ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 51 - 100 1,272 resultaten gevonden
Bajonet/bajonetschaar (v.)
De bajonet is een blank wapen, d.w.z. een steekwapen met één of verschillende snijkanten, waarvan de lemmetrug soms gedeeltelijk gekarteld is. De bajonet heeft een kliplemmet, d.w.z. dat het lemmet vòòr de punt naar beneden loopt en naar de punt toe weer iets omhoog. De bajonet wordt gebruikt als steekwapen op de geweerloop in een man-tegen-mangevecht. Het heft heeft meestal een gleuf over de gehele lengte om de bajonet op de geweerloop te kunnen schuiven. In of aan de stootplaat is een gat of een ring aangebracht die om de geweerloop kan worden geschoven. De bajonet kan ook opgeborgen worden in een bajonetschede uit leder, metaal of plastic. De bajonet kan samen met de schede gebruikt worden als schaar om prikkeldraad door te knippen. Daartoe zet men het lemmet vast ter hoogte van een kleine, rechthoekige uitsparing, op een pin die zich aan het uiteinde van de schede bevindt. [MOT]
Bakkersmesje (o.)
Mesje dat gebruikt wordt om brood in te snijden voor het de oven ingaat, opdat de bovenzijde van het gebakken brood inkepingen zal vertonen. Het heeft een langwerpig (ca. 4 cm lang; ca. 2 cm breed) blad dat aan de twee lange zijden een gebogen snede heeft, en waaraan in het midden een plastic steel bevestigd is. Het mesje kan na gebruik in een plastic schede gestoken worden. [MOT]
Bakspaan (v.)
Met een bakspaan keert men vlees en vis in de pan en schept men voedsel uit een pan. Zij heeft meestal een rechthoekig - al dan niet geperforeerd - metalen of plastic blad dat eventueel met een knik aan een recht hecht bevestigd is. De lengte varieert tussen 25-40 cm. Voor het keren van voedsel op de kachel gebruikte men een grotere, ijzeren bakspaan (ca. 60-70 cm lang) die vaak als geschenk werd gegeven. Daarom vindt men op deze exemplaren geregeld initialen of een datum terug. [MOT]
Balatummes (o.)
Om balatum te snijden, bestaan er speciale messen. Deze kunnen op krommessen lijken (zie krommes) en dus een blad met gebogen snede hebben, eindigend in een scherpe punt. Met deze punt wordt de balatum op maat gesneden. Het mes kan ook een klein (ca. 2-4 cm/1 cm) en vervangbaar blad (1) hebben met een fijn haakvormig, scherp uiteinde dat in een houten of metalen hecht steekt. Reserveblaadjes kunnen vaak in het hecht bewaard worden. Een minder courant model is een balatummes met een uitgesproken haakvormig blad. Het lemmet wordt achter de balatum 'gehaakt' en door middel van een trekbeweging wordt deze gesneden. [MOT] (1) Vaak betreft het een dubbel blad, d.i. een blad dat aan twee zijden gebruikt kan worden.
Balkenrits (v.)
De balkenrits (1) is een handwerktuig om een balk te merken door er een groefje in te snijden. Het bestaat uit een dun metalen blad (ca.3/10-15 cm) aan een uiteinde haaks gebogen, waarvan de hoek snijdt. Het is vaak met een zaagzetijzer gecombineerd; meestal staat dat ijzer aan het tegenoverliggend uiteinde maar soms zijn de inkepingen in het blad zelf gesneden (2); uitzonderlijk staat het zaagzetijzer tussen een dubbele rits (3). De timmerman gebruikt de balkenrits om de plaats en de aard van de bewerking aan te duiden (zagen, pen of gat uit houwen enz.), soms ook om de balken te nummeren. Te onderscheiden van de boomrits, van de klompenmakersrits, van het formeerijzer van de zadelmaker en van het hoefmes voor paarden van de hoefsmid. Zie ook afschrijfpunt. [MOT] (1) WEYNS 1967-68. (2) Bv. LOMBARD & MASVIEL: 117. (3) BISTON-BOUTEREAU-HANUS: 249.
Ballastschop (v.)
Brede, licht holronde, rechte of puntige schop. Ze is van plaatstaal gemaakt. Doorgaans eindigt de korte steel in een D-handvat. De ballastschop dient om zand, grind, steenslag, kolen (zie stookschop) en dergelijke meer te verplaatsen. Zie zandschop (metselaar). [MOT]
Balsteker (m.)
