemd en het gesmeerde gat van het snijblok op zijn uiteinde geplaatst. De vakman draait dan het werktuig zoals een avegaar, erop lettend dat het loodrecht op het stuk blijft. Zie ook de draadsnijtap (voor hout). [MOT] (1) KARMARSCH: 1.765.
Draadsnijtap (voor hout) (v.)
De draadsnijtap is een handwerktuig om een draad in een houten moer te snijden. Het kan een houten cilinder zijn waarin een draad gesneden is. Aan het uiteinde zijn één of twee zijdelingse mesjes bevestigd; door het ander steekt een kruk om het werktuig te doen draaien. Het kan ook een stalen cilinder zijn, soms met vier overlangse gleuven, waarin een draad getrokken is. Hier snijdt de stalen draad zelf het hout uit, er is dan geen mesje. Een uiteinde van de cilinder heeft dezelfde doorsnee als de binnendiameter van de schroefdraad; het ander is vierkantig en past in een kruk. De vakman boort met een gewone boor een gat in de moer; de doorsnee ervan is gelijk aan de binnendiameter van de draad zelf. Hij smeert dan zijn snijtap en snijdt de draad in het gat (vgl. schroefkam). [MOT]
Draadsnijtap (voor metaal) (v.)
De draadsnijtap is een handwerktuig om een draad in een metalen moer te snijden. Het gaat om een stalen cilinder of kegel, doorgaans met vier overlangse gleuven, waarin een draad getrokken is. De cilinder eindigt in een vierkantige kop die in een kruk past. De draadsnijtap kan ook gecombineerd zijn met een kalkoensleutel. De vakman boort met een gewone boor een gat in de moer; de doorsnee ervan is gelijk aan de binnendiameter van de draad zelf. Hij smeert dan zijn snijtap en snijdt de draad in het gat. Zie ook draadsnij-ijzer (voor bouten). [MOT]
Draadstripklem (v.)
De geverniste isolatiemantel van elektrische draden kan men met een draadstripklem verwijderen. Het kan een pincet zijn. Dit is een tang van kleine afmeting (ca. 8-12 cm), bestaande uit twee hefbomen van de derde soort. Met de getande, licht gebogen kaken - al dan niet vervangbaar (1) - schraapt men over de draad (ca. 0,5-1 mm). Hoe fijner de draad hoe fijner de tandjes moeten zijn. Om de draad niet te beschadigen, is op een van de armen soms een kort stangetje bevestigd dat dienst doet als stop. Een ander model bestaat uit twee scharnierende plaatjes, voorzien van elk twee uitsparingen en een houder. Voor dunne draden wordt het werkend deel verkort, door het in de hoogste uitsparing in te klemmen, waardoor de druk tussen de plaatjes verhoogd. Deze kan ook lichtjes worden bijgeregeld met een schroef die door de armen van de houder steekt. Zie ook draadstriptang. [MOT] (1) Bv. CIMCO: 28.
Draadstriptang (v.)
De isolatiemantel van elektrische draden kan men met een draadstriptang knippen en aftrekken. De tang mag hierbij de kern echter niet raken en moet de mogelijkheid bieden het afgesneden stukje mantel te verwijderen. Er bestaan verscheidene oplossingen, die men tot drie groepen kan herleiden. Een draadstriptang met asgerichte trek houdt men in het verlengde van de draad. Men vat de draad tussen de kaken, vervolgens knipt men de mantel door en trekt men de mantel los. De kaken zijn ingesneden zodat ze geen druk op de kern uitoefenen. Men heeft één of twee inkepingen voor draad van verschillende dikte of één grote V-vormige inkeping met stelschroef; naargelang de diameter van de draad stelt men de schroef bij. Een draadstriptang met zijdelingse trek houdt men haaks op de draad. Men steekt de draad in één van de inkepingen tussen de armen, sluit deze en trekt de mantel van de draad. De armen tellen zo'n zestal ronde inkepingen met schuine wanden voor draden van verschillende dikte. Vaak heeft deze tang ook knipgaten...
