ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 51 - 100 1,387 resultaten gevonden
Scharnierbeitel (m.)
Volledig van metaal vervaardigde beitel om scharniergaten van o.a. vleugelfitsen te hakken. De scharnierbeitel heeft een dun (2 tot 4 mm), breed (ca. 2-3 cm) blad, voorzien van één tot drie punt(en). Soms is het blad, waar de punten bijeenkomen, cirkelvormig uitgesneden om spaanders te verwijderen (1). Bij een ander model wordt op het blad kleine tandjes uitgesmeed zoals op een rasp. Deze wordt gebruikt wanneer er een kwast zit op de plaats waar men het gat moet hakken. Zie ook schietbeitel. [MOT] (1) Bv. SALAMAN 1975: 140.
Schelpenhark (v.)
Hark (ca. 20-60 cm) met kort op elkaar staande (ca. 1-3 cm), puntige ijzeren tanden voorzien van een beugel met net. De lange (ca. 140-250 cm) (1) steel is meestal door middel van een dille met de hark verbonden. De beugel, van grote schelpenharken, is voorzien van 2 oogjes waardoor een touw, in de vorm van een lus, wordt bevestigd zodat de hark kan worden vastgemaakt aan een brede band dat om het middel van de visser zit (2). De schelpenhark dient om onder meer de kokkels en zandalen (3), die zich een paar centimeter onder het zand of de modder bevinden, te verzamelen. Bij half tij trekt de visser de hark, met korte rukjes, door de zanderige bodem van de zee. Het zand spoelt door het net terwijl de kokkels er achterblijven. Ook voor zoetwatermosselen wordt een schelpenhark gebruikt (4). Zie ook grondhark. [MOT] (1) FENTON 2008: 95 spreekt van 24 voet voor mosselen. (2) De steel is dan langer en rust op de schouder van de visser. (3) N.L.I. (s.v. râteau). (4) Bv. VERHAGEN: 232.
Scheerkwast (m.)
Kwast om scheerzeep aan te brengen alvorens zich te scheren met een scheermes of een veiligheidsscheermes. Een scheerkwast bestaat uit een bundel nekhaar van de das (1), varkenshaar (vroeger ook paardenhaar), zijde of nylon vastgelijmd in een handvat gemaakt uit hoorn of been, hout, metaal, bakeliet of plastic. De kop van het werkend deel is kegelvormig of bolvormig. De scheerkwast wordt eerst met heet water natgemaakt en met draaiende bewegingen over het potje met vaste scheerzeep gewreven. Bij gebruik van een scheerstick wordt deze over de te scheren baard gewreven en met de natte scheerkwast tot een licht schuimend laagje gebracht. Scheerschuim of -gel worden op de natte scheerkwast gespoten. De kwast wordt zo vastgenomen dat je de basis van de haren met de vingers grijpt. Het scheerschuim wordt op de baardharen aangebracht met heen en weergaande bewegingen of met pompende en draaiende bewegingen (2). Zie ook nekschuiertje. [MOT] (1) De zachte dassenharen hebben een groot absorberend...
Schapenschaar (v.)
Schaar (ca. 30 cm lang) die uit één stuk gehard staal bestaat in een U-vorm is gebogen, of uit twee tot drie stukken staal die geklonken zijn. De driehoekige bladen wrijven over elkaar wanneer men de schaar toeknijpt of open laat. De schapenschaar wordt gebruikt om schapen kort te knippen en ook bij de verdere verwerking van wol (zie ook tondeuse voor honden en schapen). Ook voor het afknippen van graskanten kan men een schapenschaar gebruiken (zie ook grasschaar). Zie ook het Japanse model van het borduurschaartje. [MOT]
Schephand (tuinier) (v.)
Met een schephand in elk hand kan men makkelijk in één keer een grote hoeveelheid lichte tuinafval, zoals bladeren, gras of takjes oprapen. De schephand bestaat uit een groot plastic trapeziumvormig hol blad met afgeronde hoeken, voorzien van een indruk waar vingers en arm in passen en met een riem om de pols tegen te houden. Bovenaan is een opening voorzien om ze al hangend op te bergen. [MOT]
Schiettoestel (o.)
Deze nieuwe werktuigfiche is in opbouw. [MOT]
Schilklem (v.)