Keukengerei met een metalen halve bol (ca. 0,5-3 cm) aan één of beide uiteinden van een recht hecht. Met de balsteker kan men balletjes draaien uit aardappelen, meloen, knolgewassen, boter, appelen en kaas en klokhuizen van halve appelen of peren verwijderen. Vaak is het gecombineerd met ander keukengereedschap zoals een botertrekker (1). Het is te onderscheiden van de ijslepel en van de comedonendrukker. Zie ook flesopener voor kroonkurk. [MOT] (1) Bv. BRIDGE & TIBBETTS: 43.
Banddraaghaak (m.)
De smid of de wagenmaker gebruikt de banddraaghaak om de gloeiende ijzeren (wiel)band uit het vuur te halen om op de velgen te leggen. Nadien wordt de band met de voorhamer en de bandhaak (wiel) op de velgen van een wiel getrokken. Die haak wordt ook gebruikt door de molenbouwer wanneer hij de molensteen met ijzeren hoepels beslaat. De banddraaghaak bestaat uit een lange ijzeren stang (ca. 80-140 cm) met een U-vormig gebogen uiteinde. Hij kan ook voorzien zijn van twee licht naar binnen gebogen tanden die haaks op de steel staan (1). De wielband wordt bovenaan gevat tussen het uiteinde van het werktuig en zit, zodra men de banddraaghaak optilt, door wrijving hiertussen geklemd. Kleinere wielbanden worden met de smeedtang uit het vuur gehaald. Sommige modellen gelijken sterk op de buighaak. [MOT] (1) Bv. SALAMAN 1975: 516.
Bandhaak (wiel) (m.)
De bandhaak is een metalen (1) hefboom om de band op de velgen van een wiel te trekken. Het is een rechte staaf met losse haak (2), waarvan de afmetingen (0,50-2 m) verschillen naargelang van de grootte van het wiel (kruiwagen, wagen enz.). De haak kan door middel van een ring op de staaf glijden (3) of aan de staaf bevestigd zijn door een beugel of een spil. Hij kan ook door de staaf steken (4) of erop bevestigd zijn door een verstelbare bout. Soms wordt een dubbele haak gebruikt waardoor de staaf gestoken wordt. De gloeiende band wordt op de velgen gedragen, de uiteinden van twee of drie bandhaken onder de velgen gestoken en de haken op de band geplaatst. Door het naar beneden drukken van de hefbomen, wordt de band op de velgen getrokken terwijl de vakman er met een zware hamer op slaat. Het gaat hier om een smidswerktuig maar de wagenmaker had meestal ook bandhaken voor herstellingen waarvoor de smid niet nodig was. De heier gebruikt een bandhaak om de beslagring van de heipaal te verwijderen wanneer...
Bandspreider (m.)
De garagehouder gebruikt de bandspreider om de binnenzijde van de buitenband na te kijken. Dit is nodig na elke reparatie aan de binnenband, aangezien het heel goed mogelijk is dat er nog scherpe delen door de buitenband steken. Ook breuken in de canvaslagen kunnen worden vastgesteld. Als de band niet te stug is, kan men hem met de handen uiteen te buigen. Bij grotere banden is een bandspreider noodzakelijk. Met de stelschroef is het mogelijk de bandspreider op elke stand vast te stellen. [MOT]
Bankhamer (m.)
Hamer van verschillende vormen waarvan sommige modellen sterk op een schrijnwerkershamer gelijken. De pen, die zowel haaks op als in hetzelfde vlak als de steel kan liggen (1), is wigvormig of is vervangen door een bol (2). Het werktuig weegt tussen 100 en 1300 gr (3). De bankwerker, maar ook de smid, de autohersteller en zelfs de schrijnwerker gebruiken de bankhamer voor allerhande werk. De edelsmid gebruikt een bankhamer met bolle pen om, bij z.g. parketwerk (4), het inlegmetaal op zijn plaats te kloppen. Te onderscheiden van de smeedhamer die zwaarder is. Zie ook haarspit. [MOT] (1) Ook wel penbankhamers genoemd. (2) Ook bolbankhamer genoemd. (3) Door een foute vertaling van de Engelse benaming "engineer's hammer" worden lichte (ca. 100-375 gr) bankhamers ook wel ingenieurshamers genoemd. (4) Techniek waarbij men vormpjes van verschillende metalen inlegt in een nauw aaneensluitend "lapjespatroon".
