ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 201 - 250 1,346 resultaten gevonden
Deegrol (m.)
Met een deegrol wordt deeg vlak uitgerold.  Het is een gladde, plastic of hardhouten - uitzonderlijk glazen of porseleinen - cilinder (ca. 3-7 cm doorsnede; ca. 35-70 cm lang) die aan de twee uiteinden eventueel rechte of knopvormige handvatten heeft. In plaats van een rechte cilinder kan hij ook smaller toelopen naar de uiteinden toe. Hij moet zwaar genoeg zijn (ca. 500 gr) om dik deeg met lichte druk uit te rollen. De rol kan ook om een pen draaien, waaraan aan weerszijden de handvatten bevestigd zijn. De pen kan van hout of metaal zijn en is soms voorzien van kogellagers. Er bestaan ook deegrollen waar motieven in uitgespaard zijn en waarmee deeg gedecoreerd kan worden.  Nog een ander model heeft een reeks diepe ribbels; deze wordt gebruikt bij de bereiding van slot, d.i. een havermoutschotel met karnemelk uit Wales (1), of eveneens om deeg te decoreren. [MOT] (1) CAMPBELL: 112.
Cultivator (hand) (m.)
Tuingereedschap dat bestaat uit een meestal 130-150 cm lange (1) houten steel met drie tot vijf - maar steeds in een oneven aantal - gebogen ijzeren tanden om de grond open te werken en om te woelen. Het werkend deel (ca. 10 tot 25 cm breed) kan vast of verwisselbaar zijn. In het laatste geval kan men het aantal tanden kiezen. De punten van de tanden zijn ovaal of driehoekig afgeplat. In tegenstelling tot de krabber wordt met de handcultivator de vaste onderliggende grond, met de scherpe platte punten en door zijn trekkende beweging enigszins omhoog gehaald en opengewerkt. De middelste tanden van een handcultivator zijn iets korter zodat de kluit kan worden verkruimeld. Te onderscheiden van de klauw met lange steel die smaller is en vooral dient om de grond oppervlakkig te breken. Zie ook sleepcultivator (hand) en handschoffelmachine. [MOT] (1) Volgens JACKSON: 339 kan de steel ook kort (25-90 cm) zijn.
Deegradertje (o.)
Met een deegradertje kan men reepjes uit dunne lappen deeg snijden. Het bestaat uit 1 à 2 koperen, porseleinen, houten of benen snijwieltje(s) (ca. 3-5 cm doorsnede) - al dan niet met een gegolfde snede - bevestigd in een hecht (te onderscheiden van het pizzawieltje). Het wieltje moet goed snijden zodat het deeg niet scheurt of uitrekt; er moet dus weinig druk op uitgeoefend worden. Het moet ook makkelijk in bochten kunnen snijden. Zie ook deegsnijrol. [MOT]
Daimborstel (m.)
Met een daimborstel verwijdert men het oppervlakkige vuil van kleren of schoenen van daim door voorzichtig over de vlek te borstelen. Men wrijft er ook de haartjes weer mee recht. Borstel met lederen toefjes (ca. 1 cm lang) of rubberhaar, eventueel gecombineerd met nylonhaar of koperdraadjes. Deze laatste dienen om hardnekkig vuil te verwijderen. De smalle rubberen rand kan geribbeld zijn om aan moeilijke plaatsen te kunnen. [MOT]
Conussleutel (m.)
Dunne (ca. 2 mm) steeksleutel met een bek tussen 13-28 mm om de conussen van rijwielassen los- of vast te draaien, om ze af te stellen om speling op je wielen te voorkomen of lagers aan te passen of om te demonteren voor onderhoud. Met de conussleutel is het gemakkelijk om tussen de naaf en het frame van fiets of motorrijtuig te komen. Vaak is het een gecombineerd werktuig met een ringsleutel, pensleutel, haaksleutel of bv. een opening voor een inbussleutel. Er bestaan ook dubbele modellen. [MOT]
Citroenknijper (m.)
Men gebruikt de citroenknijper om halve schijfjes of partjes citroen uit te persen. Vooral bij de thee wordt deze tang samen met het schijfje citroen aangeboden. Men plaatst het schijfje tussen de kaken van de tang en drukt de armen dicht. Het sap loopt via het gootje in het kopje. Meestal is deze tang van metaal. Net als de citrusboor dient hij om slechts enkele druppels sap te bekomen. Zie ook citruspers. [MOT]
Dassenpers (v.)
Een das is steeds verkreukt daar waar men de knoop legt. Om deze kreuken eruit te krijgen, kan ze tussen een dassenpers gelegd worden. Die bestaat uit twee plankjes (ca. 25 cm bij 10 cm) waarvan de onderlinge afstand door middel van twee schroeven geregeld kan worden. Men stopt de das tussen de plankjes, de schroeven worden aangedraaid en zorgen zo voor de nodige druk; de das zal mooi glad geperst worden. Zie ook broekpers. [MOT]
Decorateurstang (v.)