Werktuig waarmee men een twijg van zijn schors kan ontdoen. Voor het schillen moet de twijg enkele maanden met de voeten in een laagje water van 10-15 cm gezet worden. Wanneer de twijg gaat wortelen en het blad uitloopt, kan ze geschild worden. De sapstroom onder de bast is namelijk op gang gekomen, waardoor deze gemakkelijk verwijderd kan worden. Het schillen gebeurt best bij zonnig weer, want de geschilde teen moet snel drogen wil zij haar helderwitte kleur behouden. De schilklem is een V-vormig gesmeed ijzer waarvan de benen tegen elkaar klemmen; de uiteinden van de benen zijn naar buiten gebogen zodat de teen er makkelijk in kan geschoven worden. Het ijzer wordt met de punt in een stuk stam of balk gestoken en met één hand vastgehouden terwijl met de andere hand de teen doorheen de klem getrokken wordt. De losgetrokken bast wordt met de hand van de twijg geschoven. Een ander model is onderaan cirkelvormig en kan ofwel met een wigvormig ijzer ofwel met een schroef aan een paal of de...
Schoenborstel (m.)
Om je leren schoenen te laten glanzen, breng je eerst met de insmeerborstel schoensmeer (1) aan op het schone en droge oppervlak van de schoen. Na deze even te laten rusten, kan je het ietsje uitgedroogde schoensmeer uitwrijven en opblinken (2) met een doek of de schoenborstel. Deze wordt ook gebruikt voor het wegpoetsen van stof en modder op je schoenen (3). De schoenborstel is een borstel zonder handvat met een (beuken)houten, in de lengte licht gebogen, borstellichaam (ca. 15-19 cm bij 4,5-5,5 cm; dikte ca. 1 cm) voorzien van een honderdtal niet doorboorde gaten waarin haarbundels (ca. 2,5 cm lang) uit zacht varkens-, geiten-, paardenhaar of kunststofvezel steken. Het borstellichaam heeft soms groeven langs de zijkant voor een betere grip. Te onderscheiden van de kleerborstel. (1) Schoensmeer zorgt ervoor dat het leer niet uitdroogt waardoor de levensduur van de schoen wordt verlengd. (2) Door de wrijving ontstaat warmte waardoor de oplosmiddelen in het schoensmeer verdwijnen. Deze...
Schilschop (v.)
De schilschop dient om enkele stroken bast en de takjes van gevelde naaldbomen af te steken. Het handwerktuig heeft een metalen blad (ca. 15/20/30 cm) waarvan een zijde recht en scherp is en de andere, halfrond, in een in hetzelfde vlak liggende dille eindigt. In de dille steekt een D-schacht (1), een knopschacht (2), een L-schacht (3) of een schacht waarvan het uiteinde in een van een dille voorziene metalen bol van ca. 1 kg steekt. Deze bol maakt het werktuig zwaarder en geeft een beter houvast. De schacht is ongeveer één meter lang (4). De boom ligt op de grond, de houthakker legt de snede op de stam, aan de dikke kant, neemt het handvat of de bol in zijn rechterhand, de schacht in zijn linker en duwt het werktuig naar voor. De schilschop is te onderscheiden van het groot blekijzer en van de snoeibeitel. Het eerste heeft een stomp en veel minder breed blad. Zijn hanteerwijze is verschillend: de schilschop glijdt over de stam in de lengte richting, het blekijzer wordt zijdelings tussen...
Schietbeitel (m.)
De schietbeitel is een houtbeitel met één vouw en een borst. Zijn ijzer is dikker dan breed en wordt meestal wat smaller bij het houten hecht zodat het niet vastloopt. Er bestaan verschillende breedten, van ca. 0,1 tot 2 cm. De schrijnwerker gebruikt de schietbeitel om pengaten uit te hakken. De smalste (1-3 mm) schietbeitel dient om een gleuf of zeer nauwe gaten uit te hollen bv. voor een (insteek)scharnier. Hij wordt met de hamer geslagen. De draaier gebruikt ook een schietbeitel, maar zonder borst, om groeven uit te draaien. Zie ook scharnierbeitel. [MOT]
Schilmesje (o.)
Met een schilmesje worden groenten geschild. Het is een klein (ca. 16-18 cm) en licht (ca. 20-25 gr) mesje met gladde snede, dat makkelijk in de hand ligt. Het lemmet kan verschillende vormen aannemen: het kan op een mini koksmes lijken, de snede kan recht of gebogen zijn maar steeds heeft het een scherpe punt om ogen en pitten mee te verwijderen. Het hecht kan van hout of plastic zijn. Een bijzonder model bestaat uit een schilmesje met een beweegbare geleider. Soms is het schilmesje gecombineerd met een flesopener voor kroonkurk. [MOT]
Schildershakmes (m.)
Het schildershakmes heeft een vrij dik, breed (3,5 cm) en kort (10 cm) blad, al dan niet gevat in een houten, lederen of rubberen handvat (1). Het handwerktuig eindigt op een schuine (ca. 80°) of haakse snede. De snede aan de lange zijde van het blad is recht en scherp, terwijl de rug van het mes breed is (ca. 5-7 mm) opdat men er met een hamer op kan slaan. De schilder gebruikt dat hakmes voor het uithakken van oude stopverf uit glassponningen. [MOT] (1) Een eerder zeldzaam model heeft, in het handvat, kleine sleuven die, zoals bij een glassnijder, als glasgruizer dienen, d.i. om smalle strookjes glas af te breken (VAN DER KLOES & VAN DER BEEK: 183; FLEURY: 81).