Draadtrekijzer (o.)
Het draadtrekijzer is een werktuig van de edelsmid om koperen, zilveren of gouden draden te trekken. Het is een stalen blok met steeds grotere gaten van verschillende vormen: rond, vierkant, rechthoek, halfrond, ovaal, ovaal met punt, driehoek, peer, ster enz.; vaak is er een trekijzer per vorm, maar soms ook verschillende vormen in een trekijzer. Aan een zijde is de opening van de gaten trechtervormig om het insteken van de draad te vergemakkelijken; aan de andere zijde is de scherpe rand verwijderd om geen sporen na te laten. Bij het trekken van dunne draad wordt het trekijzer in de bankschroef bevestigd en werkt men uit de hand of met een draadtrektang. Voor dikkere draad wordt met een draadtrekbank gewerkt. [MOT]
Draadtrektang (v.)
Draad van rekbaar metaal, bv. ijzer, goud of zilver, kan met behulp van een draadtrekijzer en een draadtrektang dunner gemaakt worden. Die draad wordt daarvoor telkens door een smaller gat van het draadtrekijzer getrokken. Men herhaalt de handeling zo vaak als nodig. De menselijk trekkracht kan rechtstreeks op de tang uitgeoefend worden of kan door middel van een draaikruk en tandraderen vermenigvuldigd worden. De draadtrektang heeft zware kaken waarvan de dikte en de grootte sterk kunnen variëren. Ze maken het mogelijk de draad in de as van de armen te vatten; voor een betere grip zijn de binnenvlakken gekarteld. De armen van de tang lopen niet parallel. Wanneer rechtstreeks met de hand gewerkt wordt, is het uiteinde van een arm omgebogen zodat makkelijker getrokken kan worden (1). Wanneer men via een draaikruk of bv. met waterkracht te werk gaat, zijn de uiteinden van beide armen omgebogen; een ring loopt over die beide armen (2). Wanneer hieraan getrokken wordt, komen de uiteinden van de armen...
Draadzaag (arts) (v.)
Zaag die bestaat uit een dunne, gedraaide staaldraad (ca. 35-75 cm lang) waar aan beide uiteinden een handvat aan gehaakt zit. Ze wordt door de chirurg gebruikt om beenderen door te zagen en is te onderscheiden van de draadzaag die de houthakker gebruikt. De staaldraad kan ook gespannen zijn in een boogvormig frame met een T- of D-handvat. Zie ook amputatiezaag. [MOT]
Draadzaag (houthakker) (v.)
De draadzaag is een dunne (1 mm), betrekkelijk korte (ca. 50 cm) staaldraad waar scherpe groefjes in gedraaid zijn en met aan beide uiteinden een ring. Met deze zaag, die men makkelijk op zak kan dragen, kunnen dunne takken afgezaagd worden. Wil men hoge takken afzagen, bevestigt men een touw aan elke ring. De zaag kan dan omheen een tak geworpen worden. Met één of twee personen wordt aan de touwen getrokken. Zie ook kettingzaag (hand). [MOT]
Draagtang voor spoorbalken (v.)
Spoorwegarbeiders kunnen spoorbalken makkelijk verplaatsen met een draagtang. De bek is aangepast aan de last, aangezien er draagtangen bestaan voor trottoirbanden, smeltkroezen, spoorrails enz. De armen lopen van elkaar weg, zodat ze automatisch klemmen zodra het werktuig opgelicht wordt. Deze tangen zijn één van de weinige tangen die door twee personen gehanteerd worden. Zie ook uitdraaghaak (2 man). [MOT]
Draaiersguts (v.)
Guts zonder borst, met betrekkelijk dik ijzer en naar buiten gerichte vouw, van 0,6 tot 5 cm breed. De snede is niet recht maar puntig. De vouw is kort voor ruw werk, lang om een groef uit te draaien (1). De guts is hét werktuig van de draaier: daarmee draait hij de vorm van een voorwerp uit. [MOT] (1) Bv. DE VALICOURT: 1.205.