Een decorateurstang is een samengesteld werktuig om zoveel mogelijk handelingen met één werktuig te kunnen uitvoeren. Deze tang bestaat uit een trektang, een fitterstang, een draadknipper, een hamer, een bijl, een koevoet en een schroevendraaier. [MOT]
Citruspers (m.)
Een citruspers dient om het sap uit citrusvruchten te persen, zonder dat er ook pulp, merg en pitten meekomen. Er bestaan verschillende modellen. Zo is er de tangvormige citruspers. Soms is ze van hout of porselein gemaakt, maar meestal is ze van metaal. Afhankelijk van het model kan men kleine of grotere stukken fruit persen. Vooral bij de kleinere stukjes dient men het fruit eerst te schillen. Het sap loopt via gaatjes of een gootje in de gewenste recipiënt. De citruspers kan ook bestaan uit een geribbelde perskegel in een glazen schaaltje. De halve vrucht wordt op de perskegel gedrukt en heen en weer gedraaid. Opstaande tandjes zorgen ervoor dat de pitten niet in het sap, dat in het gootje eronder loopt, komen. Aan de zijkant zit een schenktuitje om het sap over te gieten. Een ander model is een houten perskegel met recht hecht die - boven een recipiënt - in de halve vrucht geduwd wordt. Door er heen en weer mee te draaien, wordt het sap eruit geperst. Een ander model betreft de citruspers met perskap en...
Dekspaan (v.)
Nadat het riet is vastgeklemd met de dekkersheugel worden met de dekspaan de stoppeleinden van de rietstengels gelijk en op de vereiste dikte opgeklopt of gedreven. Zo verkrijgt men een dak met vlak en egaal aanzien (1). De dekspaan is een vierkante of rechthoekige (ca. 14-20 cm x 24-30 cm) dikke (ca. 3-4 cm) houten (eik of essehout) plank (2) met aan de onderzijde rijen geboorde gaten (diam. ca. 1 à 1,5 cm; diepte ca. 1,5 à 2 cm). De stoppeleinden van de rietstengels passen in de doorboorde gaatjes van de dekspaan zodat ze niet kan wegglijden (3). Bovenaan is een houten steel (ca. 35-100 cm) bevestigd die een hoek van ca. 15° met het werkend deel vormt. De modellen met korte steel zijn soms voorzien van een zetje (zie haakpriem) en veelal gebruikt bij reparatiewerken. Deze met lange steel worden gebruikt voor het zwaardere drijfwerk en zware exemplaren worden met beide handen gehanteerd. De dekspaan is soms voorzien van een haak om het tijdelijk op het dak te hangen. Na het opkloppen kan het riet vastgebonden...
Diamantvijzel (m.)
De diamantvijzel (1) is een zwaar (ca. 1,5-4 kg) metalen potje waarin onzuivere stukjes diamant uit eerdere bewerking verzameld en met een bijpassende stamper verpulverd worden tot microscopisch kleine stukjes diamantpoeder (2). De buitenzijde is vaak met ruwe stroken afgewerkt voor meer grip aan de hand. Een model bestaat uit een smalle (5-10 cm diameter), hoge (ca. 20 cm) ijzeren cilinder, soms licht kegelvormig, met dikke wanden, waarin een bovenstuk met stamper aan een rechte staaf is bevestigd met een zware schroefdraad. Soms is er een ringplaatje rond de stamper bevestigd, dat nauw aansluit om geen verpulverde diamantstukjes of stofjes te verliezen. Het bovenste deel van de bus kan losgeschroefd worden om het poeder eruit te nemen. [MOT] (1) Het synoniem mortier is evenwaardig. (2) Het afval kan bestaan uit ongeschikte diamanten (boort) of splinters van het snijden en kloven (klateersel). Het diamantpoeder kan dienen om diamanten te slijpen en zagen. Met het eerder grove poeder wrijft de diamantslijper de...
Dekkersheugel (m.)
Zodra de dekker het stro of het riet op het dak gespreid heeft, legt hij er een bandroede (1) op. Om te vermijden dat ze voor en tijdens het binden van het dak zou glijden - en ook om het stro te persen - steekt de vakman er door het stro een dekkersheugel naast. De dekkersheugel bestaat uit een plat ca. 35-45 cm lang stuk ijzer met twee tot vijf diepe zijdelingse inkepingen, waarop een haakvormige stang van ca. 10 cm loodrecht gesmeed is. Een van de uiteinden eindigt in een punt, het ander steekt in een houten hecht of vormt een ring die als handvat dient. Een van de inkepingen haakt achter de lat, de kleine stang drukt de twijg naar beneden. Zo kan ze niet meer weg en is het samendrukken van de laag stro met de haakpriem en schoppriem gemakkelijker.De dekkersheugel wordt soms door houten mikken vervangen. Die houden de twijgen goed tegen maar drukken ze niet naar beneden. [MOT](1) Ook dekgaarde genoemd. Deze kan bestaan uit een wilgen twijg of een gegalvaniseerde stalen draad.
