Haakpriem (m.)

identificatiecode

MOT V 86.0438

morfologie

beroep

holotype

MOT V 86.0438 L=78cm B=1cm G=670gr

alias

bandhaak (syn.) (JANSE 1998: 104)

alias

hengelhaak (syn.) (JANSE 1998: 104)

alias

kromme naald (syn.) (JANSE 1998: 104)

alias

vangnaald (syn.) (TREFOIS 1969: 112)
beschrijving

Lange (ca. 75-85 cm), smalle (ca. 1 cm) lichtjes gebogen staaf met één haakvormig uiteinde en één puntvormig uiteinde. In het midden is er een hol uitgesmede verbreding of een driehoekig uitsteeksel (1) om tegen de gaarde te drukken. Met de haakpriem worden tenen door een strooien of rieten dak gestoken en rond de daklatten aangebracht zodat het riet vastgebonden kan worden. Dat laatste gebeurt met behulp van de schoppriem, d.i. eveneens een lange, smalle, lichtjes gebogen staaf maar met een schopvormig uiteinde. Beide priemen worden met het puntvormig uiteinde door de strolaag onder een deklat gestoken. Ze worden schaarsgewijs naast elkaar geplaatst zodat de beide driehoekige uitsteeksels op de bandroede komen te rusten. Wanneer de bovenste uiteinden van de priemen naar beneden geduwd worden (2), ontstaat een hefboomeffect en wordt het stro tegen de daklat aangedrukt. De strodekker heeft nu beide handen vrij om het stro vast te binden.

Het kan ook gebeuren met behulp van het zetje (3) waarmee men met de schouder het riet tegen het dak drukt en het riet wordt vastgebonden met goot en naald (4). [MOT]

(1) Drukknopje, zetknopje of ook wel neusje geheten (TREFOIS 1970: 112).

(2) Het schopvormig uiteinde van de schoppriem dient als steun voor de elleboog.

(3) Het zetje is een gaffelvormig ijzer (ca. 5,5 cm bij 4 cm) dat met een angel in een T-steel steekt. Ook kruk, aandouwer, drukker en voethaak genoemd. (Bv. VAN HEMERT & VAN ROODEN: 20-21).

(4) Zie beschrijving VAN HEMERT & VAN ROODEN: 61.