Beerlepel (m.)
Grote lepel met meestal een halfbolvormig (gegalvaniseerd) ijzeren schepblad (diam. ca. 25-30 cm) bevestigd aan een lange (ca. 120-140 cm) houten steel. Met de beerlepel wordt de gier of de beer uit de beerkuip geschept en verspreid over voornamelijk weiland. Soms wordt hiervoor ook een emmer of een oude klomp (1), vastgespijkerd aan een steel, gebruikt. Te onderscheiden van de stokemmer waarmee de beer uit de beerput in de beerkuip wordt geschept. Een gelijkaardige lepel, maar dan van koper en met een lange dille, werd in Duitsland in plaats van de blekersschop gebruikt (2). [MOT] (1) VAN DAM: 33 spreekt dan van een beerklomp. (2) ''Die grosse Wäsche'': 161.
Beerroerder (m.)
Meestal zelfgemaakt werktuig om de beer om te roeren alvorens deze met de stokemmer uit de beerput te scheppen. De beerroerder kan bestaan uit een lange houten steel met aan het uiteinde een dwars geplaatste plank (ca. 40-100 cm bij 15-20 cm) (1), dikwijls versterkt met twee steunlatten of leren riemen. De lengte van de steel is afhankelijk van de diepte van de beerput. Een ander model bestaat uit een gebogen metalen blad met een lange dille haaks op het blad. Twee steunen verbinden het uiteinde van het blad met het uiteinde van de dille waarin een houten steel steekt (2). Het houten model is te onderscheiden van de plonsstok van de visser waarmee men de vissen in netten en uit de modder jaagt. [MOT] (1) VAN LEUVEN: 40. (2) Uitzonderlijk is de beerroerder helemaal van metaal (DEVLIEGHER: 45).
Beertrechter (m.)
Bij het overscheppen of het pompen van beer naar een beerkuip maakt de landbouwer gebruik van een beertrechter om verlies tegen te gaan. De beertrechter is van houten duigen gemaakt, behalve de bodem die uit één stuk hout bestaat en de buis (diam. ca. 5 cm) die van ijzer is. Die zorgt ervoor dat de beer veilig in de beerton geraakt. Soms is het geheel volledig uit metaal vervaardigd. [MOT]
Behangersmes (o.)
Mes met een lang (ca. 30 cm), spatelvormig blad met een in doorsnede rechthoekige snede, bevestigd aan een recht hecht. Het wordt gebruikt om ingelijmd behang langs de rand van de plaktafel van de zelfkant te ontdoen. Voor dit doel werd op de lange zijkant van de tafel een dunne metalen strip aangebracht. Zie ook het behangmesje en het behangsnijwieltje. [MOT]
Behangmesje (o.)
Met het behangmesje kan men zoals met een behangsnijwieltje tijdens het aanbrengen van behang gemakkelijk langs plint en plafond, langs deur- en raamkozijnen, rond schakelaars e.d. snijden. Hecht en houder van dit handwerktuig bestaan uit één geheel. In de houder (4,5 cm bij 2 cm) wordt een vervangbaar scheermesje geklemd met behulp van één of meerdere metalen plaatjes en een schroef. Het hecht is van hout, aluminium of plastic. Zie ook behangersmes. [MOT]
Behangsnijwieltje (o.)
Tijdens het aanbrengen van behang moet langs plinten en plafond, langs deur- en raamkozijnen, rond schakelaars e.d. veel gesneden worden. Dat gaat gemakkelijk met een behangsnijwieltje. Het heeft een stalen snijwieltje (ca. 4 cm doorsnede) met een scherp geslepen snede, dat aan een houten of plastic hecht bevestigd is. Te onderscheiden van het deegradertje en het pizzawieltje. Zie ook het behangmesje en het behangersmes. [MOT]
Beitel, schuine (m.)
Beitel waarvan de vouw schuin staat op de as van het werktuig en niet loodrecht zoals bij de gewone beitel. Met de schuine beitel kan gemakkelijk in de hoeken gewerkt worden. Vooral de schrijnwerker en de houtsnijder gebruiken deze betrekkelijk zeldzame beitel. Het werktuig is te onderscheiden van de gladbeitel die twee vouwen heeft. [MOT]
Bekkenmeter (m.)