Schoenmakershamer (m.)
Hamer met ronde bolle baan en platte gebogen pen. De pen loopt wijd uit en buigt op het uiteinde weer iets naar boven. Het vlak van de baan staat niet verticaal, maar is iets naar beneden gericht. Het werktuig heeft een korte steel (ca. 20 cm). De schoenmaker gebruikt deze hamer om vochtig of droog leder te kloppen en in vorm te slaan. Daarom heeft deze hamer een zware kop (ca. 500 gr). Naarmate dat de schoen meer vorm krijgt, wordt de hamer aangewend om de schuinaflopende leest van een schoen dicht tegen het bovenleder te kloppen en dit terwijl de zool nog vochtig is. De hamer dient ook om het geleng van een schoen met hoge hakken uit te hameren. [MOT]
Schilderskam (m.)
Stalen kam met lange (ca. 2,5-5 cm), platte en relatief soepele tanden, die door de huisschilder gebruikt wordt voor het imiteren van hout. Vaak is er een reeks kammen, volledig van staal en van verschillende breedten (ca. 2,5-10 cm), met fijne (ca. 1 mm) en grove (ca. 3 mm) tanden, verpakt in een blikken doos.  Er bestaan ook schilderskammen waarvan de tanden veel steviger zijn en gevat zijn in een houten hecht; deze kammen worden gebruikt om te marmeren. [MOT]
Schiltrekmes (o.)
Met een schiltrekmes worden bomen van hun schors ontdaan. Het is een trekmes (zie glossarium) met gebogen snede, zoals het gebogen trekmes (zie gebogen trekmes), maar hiervan te onderscheiden doordat de handvatten in hetzelfde vlak liggen als het mes. Zie ook machete. Zie ook hol trekmes. [MOT]
Schoffel (m.)
De schoffel is een handwerktuig (1) waarvan het blad verschillende vormen kan hebben. Gewoonlijk is het rechthoekig (ca. 10-16 cm breed), al dan niet voorzien van een beugel, en door middel van een dille op een lange (ca. 140-160 cm), soms licht gebogen, steel bevestigd. Het blad kan ook halvemaanvormig (2) of hartvormig (3) zijn. Meestal worden schoffels geduwd, enkele getrokken (4) maar in beide gevallen ligt het blad evenwijdig met de grond. Als beide bewerkingen worden gecombineerd dan is het blad (ca. 18 x 2,5 cm) langs beide zijden geslepen (5). Rond de Niger (Afrika) is de schoffel van een kruk voorzien (6). De schoffel wordt gebruikt om onkruid - op tuinpaden of tussen plantenrijen - te wieden (7). In tegenstelling tot de krabber wordt met de schoffel, door licht stotende beweging, de onkruidwortels op vrij geringe diepte afgesneden, zonder de aarde te breken (8). Nadien kan men het onkruid met de grondhark opruimen. Zie ook bietenkopschoffel en schoffel met harkje. Zie ook krabbertje....
Schoenmakersmes (o.)
Het schoenmakersmes is een volledig metalen mes, ca. 15-25 cm lang, dat door de schoenmaker gebruikt wordt om de kanten van leder af te schuinen en de randen van de zool af te snijden. De snede is recht en bevindt zich schuin in het vlak van het mes. Het mes is vaak breder naar het snijdend uiteinde toe. Het kan ook in de lengte holrond zijn; op deze wijze vermijdt men de schoen te beschadigen wanneer de randen van de zool afgesneden worden. Vaak wordt het hecht in dun leder gewikkeld (1). Soms wordt het mes zelf gemaakt uit bijvoorbeeld een metaalband van een verpakking (bv. MOT V 84.0056). Er bestaan ook modellen met een houten hecht (bv. MOT V 88.1549). Dit mes wordt naast de schoenmaker ook door andere leerbewerkers gebruikt. Zo gebruikt de boekbinder het mes om de randen van het leder uit te dunnen, alvorens ze over de omslag worden geslagen. De mandenmaker gebruikt soms een schoenmakersmes in plaats van een steekmes (mandenmaker). [MOT] (1) SALAMAN 1986: 141.
Schaaf voor zwaluwstaartverbindingen (v.)