Diamantzeef (v.)
Diamantwerkers hanteren diverse modellen van de diamantzeef (1). De meeste dienen om diamanten te sorteren of om in een onderliggend recipiënt gruis op te vangen om verder te gebruiken bij het slijpen en zagen (2). Een model (bv. MOT V 2019.0260 a-b2) heeft schuin opstaande randen die passen onder een bijhorende machine bv. diamantsnijmachine om het afspringende gruis op te vangen.Een bijzonder model (bv. MOT V 2019.0224) bestaat uit een koker met een bijpassende reeks van enkele tientallen koperen kalibers waarmee verschillende steengroottes van edelstenen gesorteerd worden. [MOT](1) Te onderscheiden van de zeef om diamant te scheiden van bv. zand bij het opsporen of winnen van diamant.(2) Dit 'klateersel' wordt verder verpulverd tot bruikbaar diamantpoeder met een diamantvijzel.
Dekkersdisseltje (o.)
Het dekkersdisseltje is een kleine, licht gebogen dissel van ca. 1 kg, met hamer, door de dekker gebruikt om met de hamer latten vast te nagelen en met de dissel een keep in de sporen te houwen, latten recht of op lengte te hakken enz. Het werktuig is te onderscheiden van het pannendekkershamertje (1) van ca. 500-800 gr met een licht gebogen afgeschuinde pen om pannen te houwen, en van de kaphamer (2) van de metselaar, die erop gelijkt. Beide laatste werktuigen hebben een langere steel. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Fr.: martelet. (2) POLLING: 29. Fr. frelet (ook gurlet: N.L.I.).
Deegsnijrol (m.)
Met een deegsnijrol snijdt de bakker in één keer verschillende reepjes uit een dunne lap deeg. Het is een lange cilinder (ca. 75-85 cm) met aan beide uiteinden een recht hecht en snijwieltjes op gelijke afstand van elkaar. Bij een ander model kunnen de snijwieltjes als een soort harmonica uit elkaar getrokken worden (1); de afstand tussen de snijwieltjes is dus regelbaar. Zie ook deegradertje en figuursteker. [MOT] (1) Dit model wordt ook wel Jan-hagelsnijder genoemd (FENNEMA: 235).
Diepvriesmes (o.)
Getand mes (ca.20-30 cm) met een houten of plastieken hecht waarmee men diepgevroren voedsel kan snijden.  Het lemmet kan lange, puntige tanden of een brede, scherpe golfsnede hebben (vergelijk broodmes en sneeuwzaag).  Het kan ook aan de andere zijde een snede hebben waar bv. brood mee kan gesneden worden. [MOT]
Diktepasser (m.)
De diktepasser is een scharnierende passer met symmetrische benen om diktes te meten en buitenmaten over te nemen en te controleren. Hij onderscheidt zich van de steekpasser doordat een of meerdere benen gebogen zijn. Hij is meestal volledig van metaal, uitzonderlijk van hout met metalen schroeven (1). Het scharnierpunt moet voldoende stroef zijn om de benen in een bepaalde stand vast te houden tot men hem lostikt. Soms is een stelschroef gemonteerd om de stand te regelen, al dan niet met maatschaal om de precieze afstand af te lezen.Uitzonderlijk is op een van beide benen een kort derde been gemonteerd met een verstelknop (vb. MOT V 96.0291). De draaier hanteert deze wanneer op een hol werkstuk een smallere buitenmaat moet gepast worden dan de buitenzijde van het werkstuk toelaat. Zo kan het lange been afzonderlijk versteld worden zonder de oorspronkelijk genomen maat te verliezen (2).Een vrij zeldzaam model is de dubbele diktepasser, waarop bijkomende zijdelingse benen zijn gemonteerd op een centrale stang (ca....
Dijkboor (v.)
Moet men het regen- of sneeuwwater op de akkerlanden snel afvoeren, dan kan men een gat boren door de dijk met behulp van een bijzondere grondboor, de dijkboor. Ze bestaat een uit een boorijzer (diam. 5-15 cm), dat guts- of schulpboorvormig (1) is, op een ijzeren stang (lengte ca. 180-320 cm; diam. ca. 3 cm) voorzien van een afneembaar ijzeren kruk (ca. 60 cm) (2). De meeste modellen kunnen verlengd worden door stangen (ca. 140-260 cm) in elkaar te steken en te bevestigen met een bout met moer. De lengte van de stang bij de dijkboor (ca. 140-260 cm) is langer dan bij de grondboor (ca. 80-150 cm). [MOT] (1) In dat geval is er aan het uiteinde vaak een haak (vgl. naafboor). (2) ''Landverbeteringen'' uit DAVID 1975a : 202, beschrijft een dijkboor waar de kruk niet op het einde van de stang bevestigd is. Dat uiteinde loopt door en er wordt een balk of plank tegen gedrukt, die werkt als hefboom en het indringen vergemakkelijkt.