Voor de bevalling meet de arts de breedte van het bekken in de onderbuik met een bekkenmeter. Men onderzoekt zo of het kind door het bekken zal kunnen. Wanneer het bekken te smal is, weet men op voorhand dat het kind met een keizersnede zal geboren worden. De kaken van de bekkenmeter zijn gekruist, zodat de meter niet te breed is, wanneer men deze via de vagina aanbrengt. De armen lopen uit op twee afgeronde plaatjes. Op één van de armen is een meetlat gemonteerd, die achter een wijzertje op de andere arm zit. Wanneer men de meter opent, duidt het wijzertje op de meetlat aan hoe groot de bekkenopening is in centimeter (max. 14 cm). [MOT]
Belboor (v.)
Dit is een fretboor met ca. 40 cm lang boorijzer om deurkozijnen te doorboren wanneer er een elektrische draad doorgestoken moet worden. Ze is bruikbaar in relatief licht materiaal zoals pleisterwerk en hout van deurkozijnen, plafonds, wanden en vloeren. Vooral in de periode van elektrificatie was deze boor sterk verspreid, voor de installatie in bestaande gebouwen van een telefoon, een deurbel of voor interne bellen voor personeel of bezoekers. [MOT]
Beroker (m.)
De imker gebruikt een beroker om rook in het vlieggat van bijenkorf of -kast te blazen, tijdens het jagen, om de bijen van de raten te verwijderen wanneer men de stand van het broed wil controleren of om een andere reden wil dat de bijen een bepaalde plaats vrijmaken. Het is een kleine blaasbalg waaraan een ijzeren huls bevestigd is die aan één kant een gat heeft waar de rook uit kan. Men kan er oude lappen, tabak, droog mos of andere dingen die blijven smeulen, in stoken. Wanneer men de rook wil uitblazen, doet men een paar slagen met de blaasbalg. [MOT]
Beslagbijl (v.)
De beslagbijl dient tot het beslaan van stammen en zware stukken hout. Ze wordt ook soms aangewend om een boom te schillen. Deze bijl weegt ca. 1,5-3,5 kg en is gekenmerkt door een breed blad (tot 40 cm) met één vouw en dikwijls een lange dille. De steel is 25-40 cm lang en wordt met één of beide handen gevat. De stam wordt eerst gesmet (zie smetlijn) om de te bekomen vorm aan te duiden. Indien weinig hout verwijderd moet worden, gaat de timmerman aanstonds te werk met de beslagbijl; hij staat naast de stam en hakt dus in de richting van de vezels. Wanneer het spint te dik is, hakt hij er kepen in met de aks (1) tot ca. 0,5-1 cm van de lijn; de afstand tussen de kepen (90-180 cm)(2) hangt van de houtsoort af en ook van het stuk (rechte vezels of niet). Het hout tussen de kepen wordt dan weggehakt met de aks. Het ruw vlak wordt tot tegen de lijn met de beslagbijl effen gehouwen. De beslagbijl is hét werktuig van de (scheeps)timmerman (3). Het werktuig is te onderscheiden...
Beslagstrijker (m.)
Licht (ca. 50 gr), houten keukengereedschap dat een blad (ca. 20-24 cm lang) met een rechte onderzijde heeft dat haaks in een rechte steel bevestigd is. Hij wordt o.m. in Bretagne (Frankrijk) gebruikt om beslag uit te strijken op een bakplaat om pannenkoeken te bakken. [MOT]
Bezem (m.)
In huis, op straat, in de stal en op het erf wordt de bezem gebruikt om de vloer schoon te vegen. In mindere mate wordt met de bezem het graan of hooi in de graanschuur of hooizolder bijeen gekeerd (1) of het graan, na het dorsen met de vlegel, verzameld (2). Ook op oorlogsschepen wordt het dek schoon gehouden met een bezem. De bezem bestaat uit een rechte of licht gebogen (essenhouten) steel (ca. 80-100 cm), gestoken in een (ronde) bundel of bundels van dun buigzaam rijshout (ca. 70 cm) - zoals berk, beuk, wilg, brem, enz. - en samengebonden met een wiepband, een reep gekloofde wilg of hazelaar, een stuk touw of ijzerdraad. Vandaag worden er ook van plastic gemaakt. "Twijgen van berk, heide, brem; pluimen van sorghum (3), riet, blauw parelgras en stengels van biezen, esparto(gras), enz. zijn de meest gebruikte materialen bij het vervaardigen van bezems. ... Om de stallen en de hoenderhoven schoon te maken maakt men gebruik van de bezem van berketakjes. Deze van hulst zijn het meest...