Draaihaak (m.)
De draaihaak is een metalen staaf (ca. 20-30 cm) waarvan een uiteinde in een hecht steekt, het ander haaks gebogen is. Dat uiteinde is afgeschuind. Soms is de staaf T-vormig zodat er twee sneden zijn.  De houtdraaier hanteert het handwerktuig aan de draaibank om een stuk hout zijdelings uit te hollen. [MOT]
Draaizaag (v.)
De draaizaag is een spanzaag (zie glossarium) van ca. 60 cm die sterk op de schulpzaag gelijkt maar met smal blad (1 cm) en betrekkelijk breed gezette tanden zodat ze gemakkelijk kromme lijnen kan volgen. Dank zij de knoppen die het aan beide uiteinden tegenhouden, kan het blad in zijn raam in alle richtingen gedraaid worden. Het kan bovendien losgemaakt worden om door een in een plank geboord gat gestoken te kunnen worden. Deze zaag wordt verticaal gehanteerd. Zie ook gewone spanzaag. [MOT]
Drevel (m.)
De drevel is een korte (10-15 cm) metalen cilinder, aan de omtrek vaak gekarteld, soms kegelvormig of lichtjes uitgehold aan een uiteinde, om nagels in, soms uit te drijven. De timmerman gebruikt een boutdrevel, d.i. hetzelfde werktuig (1), maar zwaarder (15-25 cm), om toognagels uit te drijven, om ze in te drijven zonder de balk met de hamer te raken, enz. Het uiteinde is meestal plat. Het spitse uiteinde van de drevel wordt op de kop van de nagel geplaatst en op het andere wordt met de hamer geslagen. De kegelvormige punt maakt een klein gaatje in de kop en voorkomt het wegglijden van de drevel. Wanneer het uiteinde uitgehold is, komt de kop van de nagel in de holte. De Japanse drevel (Japans: kugisime) heeft aan één uiteinde, zoals de westerse, een lange (15,5 cm) smalle punt en wordt op het andere uiteinde geslagen met de hamer. Typisch aan het Japans model is dat er nog een tweede, korte (3 cm) punt haaks op de eerste staat. Met de hamer slaat men op het platte zijvlak. ...
Drevelhamer (m.)
De drevelhamer dient om zware nagels, bouten en toognagels in en uit te drijven, en wordt vooral door de scheepstimmerman gebruikt. Het is een zware metalen punthamer op een lange steel gestoken. De punt is recht en heeft de vorm van een afgeknotte kegel. Het werktuig wordt door middel van een hamer of een moker geslagen. Zie ook drevel. [MOT]
Drijfband (m.)
Een drijfband is een zware metalen of houten band om de duigen van een ton te buigen. Deze band, veel dikker (tot 3 cm) dan de hoepels die de duigen samenhouden, wordt om de rechtstaande duigen gelegd en naar beneden gedreven met een hamer. De kuiper slaat rechtstreeks op de band en niet op een hoepeldrijver zoals voor de hoepels. [MOT]
Drijfijzer (o.)
Het drijfijzer (1) is een handwerktuig dat door lederbewerkers wordt gebruikt om reliëfversieringen aan te brengen op kleine lederen voorwerpen, zoals lederen sleutelringen en portefeuilles. Op het rechte houten handvat volgt een koperen staafje dat eindigt in een koperen bolletje. De diameter van het bolletje varieert van ongeveer 3 tot 6 mm. Voor het aanbrengen van de versieringen wordt het leder vochtig gemaakt, zodat het bij het bosseleren goed meegeeft. Soms wordt het drijfijzer verhit om de patronen in het leder te branden. Voor hetzelfde doeleinde gebruikt men het pyro-elektrische drijfijzer. Niet verwarren met het bolstrijkijzer (hand). Zie ook steekmes (leerbewerker). [MOT] (1) SALAMAN 1986: 198.
Druivenoogstmes (o.)