Doornhaagschaar (v.)
De doornhaagschaar dient om doornige heesters te snoeien en om takken af te knippen die te dik zijn voor de snoeischaar (tot ca. 2,5-3 cm). Ze bestaat uit twee hefbomen van de eerste soort, die rond een spil draaien, of uit een aantal op elkaar werkende hefbomen. De ca. 5 cm lange bladen met gebogen snede eindigen in twee angels die in 40-50 cm lange houten stelen steken; uitzonderlijk vervangen twee veren de angels en worden de houten handvatten erop bevestigd met een bout (1). Eén van de bladen eindigt soms in een haakje waarmee de tak naar zich getrokken kan worden. Enkele doornhaagscharen hebben een dubbele stompe, maar geribde kaak. De griendwerker gebruikt soms een schaar met gebogen armen zodat hij zich minder hoeft te bukken om dicht bij de grond te knippen. Zie ook haagschaar. [MOT] (1) Vandaag gaat het om een geheel metalen werktuig.
Dolhamer (m.)
Zware hamer om te slachten vee te bedwelmen, om ze nadien met de halssnede te doden. Het bedwelmen kan geschieden met een slachtmasker, een (pen)schiettoestel of een dolhamer (1). Het kan een houten hamer (ca. 5-6 kg) met lange steel zijn (zie sleg). Het werkend deel kan ook van metaal zijn en gelijken op een steenklophamer. Of een hamer met een metalen kop die aan één zijde een staafvormig uiteinde heeft, waarmee men doorheen de schedel kan slaan om de hersenen te verbrijzelen. Een ander model bestaat uit een uitgeholde pen en een haak als ander uiteinde. De haak zou dienen om de pen, wanneer deze vast komt te zitten, uit de schedel te trekken. Zie ook stokdoorslag. [MOT] (1) Verboden sinds 1920 (bij Kon. Besluit van 5 juni) in Nederland. In Frankrijk sinds 1964.
Dekkersbijltje (o.)
Het dekkersbijltje is een licht bijltje - te onderscheiden van de leidekkershamer- van ca. 750 gr met oog en met rechte, betrekkelijk dunne steel (ca. 30 cm), waarvan het ijzer, bevestigd door één of twee veren, tegenover het blad in een vierkantig hamertje eindigt. De bovenzijde van het blad is doorgaans recht. In de onderzijde is dikwijls één (soms twee) inkeping(en) gesmeed om nagels uit te trekken. De snede is recht. Soms is heel het werktuig, steel inbegrepen, van metaal; het uiteinde van de steel wordt dan in lederen schijfjes gestoken of in een houten hecht. Deze vormen schijnen in onze streken echter weinig voor te komen. [MOT]
Dooierscheider (m.)
Met een dooierscheider kan men eiwit en dooier makkelijk van elkaar scheiden. Het is van blik of plastiek, rond (ca. 6-10 cm), met gaten of sleufjes onderaan en eventueel met een handvat. Wanneer men de dooierscheider boven een kommetje plaatst en het ei erboven breekt, blijft de dooier liggen in de kleine uitholling in de bodem van de dooierscheider terwijl het eiwit door de openingen in het kommetje druipt. De dooierscheider kan ook van steen zijn. Het bestaat dan uit een schaaltje met gleuf dat op een recipiënt past. Schaaltje en recipiënt vormen aldus één geheel. [MOT]
Distelsteker (m.)
De distelsteker heeft een rechthoekig blad met rechte snede (ca. 3-5 cm breed). Het blad is met een dille bevestigd aan een rechte, houten steel van ongeveer 1,20 m lang. Met de distelsteker kan men zonder bukken de penwortel van distels (of van zuring) onder de bladkraag afsteken zodat het onkruid niet teruggroeit. De distelsteker wordt vooral gebruikt op weiden en op graanvelden die breedwerpig gezaaid zijn en waar geen andere afdoende methode bestaat. Het distelsteken was vaak vrouwenwerk. De distelsteker wordt door de herder soms als wandelstok gebruikt. Te onderscheiden van de penworteltrekker. Zie ook disteltang, penwortelsteker en aspergesteker. [MOT]
Disteltang (v.)
De landbouwer kan onkruid met lange, diepe wortels zoals distels uittrekken met een disteltang. Deze grote houten tang (ca. 90 cm) heeft vaak geribde kaken voor een betere grip. Men plaatst ze op de plant en trekt voorzichtig de plant uit. De wortels zitten vaak zeer diep en breken makkelijk af. Men voert dit werk dan ook best uit wanneer de bodem erg vochtig is en een beetje meegeeft. Zie ook penworteltrekker en distelsteker. [MOT]
Deegsteker (m.)