Bezem voor vislijm (m.)
De bezem voor vislijm, bestaande uit een rechte steel (ca. 80-100 cm), gestoken in een bundel van berkentakjes (ca. 35 cm lang), wordt gebruikt bij het bereiden van vislijm. Dit is “een soort van lijm die uit samengerolde zwemblazen, inz. van steur, bestaat en in den handel onder de vorm van geel-witte, doorschijnende, reuk- en smaaklooze blaadjes, in warm water oplosbaar en bij afkoeling eene gelei vormend, voorkomt.” (1) De vislijm wordt als bierbreedsel of klaringmiddel gebruikt bij het klaren van het bier. D.i. het zuiveren van de erin zwevende vaste deeltjes om het helder te maken (2). “De vislijm wordt in kleine stukjes gesneden of op een aambeeld gebroken, en 12 uur in koud water, dat men 1 à 2 maal ververst, geweekt. Als de lijm zacht is geworden wordt hij tussen de handen gekneed tot men een homogeen deeg bekomt. Dat wordt opgelost in water met wijnsteenzuur (0,5 gram per gram lijm) en verhardt tot een gelatineachtige massa die men snel met de bezem voor vislijm klopt om ze op te lossen....
Bietenhakmes (o.)
Met het bietenhakmes wordt van de suikerbiet het loof en de kop afgesneden (1). Het kan een groot mes zijn met een bol gebogen lemmet en een recht hecht, zoals bijvoorbeeld een broodmes of een stuk van het blad van een zeis waarvan de punt is afgebroken (2). Bij een ander model is het blad trapeziumvormig en de snede recht. Voor hetzelfde doel gebruikt men ook wel de bietenkopschoffel of de mechanische bietenkopper. [MOT] (1) Volgens V.A.W.P.: 1.360 zouden er voor dat doel ook werktuigen bestaan in de vorm van een groentehakmes. (2) Bv. JEWELL: 15.
Bietenkopschoffel (v.)
Dit landbouwwerktuig, gelijkend op een schoffel, is bedoeld om de nog in de grond staande suikerbiet van loof en kop te ontdoen. De bietenkopschoffel bestaat uit een metalen, driehoekig of rechthoekig blad (ca. 20-25 cm) met beugel, dat met een hoek van ca. 150° op een dille is gelast. In de dille past een rechte steel van ongeveer één meter lengte. Soms is er een tweede beugel (ca. 28 cm breed) (1) voorzien of twee tanden, die belet(ten) dat de bietenkop van de schoffel glijdt. Het afsteken en verder gooien van het loof gebeuren in één beweging. Voor hetzelfde doel wordt ook het bietenhakmes gebruikt, of de bietenkopper waarmee men mechanisch de bietenkoppen afsnijdt. [MOT] (1) Bijv. ELOY: 142.
Bietenrooispade (v.)
Kleine spade waarmee men suikerbieten rooit. Ze bestaat uit een plat, al dan niet versterkt met een rib, of holrond blad (ca. 14-22 cm) waarin een T-, D- of L-steel (ca. 28-40 cm) steekt. Soms is de snede van het blad V-vormig. Het werktuig wordt met één hand achter de biet gestoken en achterovergeduwd terwijl de plant met de andere hand uit de grond getrokken wordt. Zie ook bietenrooivork en bietenrooitang. [MOT]
Bietenrooitang (v.)
De landbouwer trekt de bieten uit met een bietenrooivork of bietenrooispade. Wanneer de grond echter zeer vochtig is, zijn deze handwerktuigen van weinig nut. Men gebruikt dan een bietenrooitang, die men met beide handen vasthoudt. [MOT]
Bietenrooivork (v.)