Een miniatuur snoeimes (ca. 15 cm) met een kort blad (ca. 4-5 cm) waarmee druiven geoogst worden. Niet zelden vormt het uiteinde van het hecht een ring waar de pink kan doorgestoken worden. Het mes wordt hoofdzakelijk in het Franse Bordelais gebruikt. [MOT]
Druivenoogstschaar (v.)
Druiven kan men o.m. oogsten met een druivenoogstmes of een druivenoogstschaar. Met deze laatste verkrijgt men een veel mooiere snede dan met een oogstmes. De schaar heeft twee smalle bladen (ca. 1 cm) met een rechte snede; de armen kunnen van metaal zijn of uit een houten bekleding rond een metalen plaatje bestaan. Zij worden bijeengehouden door een ringetje dat zich aan de benedenzijde van één arm bevindt en dat rond de andere arm bevestigd kan worden. Tussen de armen bevindt er zich een veer. Zie ook druivenschaar. [MOT]
Druivenschaar (v.)
Met een druivenschaar kan men aan tafel makkelijk druiven van een tros afknippen. Het is een schaar met korte (ca. 3-5 cm), smalle (ca. 5 mm) bladen met een stompe punt en lange (ca. 10 cm) armen. De punten zijn bot zodat de druiven niet beschadigd worden bij het knippen. Vaak zijn deze scharen versierd met druivenmotieven. Zie ook druivenoogstschaar. [MOT]
Duigenhouwer (m.)
Aan een gekloofd stuk hout wordt met behulp van een kuipersbijl of een duigenhouwer de grove vorm van een duig gegeven. De kuiper houwt de brede zijden om een vrijwel vlakke binnenzijde en een enigszins bolronde buitenzijde te bekomen. Van de uiteinden van de smalle zijden hakt hij een lange driehoek af opdat de duig breder zou zijn in het midden dan aan de uiteinden. De duigenhouwer - die sterk op het kloofijzer lijkt - weegt ca. 1,5 kg en heeft een langwerpig blad (ca. 30 cm) dat loodrecht in de rechte steel (ca. 50 cm) bevestigd is en dat eindigt in twee punten. De snede bevindt zich onderaan - aan de lange zijde - die lichtjes gebogen is. [MOT]
Duikersmes (o.)
Elke duiker heeft een duikersmes met zich mee om, onder water, snel en gemakkelijk een in de knoop geraakt touw of net door te snijden. Het wordt ook gebruikt om schelpen open of los te wrikken. Het is een stevig roestvrij stalen (1) mes voorzien van een, meestal aan beide zijden snijdend, lemmet (ca. 10-16 cm; dikte 4 mm) met gladde en zaagsneden (vgl. koordjesmes) (2) en puntig of afgeplat uiteinde, dat stevig in een ergonomisch gevormd handvat zit. Deze laatste is steeds uit een slipvrij materiaal zoals plastic of rubber gemaakt. Ook is er tussen blad en hecht een "stootplaat" voorzien zodat de hand, bij het steken, niet over het scherpe lemmet kan glijden. Het duikersmes wordt in een plastic schede (3) gestoken die aan de gordel of de kuit van je onderbeen wordt gedragen. De kortere modellen bevestigt men aan de boven- of onderarm. [MOT] (1) Het leger, o.a. de zeemacht en de mijnenveegdienst, bezit ook amagnetische duikersmessen. (2) In BSAC: 55 is de zaagsnede vervangen door een scherpe haak. (3) De helmduiker...
Dunschiller (m.)