Bakkersgereedschap dat bestaat uit een rechthoekig (roestvrij) stalen blad - eventueel met één of twee afgeronde hoeken - dat aan de bovenzijde gevat is in een hecht uit hout of plastic. De deegsteker wordt gebruikt om het brooddeeg te verdelen en om de deegresten samen te schrapen. Het handwerktuig wordt soms ook gebruikt om ingrediënten door het deeg te mengen. Zie ook trogschraper, deegsnijder. Te onderscheiden van het schaafmes (steenbakker). [MOT]
Dopsleutel voor spoorschroeven (m.)
De spoorwerker gebruikt een dopsleutel sterk gelijkend op de watersleutel maar zonder wigvormig uiteinde, om de kraagschroeven aan- of los te draaien waarmee de spoorstaven (met een Vignoleprofiel) op de dwarsliggers bevestigd worden. [MOT]
Dopsleutel (m.)
De dopsleutel is een moersleutel (zie glossarium) met een hol (drie-, vier-, zeskantig enz.) ondiep (vgl. pijpsleutel) werkend deel waar de moer of de kop van de bout volledig in past. Dat werkend deel staat vaak los van het hecht zodat verschillende maten met hetzelfde hecht gedraaid kunnen worden. De kracht op het werkend deel wordt uitgeoefend op een haak-, T-vormig of recht hecht (haak en T worden soms gecombineerd door middel van een scharnierend uiteinde). Niet zelden staan twee of meer werkende delen op hetzelfde hecht. Een combinatie met een steeksleutel bestaat. Er zijn ook dopsleutels met ratelgreep, die het mogelijk maken te werken zonder het werkend deel op het einde van de beweging telkens te lichten. Ook een booromslag kan op de losse werkende delen passen. Zie bougiesleutel, horlogesleutel, klinksleutel, pianosleutel, watersleutel en wielmoersleutel. [MOT]
Draadsnijtap (voor hout) (v.)
De draadsnijtap is een handwerktuig om een draad in een houten moer te snijden. Het kan een houten cilinder zijn waarin een draad gesneden is. Aan het uiteinde zijn één of twee zijdelingse mesjes bevestigd; door het ander steekt een kruk om het werktuig te doen draaien. Het kan ook een stalen cilinder zijn, soms met vier overlangse gleuven, waarin een draad getrokken is. Hier snijdt de stalen draad zelf het hout uit, er is dan geen mesje. Een uiteinde van de cilinder heeft dezelfde doorsnee als de binnendiameter van de schroefdraad; het ander is vierkantig en past in een kruk. De vakman boort met een gewone boor een gat in de moer; de doorsnee ervan is gelijk aan de binnendiameter van de draad zelf. Hij smeert dan zijn snijtap en snijdt de draad in het gat (vgl. schroefkam). [MOT]
Draadstripklem (v.)
De geverniste isolatiemantel van elektrische draden kan men met een draadstripklem verwijderen. Het kan een pincet zijn. Dit is een tang van kleine afmeting (ca. 8-12 cm), bestaande uit twee hefbomen van de derde soort. Met de getande, licht gebogen kaken - al dan niet vervangbaar (1) - schraapt men over de draad (ca. 0,5-1 mm). Hoe fijner de draad hoe fijner de tandjes moeten zijn. Om de draad niet te beschadigen, is op een van de armen soms een kort stangetje bevestigd dat dienst doet als stop. Een ander model bestaat uit twee scharnierende plaatjes, voorzien van elk twee uitsparingen en een houder. Voor dunne draden wordt het werkend deel verkort, door het in de hoogste uitsparing in te klemmen, waardoor de druk tussen de plaatjes verhoogd. Deze kan ook lichtjes worden bijgeregeld met een schroef die door de armen van de houder steekt. Zie ook draadstriptang. [MOT] (1) Bv. CIMCO: 28.
Doorslag (smid) (m.)
Korte (10-17 cm) stalen cilinder, aan de omtrek vaak gekarteld, met steeds een vlak uiteinde (diam. ca. 1,5-6 mm), om gaten in dun plaatijzer te slaan. Onder de plaat wordt een stukje lood of kopshout gelegd, de doorslag wordt op de plaat geplaatst en aan het andere uiteinde wordt er met een bankhamer op geslagen. De smid gebruikt ook een zwaarder (15-25 cm; diam ca. 1 cm) model om in een gloeiend stuk ijzer gaten te slaan. Onder het werkstuk wordt dan een onderlegplaat gelegd en er wordt op de doorslag geslagen met de smeedhamer. De doorslag kan verschillende vormen aannemen naargelang het gat rond, vierkantig of langwerpig moet zijn (1). Zie ook stokdoorslag. Te onderscheiden van de drevel die een kegelvormig of licht uitgehold uiteinde heeft. [MOT] (1) Bv. ZWIERS: s.v. doorslag.
Draadsnij-ijzer (voor buizen) (o.)