Een hulpmiddel bij het rooien van suikerbieten. Het heeft twee korte (ca. 15 cm), zware tanden die in het midden uit elkaar gebogen zijn - de afstand tussen de tanden is ca. 5 cm (vgl. cichoreirooivork) - en die door middel van een dille aan een korte T- of D-steel of aan een lange rechte steel bevestigd zijn. Het kort werktuig wordt met één hand in de grond gestoken en dan achterovergedrukt terwijl men met de andere aan het loof trekt. In zware grond gebruikt men de bietenrooivork met een lange steel. Op het ijzer is dan een horizontale voetsteun aangebracht en het werktuig wordt zoals een bietenrooispade in de grond gestoken; ook hier wordt de vork achterovergedrukt. De bietenschepvork is een totaal ander werktuig. Zie ook bietenrooitang en bietenrooihaak. [MOT]
Bietenschepvork (v.)
Na het rooien (zie bietenrooispade, bietenrooivork, bietenrooitang en bietenrooihaak), schept men de bieten op met een bietenschepvork. De bietenschepvork heeft 5 à 6 gebogen tanden, met een tussenafstand van ca. 5-6 cm over een breedte van 25-35 cm, die op de uiteinden voorzien zijn van knoppen om de bieten tijdens het scheppen minder te beschadigen. Meestal is het blad door middel van een dille bevestigd aan een houten T- of D-steel (ca. 100 cm). Te onderscheiden van de aardappelschepvork die meer tanden (ca. 8-12) heeft. [MOT]
Bijenborstel (m.)
Nadat de bijenkast met de beroker werd berookt worden de ramen eruit gehaald (zie tang voor bijenramen) en worden de bijen met een natgemaakte (1) bijenborstel (2) uit de raten verwijderd. Het werktuig wordt ook gebruikt om een klomp op elkaar zittende bijen (na het zwermen) in een korf te vegen. De bijenborstel (ca. 30-35 cm) heeft een smal (ca. 1,5 cm) houten borstellichaam voorzien van één rij niet doorboorde gaten waarin fijn en soepele haarbundels (ca. 0,5 cm) uit witte zijde (3), paardenhaar of nylon steken. Meestal is de kop van het borstellichaam afgeschuind en voorzien van nog 1 à 2 haarbundels. Borstellichaam en steel (ca. 13-15 cm) liggen in elkaars verlengde en uit een stuk gemaakt. “Om de bijen van een raat te borstelen neemt men de bijenborstel in de linkerhand, in loodrechte richting en men borstelt zachtjes de bijen van boven naar onder af, teneinde ze niet tot steken te prikkelen. Men zorgt ervoor dat de haren van de borstel omhoog en de rug een weinig naar de onderkant der raat gekeerd is. In...
Bijenraamheffer (m.)
In de bijenkast kan propolis zich tussen de sponning van de ramen en de kast vasthechten, wat het oplichten van de ramen bemoeilijkt. Met de bijenraamheffer worden de vastzittende ramen lichtjes losgewrikt en opgelicht door het werktuig onder de toplat van het raam te schuiven en daarna als hefboom te gebruiken. Daarna kan de imker met zijn handen of met behulp van de tang voor bijenramen de ramen verder optillen. Het gewoon model bestaat uit een roestvrijstalen platte haak waarvan de holle zijde al dan niet is geribt. Een uitstulping – gebruikt als steunpunt – is aan de andere zijde van de haak voorzien. Dit model kan geheel van metaal (1) zijn of voorzien zijn van een handvat in hout of plastic. Veelal is de bijenraamheffer gecombineerd met een schraapbeitel, soms ook met een tang voor bijenramen. [MOT] (1) Zie een model in aluminium (MUSSCHE: 23).
Bikhamer (m.)
De bikhamer is een ijzeren hamer (ca. 400-500 gr) met 2 wigvormige pennen, waarvan zich één haaks op het vlak van de steel (ca. 25-35 cm) en één in hetzelfde vlak als dat van de steel bevindt. Sommige modellen hebben op de kaak van de kop een bijkomende dunne pen (1). Andere modellen zijn voorzien van een borsteltje (2). De bikhamer wordt door de ketelmaker gebruikt voor het verwijderen van ketelsteen. Ook de lasser gebruikt de bikhamer i.p.v. de lasbikhamer. [MOT] (1) Bv. ''Tech-term'': 1.13. (2) Bv. BAIRD & COMERFORD: 69.