De zwaluwstaartverbinding (1) wordt door de schrijnwerker zeer veel gebruikt bv. om de zijkanten van een schuiflade samen te houden. Ze heeft het voordeel én aan de druk én aan het trekken weerstand te bieden. Wanneer de zwaluwstaart lang moet zijn, bv. voor een scheiding in een kist, kunnen schaven gebruikt worden om hem uit te schaven. De schaaf om de pen uit te schaven, heeft een smal blok waarin een stuk is ingelegd dat uitspringt en als zool dient. Het onderste uiteinde van het blok dient als aanslag. De zool staat niet loodrecht op het blok maar schuin, anders zou de schaaf een rechte opening uitschaven. De schaafbeitel, waarvan de snede schuin op de as ligt, steekt uiteraard zijdelings uit. Om de groef uit te schaven, kan een soort van boorschaaf gebruikt worden waarvan het blok onderaan aan één zijde schuin breder wordt. De schaafbeitel snijdt onderaan en aan de schuine zijde. De vakman schaaft eerst in de diepte en drukt dan het werktuig zijdelings om de rand schuin uit te schaven...
Schoffel met harkje (m.)
Werktuig waarbij het schoffelen en het opruimen van het onkruid in één werktuig is gecombineerd. De schoffel met harkje wordt veelal in de cichoreiteelt gebruikt waar de plantjes in rijen met een tussenafstand van 25-30 cm worden gezaaid. De schoffel met harkje bestaat uit 1 à 4 (vervangbare) rechte schoffelblad(en) van ca. 10-30 cm bij 3,5 cm met naar boven gebogen uiteinden (ca. 10 cm) die tussen twee metalen dwarsbalken geklemd zitten. Aan één zijde is de dwarsbalk bevestigd aan een beugel en dille waarin een lange (ca. 150 cm) houten steel steekt. De dille vormt een hoek van ca. 45° ten opzichte van het werkend deel. Een harkje (met ca. 6 tanden) in de vorm van een (langbenige) driehoek (vgl. eg (hand)) is met een scharnier aan de andere zijde van de dwarsbalk bevestigd. De tand op het uiteinde van het werkend deel kan men losschroeven. Al trekkend wiedt de schoffel het onkruid tussen de jonge plantenrijen (1) terwijl het harkje het bij elkaar trekt. Soms wordt er in de opening van...
Schoentrekker (m.)
Langwerpig (ca. 8-25 cm), afgerond, lichtjes holvormig stuk plastic, metaal of hoorn dat tegen de achterbinnenzijde van een schoen gehouden wordt, terwijl men deze aantrekt. Omdat de uitholling de vorm van de hiel aanneemt, glijdt deze daarlangs makkelijk in de schoen zonder de achterkant plat te duwen. Soms is de schoentrekker aan het andere uiteinde voorzien van een knopenhaakje. [MOT]
Schoppriem (m.)
Lange (ca. 75-85 cm), smalle (ca. 1 cm) lichtjes gebogen staaf met één puntvormig en één schopvormig uiteinde. In het midden is er een driehoekig uitsteeksel (1).Het wordt door de strodekker in combinatie met de haakpriem gebruikt om het stro te binden. Beide priemen worden met het puntvormig uiteinde door het stro onder een deklat gestoken en schaarsgewijs geplaatst zodat de beide driehoekige uitsteeksels op de bandroede (2) komen te rusten. Wanneer de bovenste uiteinden van de priemen naar beneden geduwd worden - het schopvormig uiteinde van de schoppriem dient als steun voor de elleboog - ontstaat een soort van hefboom en wordt het stro tegen de deklat geduwd. De strodekker heeft nu beide handen vrij om het stro te binden. [MOT] (1) Drukknopje, zetknopje of ook wel neusje geheten (TREFOIS 1970: 112).(2) Ook dekgaarde genoemd. Deze kan bestaan uit een wilgen twijg of een gegalvaniseerde stalen draad.
Schaafmes (steenbakker) (o.)
Werktuig meestal volledig uit ijzer, met een vierkantig of rechthoekig blad (15-20 cm lang, ca 12 cm breed) waarvan een lange zijde omgekruld is om het grijpen te vergemakkelijken; soms worden gewoon twee plankjes op het blad bevestigd. Het handwerktuig gelijkt op de deegsteker van de broodbakker. Met het schaafmes ontdoet de steenbakker diverse voorwerpen, bv. zijn vormtafel en werktuigen, van kleiresten. [EMABB]
Schoenmakersrasp (v.)
De schoenmakersrasp is een rechthoekige rasp (ca. 2 cm breed; ca. 20 cm lang) zonder handvat, waarvan de twee helften in tegenovergestelde richting raspen. De schoenmaker gebruikt deze rasp om de zolen, de zoolranden en de hielen te effenen en af te werken. De korte zijden zijn meestal afgerond; soms is één korte zijde recht. Er zijn ook modellen waarvan één zijde gegroefd is als een vijl. Zie ook pinrasp. Te onderscheiden van de hoefrasp. [MOT]
Tandenborstel (m.)