De loodgieter gebruikt een draadsnij-ijzer voor het snijden van uitwendige schroefdraad aan buizen. De snijdraad bevindt zich in een cilindrisch onderdeel (ca. 10-15 cm doorsnede), waarvan het verlengde op het uiteinde van de buis - die vastgeklemd zit - geplaatst wordt en aldus dienst doet als geleider; op deze wijze staat het draadsnij-ijzer steeds loodrecht op de buis. Het draadsnij-ijzer kan één of twee lange (ca. 50 cm) rechte handvatten hebben, die meestal demonteerbaar zijn. De draad wordt gesneden door het draadsnij-ijzer volledig rond de buis te draaien. Wanneer er maar één handvat is, kan het draadsnij-ijzer uitgerust zijn met een palrad zodat het niet volledig rondgedraaid moet worden. De snijdraad zelf is vervang- of verstelbaar om draad aan buizen van verschillende diameter te kunnen snijden. Zie ook draadsnij-ijzer (voor bouten). [MOT]
Combinatietang (v.)
De combinatietang is een samengesteld werktuig dat verschillende taken kan uitvoeren. De bek kan ronde en vlakke stukken grijpen. Vaak zijn volgende werktuigen toegevoegd: een draadknipper, een draadkniptang, een draadstriptang, een schroevendraaier, een ruimer en soms een splitpentrektang, moertang of een rondbektang. De armen zijn al dan niet geïsoleerd. Op een model komen een combinatietang en een kopkniptang samen voor doordat beide armen van de tang 180° rond de draaispil kunnen draaien. Zo kan steeds één van de twee werkende delen gebruikt worden. [MOT]
Deegsnijder (m.)
Met een deegsnijder kan men van bloem en stukjes boter, zonder dat dit mengsel warm wordt, snel een kruimelige massa maken voor bv. korst- of kruimeldeeg. Hij bestaat uit zes relatief buigzame stalen draden die in een U-vorm gebogen zijn; tussen de uiteinden bevindt er zich een houten of plastieken handgreep die soms voorzien is van een duimsteun. Door de deegsnijder op en neer te bewegen in de massa worden de ingrediënten vermengd en de stukjes boter of vet fijn verdeeld. In de plaats van de draden kunnen er ook verschillende stalen messen met gebogen snede aanwezig zijn. Deze zijn onbuigzaam en dus beter geschikt om harde brokken vet door te snijden. Zie ook deegsteker. [MOT]
Draaddoorsteker (m.)
Hulpmiddel om makkelijk de draad door het oog van een naald te steken. Het bestaat meestal uit een dun ruitvormig metalen lusje dat in een plastic of metalen plaatje bevestigd is dat als handvat dient. Soms is het slechts een ijzeren reepje met een haakje. Men steekt het werkend deel door het oog van de naald en de draad door het lusje of haakje. Bij het terugtrekken van het werktuig komt de draad mee door het oog. Zie ook maastang. [MOT]
Draadknipper (m.)
Draad kan men doorknippen met een draadkniptang of een draadknipper. Dat laatste is een tangvormig werktuig met twee bladen die telkens drie U-vormige uitsparingen hebben. Wanneer men de armen opentrekt, komen de drie uitsparingen in de twee bladen met elkaar overeen en kan de draad ertussen geplaatst worden. Wanneer men de armen toeknijpt, worden de bladen - en tevens de uitsparingen - verschoven en wordt de draad afgeknipt. Zie ook isolatiepijpsnijtang. [MOT]
Draadsnij-ijzer (voor bouten) (o.)
Werktuig om een uitwendige schroefdraad te snijden aan ijzeren bouten en dunne staven. Er bestaan verschillende modellen, die allemaal van gehard staal zijn. Het kan een troffelvormig werktuig zijn van variërende grootte (ca. 15-35 cm lang) met in het blad verscheidene gaatjes met draad van verschillende diameter (van enkele millimeters tot 1 cm), voor bouten van verschillende grootte (1). De bout wordt in een bankschroef geklemd en het overeenstemmende gat van het snij-ijzer wordt op het uiteinde geplaatst. De vakman draait vervolgens het werktuig over de bout naar beneden, erop lettende dat het loodrecht op de bout blijft. Het draadsnij-ijzer kan ook een rechthoekig plaatje zijn met in het midden een - eventueel verstelbare - uitsnijding, met rechte handvatten aan de twee korte zijden (2). Daarmee kan men makkelijker draaien. In sommige gevallen is er op hetzelfde draadsnij-ijzer ook een snijtap om inwendige draad te snijden aan de bijbehorende moer (zie draadsnijtap (voor metaal)). Zie ook draadsnij-ijzer...
Draadtrektang (v.)
