Dekkersheugel (m.)

identificatiecode

MOT V 93.0022

morfologie

beroep

holotype

MOT V 93.0022 L=51,5cm B=8,5cm G=485gr

alias

tandhaak (syn.) (TREFOIS 1970:113)

alias

stuwhaak (syn.) (Ibid.)

alias

heuzinghaak (syn.) (Ibid.)

alias

knijpijzer (syn.) (Ibid.)

alias

schakel (ijzer) (syn.) (Ibid.)

alias

vangijzer (syn.) (Ibid.)

alias

trekmes (syn.) (Ibid.)

alias

deksikkel (syn.) (Ibid.)

alias

zetje (syn.) (Ibid)

alias

hozinghaak (syn.) (Id. 1942: 187)

alias

deksigel (syn.) (Id. 1930: 38)

alias

knecht (syn.) (JELLEMA: 91)

omschrijving

Zodra de dekker het stro of het riet op het dak gespreid heeft, legt hij er een twijg op. Om te vermijden dat ze voor en tijdens het binden van het dak zou glijden - en ook om het stro te persen - steekt de vakman er door het stro een dekkersheugel naast.

De dekkersheugel bestaat uit een plat ca. 35-45 cm lang stuk ijzer met twee tot vijf diepe zijdelingse inkepingen, waarop een haakvormige stang van ca. 10 cm loodrecht gesmeed is. Een van de uiteinden eindigt in een punt, het ander steekt in een houten hecht of vormt een ring die als handvat dient. Een van de inkepingen haakt achter de lat, de kleine stang drukt de twijg naar beneden. Zo kan ze niet meer weg en is het samendrukken van de laag stro met haak- en schoppriem (zie haakpriem) gemakkelijker.

De dekkersheugel wordt soms door houten mikken vervangen. Die houden de twijgen goed tegen maar drukken ze niet naar beneden. [MOT]