Door tandpasta op de borstelharen van een tandenbostel aan te brengen en er 2 à 3 maal per dag je tanden en kiezen mee te poetsen, verwijder je voedselresten en tandplak. Zo bestrijd je tandcariës, tandvleesaandoeningen en een slechte adem (halitose). Een voorloper van de tandenborstel is de 'miswak', een soort kwastje uit de wortel van de arakboom (salvadora persica). Al in het Oude Egypte gebruikte men dit om de tanden schoon te maken, en het was lange tijd de enige vorm van mondhygiëne. Toch wordt de miswak nu nog veel gebruikt in grote delen van Azië en Afrika en in een deel van de Verenigde Staten. De tandenborstel heeft meestal een klein rechthoekig borstellichaam (ca. 2 - 2,5 cm x 1 - 1,5 cm) met korte dicht op elkaar staande borstelharen van niet meer dan 1 cm lang en heeft een hecht van ca. 15 – 17 cm in het verlengde ervan. De borstelharen kunnen van varkens- paarden- of dassenhaar zijn (1) en vanaf eind jaren dertig ook uit nylonvezels. De steel kan bestaan uit been, ivoor,...
Tang voor bijenramen (v.)
Voor het verzamelen van de honing of het controleren van de bijenkasten kunnen (1) de ramen, nadat ze met de bijenraamheffer lichtjes zijn losgewrikt, met een tang voor bijenramen uit de kast worden genomen. Een tang voor bijenramen waarbij de ramen langs de bovenzijde uit de kast worden genomen is een U-vormig werktuig uit twee scharnierende gelijke delen. De uiteinden zijn afgeplat en lichtjes omgebogen of vormen een haak. Het werktuig is meestal voorzien van een veer en is soms gecombineerd met een bijenraamheffer. Een tang voor bijenramen voor kasten met achterbehandeling, d.i. waarbij de raten via de achterzijde worden uitgenomen, en met warme bouw (2) bestaat uit twee hefbomen van de eerste soort (totale lengte = 26 cm), die rond een op ca. een derde van hun lengte geplaatste spil draaien. De platte bek staat haaks op de armen die voorzien zijn van een bladveer. MUSSCHE: 20 vermeldt een gecombineerd werktuig in gepolierd staal met hefboom. Het dient om de ramen los te maken en uit...
Tandbeitel (m.)
De tandbeitel is een beitel (ca. 14-30 cm) met een verbreed, afgeplat en getand uiteinde en die volledig van metaal is of een houten hecht (1) heeft. Het aantal tanden ligt tussen 2 en 20 en ze kunnen rechthoekig, trapezoïdaal of driehoekig van vorm zijn - afhankelijk van de hardheid van de te bewerken steen - en in een rechte of een gebogen lijn staan. Naast de vaste tandbeitel bestaat er ook een tandbeitel met inzetstuk (2). Na het voorbewerken van de steen met de puntbeitel gebruikt de steenhouwer de tandbeitel in combinatie met de houten steenhouwersklopper of de metalen steenhouwersklopper om te nivelleren. [MOT] (1) Tandbeitels met houten hecht (en stompe tanden) worden meestal gebruikt voor zachte steensoorten. (2) Bijv. JANSE: 125.
Takkenbosvork (v.)
Met een takkenbosvork laadt de griendwerker takkenbossen of een wiep. Dat laatste gebeurt met meerdere werkers tegelijk. Zij bestaat uit een korttandige gaffel met dille en een houten steel (ca. 90 cm). De bakker gebruikt de takkenbosvork om de takkenbossen in de oven te plaatsen en vooral om het hout in de oven te spreiden. Dit model heeft een langere steel (ca. 1-2 m) die in een lange dille steekt (zo’n drie maal langer dan het werkend deel). De lange dille verhindert het verbranden van de steel. Zie ook rakelijzer. [MOT]
Tafelmes (o.)
Het tafelbestek bestaat in West-Europa traditioneel uit een drietal essentiële onderdelen, nl. het tafelmes, de eetvork en -lepel. Het blad van het tafelmes is tegenwoordig vervaardigd uit roestvrij staal. Vroeger bestond het uit ijzer dat op de messenplank blank geschuurd werd. Het hecht is van hard hout (ebben- of palissanderhout), ivoor, hoorn, plastic of metaal. In dit laatste geval bestaan lemmet en hecht vaak uit één geheel. Tafelmessen met breed (ca. 2,5 cm) en afgerond lemmet zonder zaagtandjes zijn eerder voor het smeren (bij het ontbijt) bedoeld, de tafelmessen met zaagtandjes en smaller uiteinde worden meer voor het snijden gebruikt (bij ontbijt, middag- en avondmaal). [MOT]
Tang voor handtas-armaturen (v.)