Met een dunschiller schilt men aardappelen en andere groenten (1). Het handwerktuig kan bestaan uit een langwerpig (ca. 7 cm) in de lengte U- of V-vormig gebogen blad met een scherpe gleuf, in een recht hecht gemonteerd. Een model bestaat uit een vervangbaar mesje. Door het mes op de groente te plaatsen en het naar zich toe te trekken, wordt er een dun laagje afgeschild. Het uiteinde is puntig zodat men aardappelen ermee kan pitten. Bij sommige modellen bevindt zich hiervoor een puntig uitsteeksel boven het blad. Het is mogelijk dat er aan één zijde botte tandjes aanwezig zijn. Daarmee kan men eventueel vis ontschubben (zie schubbenschraper) of boterkrullen trekken (zie botertrekker); de precieze bestemming is ons niet duidelijk. Het langwerpig blad kan ook bevestigd zijn tussen de uiteinden van een U-vormige metalen houder (ca. 5 cm/10 cm) die aan beide zijden op gelijke hoogte naar binnen gebogen is. Hier plaatst men de duim en wijsvinger; de dunschiller ligt op deze wijze makkelijk...
Dwarsaks (v.)
De dwarsaks dient tot het uithakken van zware pen en gat verbindingen. Ze heeft een ca. 30-40 cm lange steel. Haar soms iets gebogen blad vertoont een zekere gelijkenis met het blad van de dubbele steekbijl maar is veel korter (ca. 50 cm) en heeft een dubbele vouw. Het handwerktuig wordt op een andere wijze gehanteerd dan de steekbijl. De steel wordt hier met beide handen gevat en de beweging is dezelfde als deze van een bijl. [MOT]
Dweilwringer (m.)
De dweilwringer is een toestel of handwerktuig waarmee men makkelijk een dweil kan uitwringen. Eén model betreft een geperforeerde metalen bak (ca. 20 cm breed; ca. 35 cm hoog) met een hendel, die men over de rand van een emmer kan hangen. Men stopt de natte dweil erin en drukt de hendel naar beneden; twee stevige plastic onderdelen bewegen nu naar beneden en persen het water uit de dweil. [MOT]
Edelsmidshamer (m.)
Kleine (ca. 15-25 cm), lichte (ca. 50-100 gr) hamer waarvan het hoofd (ca. 7-10 cm) één wigvormig uiteinde heeft en één cirkelvormig of vierkantig (ca. 1 cm). De steel is van hout. Een ander model is volledig van metaal met een korte, ronde steel. De edelsmid gebruikt deze hamer om heel fijn en precies werk uit te voeren, o.a. bij het ciseleren. [MOT]
Eenarmsmes (o.)
Een eenarmsmes combineert mes en vork in één en hetzelfde werktuig. Het heeft een lemmet met een vorkvormig uiteinde. Zo heeft men maar één hand nodig om voedsel te snijden en op te pikken. Vaak is het een vouwmes (zie zakmes). Het lemmet kan ook aan de steel van de vork bevestigd zijn; het heeft dan een afgeronde snede en werkt volgens hetzelfde principe als het wiegmes of het groentehakmes met afgeronde snede (1). Een eerder uitzonderlijk model bestaat uit een dubbel, scharnierend hecht met aan één uiteinde een naar beneden gebogen vork en aan het andere uiteinde een snijblad met eveneens een vorkvormig uiteinde en een gleuf waarin de andere vork bevestigd is. Men prikt met de ene vork in het voedsel dat men wil snijden en knijpt het dubbel hecht dicht. Het snijblad beweegt nu langs de vork naar beneden en snijdt het voedsel. Vervolgens draait men het werktuig om om met de andere vork het gesneden stukje voedsel op te pikken en naar de mond te brengen. [MOT] (1) GALTIER-BOISSIERE:...
Eestschop (v.)
De eestschop is een brede (60-100 cm) en vlakke, volledig houten schop met lange steel (150-180 cm) (1). Ze is rechthoekig met opstaande randen en groter dan de graanschop en omzetschop. De hopteler hanteert de eestschop om de in de eest of ast gedroogde hop weg te scheppen van de droogplaats naar de koelkamer om ze in grote jutezakken te verzamelen voor verdere bewaring en transport. (2) [MOT] (1) In Engeland zijn ook modellen met korte D-steel gangbaar. (2) In sommige dialecten spreekt men over het afschieten van de hop vanop de droogzolder rechtstreeks in de jutezakken, vandaar de term 'afschieter'.
Effileermes (o.)