Draad van rekbaar metaal, bv. ijzer, goud of zilver, kan met behulp van een draadtrekijzer en een draadtrektang dunner gemaakt worden. Die draad wordt daarvoor telkens door een smaller gat van het draadtrekijzer getrokken. Men herhaalt de handeling zo vaak als nodig. De menselijke trekkracht kan rechtstreeks op de tang uitgeoefend worden of kan door middel van een draaikruk en tandraderen vermenigvuldigd worden. De draadtrektang heeft zware kaken waarvan de dikte en de grootte sterk kunnen variëren. Ze maken het mogelijk de draad in de as van de armen te vatten; voor een betere grip zijn de binnenvlakken gekarteld. De armen van de tang lopen niet parallel. Wanneer rechtstreeks met de hand gewerkt wordt, is het uiteinde van een arm omgebogen zodat makkelijker getrokken kan worden (1). Wanneer men via een draaikruk of bv. met waterkracht te werk gaat, zijn de uiteinden van beide armen omgebogen; een ring loopt over die beide armen (2). Wanneer hieraan getrokken wordt, komen de uiteinden van de armen dichter bij...
Draadkniptang (v.)
Draad kan men makkelijk met een draadkniptang doorknippen. Al naargelang de draad en de bereikbaarheid bestaan er verschillende modellen. De benaming hangt af van de ligging van de snede tegenover het vlak van het werktuig. De snijdende kaken kunnen in hetzelfde vlak liggen en dan spreken we van een zijkniptang. Wanneer de kaken haaks op het vlak van het werktuig zitten, noemen we het een kopkniptang. Verder zijn er heel wat variaties op de draadkniptang. Bij sommige tangen liggen de snijdende bladen in hetzelfde vlak als het werktuig, maar haaks op de as. Eén van de kaken eindigt dan vaak in een haak om de draad makkelijker te vatten. De armen zijn soms geleed. Men combineert de draadkniptang ook met een platbektang, een plombeertang of een wringtang. Zie ook draadknipper en boutenschaar. [MOT]
Draadsnijtap (voor metaal) (v.)
De draadsnijtap is een handwerktuig om een draad in een metalen moer te snijden. Het gaat om een stalen cilinder of kegel, doorgaans met vier overlangse gleuven, waarin een draad getrokken is. De cilinder eindigt in een vierkantige kop die in een kruk past. De draadsnijtap kan ook gecombineerd zijn met een kalkoensleutel. De vakman boort met een gewone boor een gat in de moer; de doorsnee ervan is gelijk aan de binnendiameter van de draad zelf. Hij smeert dan zijn snijtap en snijdt de draad in het gat. Zie ook draadsnij-ijzer (voor bouten). [MOT]
Draaiersguts (v.)
Guts zonder borst, met betrekkelijk dik ijzer en naar buiten gerichte vouw, van 0,6 tot 5 cm breed. De snede is niet recht maar puntig. De vouw is kort voor ruw werk, lang om een groef uit te draaien (1). De guts is hét werktuig van de draaier: daarmee draait hij de vorm van een voorwerp uit. [MOT] (1) Bv. DE VALICOURT: 1.205.
Draadtrekijzer (o.)
Het draadtrekijzer is een werktuig van de edelsmid om koperen, zilveren of gouden draden te trekken. Het is een stalen blok met steeds grotere gaten van verschillende vormen: rond, vierkantig, rechthoekig, halfrond, ovaal, ovaal met punt, driehoekig, peer, ster enz.; vaak is er een trekijzer per vorm, maar soms ook verschillende vormen in een trekijzer. Aan een zijde is de opening van de gaten trechtervormig om het insteken van de draad te vergemakkelijken; aan de andere zijde is de scherpe rand verwijderd om geen sporen na te laten. Bij het trekken van dunne draad wordt het trekijzer in de bankschroef bevestigd en werkt men uit de hand of met een draadtrektang. Voor dikkere draad wordt met een draadtrekbank gewerkt. [MOT]
Draadzaag (houthakker) (v.)
De draadzaag is een dunne (1 mm), betrekkelijk korte (ca. 50 cm) staaldraad waar scherpe groefjes in gedraaid zijn en met aan beide uiteinden een ring. Met deze zaag, die men makkelijk op zak kan dragen, kunnen dunne takken afgezaagd worden. Wil men hoge takken afzagen, bevestigt men een touw aan elke ring. De zaag kan dan omheen een tak geworpen worden. Met één of twee personen wordt aan de touwen getrokken. Zie ook kettingzaag (hand). [MOT]
Draadzaag (arts) (v.)
Zaag die bestaat uit een dunne, gedraaide staaldraad (ca. 35-75 cm lang) waar aan beide uiteinden een handvat aan gehaakt zit. Ze wordt door de chirurg gebruikt om beenderen door te zagen en is te onderscheiden van de draadzaag die de houthakker gebruikt. De staaldraad kan ook gespannen zijn in een boogvormig frame met een T- of D-handvat. Zie ook amputatiezaag. [MOT]
Duikersmes (o.)