Om de randen van het leder te beschermen en om de bevestiging van handvatten en sluitstukken mogelijk te maken, worden handtassen soms voorzien van een armatuur. Er bestaan verschillende tangen om dit armatuur aan te brengen. Zij hebben allemaal een haakvormige bovenkaak die recht naar beneden geplooid is en met het uiteinde op de rechte benedenkaak terechtkomt. De haakvormige bovenkaak heeft steeds een andere vorm afhankelijk van het doeleinde. Zo kan deze wigvormig zijn om de U-vormige groef van het armatuur te openen zodat het leder erin kan geplaatst worden. Dat gebeurt met een tang met een dunne bovenkaak; het leder wordt over de kaak geplaatst, het armatuur wordt tussen de kaken gevat en het leder wordt in het armatuur geduwd. Het armatuur wordt dichtgeknepen met een tang met een dikkere, in doorsnede rechthoekige haakvormige bovenkaak. [MOT]
Tandenbreker (m.)
Wanneer de tanden van een paard geïnfecteerd raakten, gebruikte de dierenarts of hoefsmid soms een tandenbreker (1) om het uitstekend deel van de tand in de mond te breken. Het gaat om een metalen staaf van 70 à 100 cm lang met een, meestal uitschuifbaar, recht of T-vormig handvat. Aan het uiteinde is er een metalen plaatje met twee vierkante gaten, soms met smalle mesjes tussen beide (2). Dit werkend deel wordt horizontaal rond en tegen de kies geplaatst. Met een enkele stevige klap op het hecht breekt het werkend deel de kies. Er bestaan ook beitelvormige modellen (3). Nadien werd de tand bijgewerkt met een kiezenrasp. [MOT] (1) Eigen Nederlandse benaming onbekend. Vertaling van het Franse casse-dents. (2) BOUCARD 2006: sv casse-dents, piston, rabot odontriteur. (3) Handelscatalogus John Reynders & Co., Veterinary instruments, 1883: 23-24.
Tandentang (v.)
De tandarts beschikt over een stel - een minimum van tien - tangen om de tanden uit te trekken. De richting van de bek, zijn openingswijdte en de vorm van de kaken zijn telkens aangepast aan bepaalde tanden. Er bestaan tangen voor de bovenste en voor de onderste tanden, voor de linker- en voor de rechtertanden, voor de snij- en de hoektanden, voor de maaltanden en voor de wijsheidstanden. [MOT]
Suikerdeeggieter (m.)
Om vlug een groot aantal pralines te vullen en om suikergoed te gieten in het bakje gevuld met stijfsel (zie chocoladevorm) gebruikt men een suikerdeeggieter. Hij bestaat uit een plaatijzeren recipiënt dat uitmondt in 4 à 7 conische tuiten, en is voorzien van een handvat, eventueel met haakje. [MOT]
Veerploeg (v.)
De veerploeg (1) dient om groeven tot 12-15 cm van de rand van een plank te schaven. Ze bestaat uit een grote geleider die door twee vierkantige houten staafjes of door twee houten schroeven verbonden is met een groefschaaf maar ook soms met een messingschaaf (2), een puntschaaf, een boorschaaf, een nootschaaf enz.(3). De geleider wordt op de gewenste afstand van de schaaf gesteld en bevestigd door twee wiggen (op staafjes) of vier houten moeren (op schroeven). Om beide stukken evenwijdig te houden wordt er soms een kruis tussen geplaatst (4). Een houten of metalen (ijzer of koper) geleider bepaalt de diepte. De onderste zijde van de breedtegeleider is doorgaans over de hele lengte uitgehold. Zo kan de vakman het werktuig vatten zonder zijn vingers te kwetsen. [MOT] (1) Het verschil tussen de veerploeg en de zolderploeg (Tech-term: 18) is niet duidelijk. Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen de veerploeg die een groef voor een messing maakt, en de Brusselse veerploeg (bv. RAUWERDA...
Verfbusopener (m.)
De huisschilder en de doe-het-zelver gebruiken een verbusopener om het deksel van de hermetisch afgesloten verfbussen op te tillen zodat er lucht in de bus kan dringen en men deze kan openen. De verfbusopener is een plat metalen staafje (ca. 10-15 cm) waarvan het uiteinde (ca. 1 cm) is omgeplooid en verdund om makkelijker onder het deksel te geraken. Het staafje dient dan als hefboom van de eerste soort. Als het uiteinde niet is omgeplooid, heeft het de vorm van een platte schroevendraaier en/of haak. Iets kortere modellen zijn voorzien van een ring om meer druk te zetten, soms zijn ze gecombineerd met een blikprikker of een flesopener voor kroonkurk. [MOT]
Velgaffel (v.)