De kapper gebruikt het effileermes om haar uit te dunnen of te trimmen. Het effileermes combineert de kam en het scheermes in één instrument. Het hecht is langwerpig (ca. 13 cm) en is vervaardigd uit hout, ijzer, aluminium of plastic. Het scheermesje zit geklemd in een houder bestaande uit twee metalen plaatjes waarvan minstens één kamvormig is. Hecht en houder bestaan uit een geheel, of zijn samengesteld. Soms scharniert de houder open of wordt hij losgeschroefd zodat men er een vervangbaar scheermesje in kan vastklemmen. Bij een ander model is de houder vierkantig en volledig uit plastic. In dat geval zitten twee scheermesjes aan weerszijden in de houder vastgeklemd. Zie ook effileermes (paarden), hondenscheermes en effileerschaar. [MOT]
Effileermes (paarden) (o.)
De ruiter gebruikt een zwaar (ca. 75 gr) effileermes om de manen van het paard uit te dunnen. Het effileermes voor paarden bestaat uit een dik (ca.3 mm) blad waarvan de punten van de kam V-vormig zijn geslepen. Het houten hecht is ca. 10 cm lang. Het blad kan ook in het hecht draaien zoals bij een knipmes. [MOT]
Effileerschaar (v.)
Nadat de kapper de haren met een kappersschaar heeft geknipt, gebruikt hij een effileerschaar om ze zo te knippen dat er in een pluk haar verschillende lengtes voorkomen; dit om beweeglijkheid en textuur te krijgen of om het haar uit te dunnen. De techniek bestaat er uit om twee à driemaal schuin in het onderste deel van een gemiddeld dik pluk haar te knippen met enkele centimeters tussenafstand. De effileerschaar is een licht roestvrijstalen schaartje (ca. 13-17 cm) met aan beide zijden een getand blad. De (langere) tanden van één blad hebben aan hun uiteinde een schuinstaande V-vormige inkeping om het haar vast te houden tijdens het knippen. De tussenafstand van de tanden verschilt van ca. 3 mm bij de grove modellen tot ca. 0,7 mm bij de fijne modellen. Hoe dichter de tanden op elkaar staan, hoe meer er wordt uitgedund. De ogen, waar juist één vinger in past, kunnen uit kunststof zijn. Soms is er aan één oog een pinnetje voorzien waar de ringvinger tegen duwt. Een ander model, ook...
Eg (hand) (v.)
De handeg is een kleine eg die door één arbeider wordt getrokken om de bovenlaag van gespitte of geploegde grond los te maken, te verkruimelen en vlak te strijken. Ze wordt ook gebruikt om meststoffen en zaden in de grond te werken. De eg (hand) bestaat uit een houten of ijzeren, meestal driehoekig, raam waarin houten of ijzeren ronde, vierkantige of ruitvormige tanden (ca. 12-16 cm) schuin steken. Soms is de afstand tussen de tanden regelbaar (1). Afhankelijk van de helling en de trekrichting, dringen de tanden 1 tot 7 cm diep in de grond. Het trektouw wordt aan één hoek van het raam bevestigd. Er wordt getrokken door middel van een dwarsstok of een schouderband (2). Zie ook grondhark, grondfrees (hand) en schoffel met harkje. [MOT] (1) Bv. Manufrance: 697. (2) Bv. Manufrance: 697.
Ei-ontdopper (m.)
Met een ei-ontdopper kan men het kopje van een ei afsnijden. Het kan van plastic zijn met een cirkelvormige uitsnijding en een mesje dat zich aan een bewegende arm bevindt. Men plaatst het ei in de uitsnijding, beweegt de arm naar binnen en het kopje wordt afgesneden. Het kan ook een langwerpig stuk metaal zijn met een cirkelvormige uitsnijding. Met een scharnierend mesje - waar zich ook nog een puntig uitsteeksel aan bevindt dat dienst kan doen als eierprikker - wordt het kopje van het ei verwijderd. Zie ook eierschaalsnijder. [MOT]