Elke duiker heeft een duikersmes met zich mee om, onder water, snel en gemakkelijk een in de knoop geraakt touw of net door te snijden. Het wordt ook gebruikt om schelpen open of los te wrikken. Het is een stevig roestvrij stalen (1) mes voorzien van een, meestal aan beide zijden snijdend, lemmet (ca. 10-16 cm; dikte 4 mm) met gladde en zaagsneden (vgl. koordjesmes) (2) en puntig of afgeplat uiteinde, dat stevig in een ergonomisch gevormd handvat zit. Deze laatste is steeds uit een slipvrij materiaal zoals plastic of rubber gemaakt. Ook is er tussen blad en hecht een "stootplaat" voorzien zodat de hand, bij het steken, niet over het scherpe lemmet kan glijden. Het duikersmes wordt in een plastic schede (3) gestoken die aan de gordel of de kuit van je onderbeen wordt gedragen. De kortere modellen bevestigt men aan de boven- of onderarm. [MOT] (1) Het leger, o.a. de zeemacht en de mijnenveegdienst, bezit ook amagnetische duikersmessen. (2) In BSAC: 55 is de zaagsnede vervangen door een scherpe haak. (3) De helmduiker...
Draaizaag (v.)
De draaizaag is een spanzaag (zie glossarium) van ca. 60 cm die sterk op de schulpzaag gelijkt maar met smal blad (1 cm) en betrekkelijk breed gezette tanden zodat ze gemakkelijk kromme lijnen kan volgen. Dank zij de knoppen die het aan beide uiteinden tegenhouden, kan het blad in zijn raam in alle richtingen gedraaid worden. Het kan bovendien losgemaakt worden om door een in een plank geboord gat gestoken te kunnen worden. Deze zaag wordt verticaal gehanteerd. Zie ook gewone spanzaag. [MOT]
Drijfijzer (leer) (o.)
Het drijfijzer (1) is een handwerktuig dat door lederbewerkers wordt gebruikt om reliëfversieringen aan te brengen op kleine lederen voorwerpen, zoals lederen sleutelringen en portefeuilles. Op het rechte houten handvat volgt een koperen staafje dat eindigt in een koperen bolletje. De diameter van het bolletje varieert van ongeveer 3 tot 6 mm. Voor het aanbrengen van de versieringen wordt het leder vochtig gemaakt, zodat het bij het bosseleren goed meegeeft. Soms wordt het drijfijzer verhit om de patronen in het leder te branden. Voor hetzelfde doeleinde gebruikt men het pyro-elektrische drijfijzer. Niet verwarren met het bolstrijkijzer (hand). Zie ook steekmes (leerbewerker). [MOT] (1) SALAMAN 1986: 198.
Duigenhouwer (m.)
Aan een gekloofd stuk hout wordt met behulp van een kuipersbijl of een duigenhouwer de grove vorm van een duig gegeven. De kuiper houwt de brede zijden om een vrijwel vlakke binnenzijde en een enigszins bolronde buitenzijde te bekomen. Van de uiteinden van de smalle zijden hakt hij een lange driehoek af opdat de duig breder zou zijn in het midden dan aan de uiteinden. De duigenhouwer - die sterk op het kloofijzer lijkt - weegt ca. 1,5 kg en heeft een langwerpig blad (ca. 30 cm) dat loodrecht in de rechte steel (ca. 50 cm) bevestigd is en dat eindigt in twee punten. De snede bevindt zich onderaan - aan de lange zijde - die lichtjes gebogen is. [MOT]
Draagtang voor spoorbalken (v.)
Spoorwegarbeiders kunnen spoorbalken makkelijk verplaatsen met een draagtang. De bek is aangepast aan de last, aangezien er draagtangen bestaan voor trottoirbanden, smeltkroezen, spoorrails enz. De armen lopen van elkaar weg, zodat ze automatisch klemmen zodra het werktuig opgelicht wordt. Deze tangen zijn één van de weinige tangen die door twee personen gehanteerd worden. Zie ook uitdraaghaak (2 man). [MOT]
Druivenoogstschaar (v.)
Druiven kan men o.m. oogsten met een druivenoogstmes of een druivenoogstschaar. Met deze laatste verkrijgt men een veel mooiere snede dan met een oogstmes. De schaar heeft twee smalle bladen (ca. 1 cm) met een rechte snede; de armen kunnen van metaal zijn of uit een houten bekleding rond een metalen plaatje bestaan. Zij worden bijeengehouden door een ringetje dat zich aan de benedenzijde van één arm bevindt en dat rond de andere arm bevestigd kan worden. Tussen de armen bevindt er zich een veer. Zie ook druivenschaar. [MOT]
Drevelhamer (m.)
De drevelhamer dient om zware nagels, bouten en toognagels in en uit te drijven, en wordt vooral door de scheepstimmerman gebruikt. Het is een zware metalen punthamer op een lange steel gestoken. De punt is recht en heeft de vorm van een afgeknotte kegel. Het werktuig wordt door middel van een hamer of een moker geslagen. Zie ook drevel. [MOT]