De velgaffel dient om de goede richting te geven aan een vallende (naald)boom. Het is een zware metalen gaffel met dikke korte - soms licht gebogen - tanden (4-10 cm), op een dille, al dan niet in een hoek van ca. 135° gesmeed waarin een 4-5 m lange schacht steekt. Het werktuig kan op twee verschillende wijzen gehanteerd worden. In het eerste geval steekt de houthakker zijn gaffel zo hoog mogelijk in de stam en duwt op de schacht in de richting van haar as. In het tweede geval plaatst hij de gaffel tegen de stam en de schacht op de grond. Hij duwt of trekt dan het midden van de schacht naar beneden. Deze buigt door en haar uiteinden komen naderbij. Wanneer de houthakker de schacht loslaat, steekt de gaffel in de stam en de schacht in de grond. De boom is dan ondersteund (1). Zie ook bootshaak. [MOT] (1) Er zou ook een velgaffel bestaan met een schacht die onderaan in een tweede gaffel eindigt en die met een hefboom geduwd wordt (''Der Prembeum'').
Veegmes (klompenmaker) (o.)
Handwerktuig dat een zekere gelijkenis vertoont met een gelijknamig werktuig van de hoefsmid (zie veegmes (hoefsmid)). Het wordt door sommige klompenmakers gebruikt in plaats van het hielmes om de binnenzool van de klompen glad te maken. Het U-vormig ijzer (3-6/2 cm) snijdt aan één kant en is hetzij in het midden van het blad, hetzij op een zijde op een L-vormig staafje met dille of angel gesmeed. In de dille of op de angel steekt een kort recht of L-vormig hecht. Het recht hecht wordt in de hand gehouden. Het uiteinde van het L-vormige rust op de heup van de klompenmaker, die het werktuig duwt. De linkerhand drukt het werktuig op de zool. [MOT]
Veerpasser (m.)
De kuiper gebruikt een veerpasser om de straal van de kroos, de groef waarin de bodem past, op te meten door het beginpunt na zes passen gelijk te laten vallen aan het eindpunt. Nu kan men die straal met de veerpasser op de bodem van het vat overbrengen en de omtrek aftekenen (vgl. afschrijfpunt). Daarna kan de bodem uitgezaagd worden met de draaizaag. De veerpasser is een (essen)houten U-vormige passer, uit één stuk gebogen of bovenaan verbonden door een spil, met aan beide uiteinden een ijzeren punt. De benen zijn met elkaar verbonden door een houten stelschroef met tegengestelde schroefdraad, zodat bij het draaien ervan de passer zich sluit of opent. Voor hetzelfde doel gebruikt de kuiper ook een steekpasser. [MOT]
Veiligheidsscheermes (o.)
Metalen mesje (ca. 4 cm bij 1 cm) dat aan één of twee zijden snijdt en dat in een kapje geplaatst wordt dat haaks bevestigd is aan een rechte steel (ca. 7-10 cm). Het geheel kan van metaal of van plastic zijn. Vroeger werden de mesjes gewet op een speciaal daarvoor bestemd wetleer; vandaag zijn het wegwerpmesjes.  In vergelijking met het andere scheermes kan men zich met het veiligheidsscheermes makkelijker scheren zonder zich te snijden. [MOT]
Veerspade (v.)
Tuinspade voorzien van een sterke veer die het blad omhoog doet springen. Men steekt het blad van de spade in de om te spitten grond, door één druk op de steel springt de aardkluit omhoog. Het spitten met een veerspade is minder belastend voor de rug. Het blad van de veerspade zou ook vervangen kunnen worden door tanden zoals op een spitgreep (1). Er bestaan ook modellen waarbij aparte onderdelen op een tuin- of steekspade gemonteerd kunnen worden. [MOT] (1) COENEN: 27.
Velwig (v.)
De velwig is een ca. 30 cm lange vaak houten wig die bij het vellen van dikke bomen in de zaagsnede gedreven wordt om het klemmen van de zaag te voorkomen en de boom in de goede richting te doen vallen. Er worden er meestal twee of drie samen gebruikt. Ook bij het in stukken zagen van de gevelde boom kunnen deze wiggen voorkomen dat de zaag vastloopt. In plaats van de velwig wordt soms een kloofwig aangewend. Soms bestaat de velwig uit een houten (haagbeuk of es) of plastic wig met schacht. Het wigvormig deel wordt beschermt door een aluminium wigschoen voorzien van groeven. Het andere uiteinde bevat een aluminium ring. Beide om schade van (ketting)zaag en hamer te voorkomen. [MOT]
Veegmes (steenbakker) (o.)
Monoxiel (meestal beuk of wilg) mesvormig handwerktuig, ook wel stuk bandijzer, om de steenvorm na elke gemaakte steen te ontdoen van de resten van klei en zand. [EMABB]
Voorsnijmes (o.)
Met een voorsnijmes worden grote stukken vlees voorgesneden. Het heeft een enigszins buigzaam lemmet (ca. 25-30 cm lang) met een scherpe, soms omhoog gebogen punt waarmee het vlees van de botten kan worden losgesneden. Vroeger waren voorsnijmessen vrij breed zodat men het vlees er ook mee kon serveren. De meeste voorsnijmessen hebben een 3/4 of volle tong. Het hecht kan van allerlei materialen zijn gemaakt: plastic, hout, hertshoorn, roestvrij staal, zilver of ivoor. De meer stugge messen dienen om runder-, varkens- of lamsvlees voor te snijden; licht buigzame messen worden gebruikt voor gevogelte. Het wordt vaak in combinatie met een voorsnijvork gebruikt. Zie ook hammes. [MOT]
Voorloper (m.)
De voorloper is een schaaf met vierkantig, 50-60 cm lang blok, met handvat, zonder keerbeitel. Het is de eerste schaaf die gebruikt wordt bij het gladmaken van een stuk hout. Daar ze voor grof werk bestemd is, is de snede van haar beitel enigszins afgerond. Daarna wordt het hout bewerkt met een reeschaaf. [MOT]
Voorboor (v.)
De voorboor is een avegaar waarvan het plat boorijzer op het einde breder wordt en in een schroefvormige punt eindigt. Het werktuig is niet te verwarren met de verzinkboor (zie glossarium), die veel kleiner is en nooit op een kruk bevestigd is. De voorboor dient om gaten aan te boren die met de lepelboor gemaakt zullen worden. Deze laatste boor heeft inderdaad de neiging om op een plat vlak weg te glijden. De voorboor wordt slechts voor grote gaten gebruikt, voor kleine gebruikt men de fretboor (1). [MOT] (1) Voorboor en amorçoir duiden dan ook de fretboor aan.
Vulstok (m.)
Zadelmakerswerktuig dat bestaat uit een lange (ca. 35-55 cm), meestal ijzeren, soms houten schacht, die in doorsnede rechthoekig of rond is en die eindigt in één of meerdere V-vormige uitsnijdingen. De schacht kan recht of gebogen zijn en is meestal gevat in een kort, vaak knopvormig handvat. Met de vulstok wordt wol, vlokwol of stro in bepaalde delen van het zadel of harnas geduwd. Dat fungeert als kussen zodat het paard geen verwondingen kan oplopen en de ruiter wat comfortabeler kan rijden. [MOT]
Voorsnijvork (v.)
Wanneer men een groot stuk vlees voorsnijdt met een voorsnijmes kan men dat vlees vasthouden met een voorsnijvork. Ze heeft vrij lange (ca. 7-10 cm) - meestal drie - stevige tanden en een hecht van plastic, hout, hertshoorn, roestvrij staal, zilver of ivoor. Tussen lemmet en hecht is er veelal een stootplaatje ter bescherming van de hand als het mes zou uitschieten; vaak is er ook een uitklapbaar staafje opdat de vork niet te diep in het vlees zou binnendringen. Zie ook voorsnijtang. [MOT]
Vorm voor kartonnen dozen (m.)
Houten vorm die gebruikt wordt om kartonnen dozen te maken. Hij heeft de vorm van de binnenkant van de te maken doos. Er worden in lijm geweekte reepjes papier op geplakt totdat de gewenste dikte is bereikt. Wanneer de kartonnen doos droog is, wordt ze met een laag vernis bedekt om de onvolmaaktheden te maskeren en vervolgens met de hand versierd (1). [MOT] (1) Deze wijze om kartonnen dozen te maken zou uit de 12de eeuw stammen. Pas in de 18de eeuw zou men gebruik gaan maken van holle vormen, die dus de vorm van de buitenkant van de te maken doos hebben (BRUYEZ: 89).
Voorsnijtang (v.)
De voorsnijtang laat toe om een stuk gebraad vast te klemmen, zodat men het makkelijk kan snijden. De kaken zijn vrij groot, breed en gebogen. Ze bestaan uit staven, die op regelmatige afstand van elkaar staan. Men kan met een mes tussen de staven snijden om schijven van dezelfde dikte te bekomen.  Zie ook de voorsnijvork en het voorsnijmes. [MOT]
Vorm voor ventilatiepan / Vorm voor duivenpan (m.)
Vol houten vorm met een kort rond hecht, waarop de kap van een ventilatie- of een duivenpan gemaakt wordt. De pannenbakker legt de met de snijvorm (snijvorm voor ventilatiepan) uitgesneden kleiplaat op deze vorm en de bekomen kap wordt dan aan de dakpan, voorzien van een opening, bevestigd. [EMABB]
Vliegenjager (m.)
De vliegenjager is gemaakt van een paardenstaart gebonden op een steel van 20-30 cm. Met dat werktuig verjaagt men de vliegen bij het beslaan of verzorgen van zenuwachtige paarden. Het werktuig is te onderscheiden van de vliegenmepper waarmee de vliegen gedood worden. [MOT]