Biljartstrijkijzer (o.)
Om een biljartlaken glad te maken, kan men een biljartstrijkijzer gebruiken. Dat is een volledig metalen strijkijzer met een dik (ca. 3-4 cm) rechthoekig (ca. 25 bij 10 cm) blad en een U-handvat. Het lijkt op het massieve strijkijzer dat men vroeger thuis gebruikte, maar is veel zwaarder (ca. 7-8 kg). De schrijnwerker gebruikte soms een biljartstrijkijzer als lijmijzer. [MOT]
Bindhout (o.)
Hulpmiddel om grote bundels tijdelijk snel te binden die gebruikt worden als veevoeder, of het hooi bij elkaar te houden bij het laden op de hooiwagen of een slee (1). Het bindhout is een houten blokje (ca. 15 cm) met twee gaten, dat aan één zijde op een punt eindigt. Het einde van een touw wordt door het gat, dat het kortste bij het brede uiteinde ligt, gestoken en geknoopt zodat het er niet door kan glijden. Nadat het touw rond de bundel is gedaan steekt men het andere uiteinde door het tweede gat, spant men aan en draait men een rondslag rond de punt van het bindhout. Door de wrijving komt het touw niet los. [MOT] (1) Bv. LOREZ: 6.
Biscuittaartsnijdraad (m.)
Keukengerei dat bestaat uit een in de hoogte verstelbare snijdraad (ca. 30 cm lang) die gespannen is in een U-vormige houder. Daarmee kan men biscuittaarten in gelijkmatige lagen van elke gewenste dikte snijden, opdat er bv. pudding of slagroom tussen gesmeerd kan worden. De biscuittaartsnijdraad wordt met één hand vastgehouden terwijl de andere op de taart rust; met een lichte zaagbeweging dient men horizontaal doorheen de taart te schuiven. Gelijkaardige maar steviger instrumenten worden gebruikt om klei (zie kleisnijdraad) en grote blokken kaas (zie kaassnijdraad) te snijden. [MOT]
Blaasbalg (haard) (m.)
Werktuig dat bestaat uit twee houten plankjes (ca. 20-40 cm lang; ca. 20-30 cm breed) - die versierd kunnen zijn - met aan één korte zijde een handvat, en die verbonden zijn door een harmonicagewijs geplooid stuk leder. Aan de andere korte zijde is er een buisje. In één tabletje zijn er één of meerdere gaatjes waaronder een stukje leder als klepje fungeert wanneer er bij het openen van de blaasbalg lucht binnenkomt. Bij het sluiten van de blaasbalg wordt de lucht samengeperst en komt ze er langs het buisje uit. Met de blaasbalg wordt door aanvoer van lucht het vuur van de haard aangewakkerd. De smid gebruikt een grote, vaste blaasbalg die door middel van een trekmechanisme met de hand of met de voet wordt bediend. Zie ook blaaspijp (huisraad). [MOT]
Blaaspijp (edelsmid) (v.)
Bij het solderen kan de edelsmid gebruik maken van een blaaspijp. Dat is een taps toelopend metalen, vaak messing, pijpje (ca. 20 cm lang; ca. 5 mm doorsnede) met een haaks omgebogen uiteinde. Vaak bevindt er zich op ca. 1/3 een bolletje. Het wordt samen met een soldeerbrander gebruikt. De combinatie van ingeblazen lucht met gas produceert de grote warmte die vereist is voor soldeerwerk. [MOT]
Blaaspijp (glasblazer) (v.)
Lange (ca. 1,30-2 m), ijzeren buis (doorsnede opening is ca. 1-2 cm) met één breder uitlopend uiteinde - het glasstuk - en één uiteinde waar soms een houten omhulsel rond zit - het mondstuk. De glasblazer steekt de blaaspijp in de smeltkroes en neemt een hoeveelheid gesmolten brij op. Hij blaast zacht en voortdurend in de pijp; de brij wordt een peervormig blaasje dat steeds verder uitzet en dunnere wanden krijgt. Ondertussen draait de glasblazer de pijp rond. Wanneer het de gewenste vorm heeft, wordt het glas van de pijp afgeknipt. Zie ook blaaspijp (huisraad). [MOT]
Blaaspijp (huisraad) (v.)
Ijzeren of houten buis (ca. 50-60 cm) waardoorheen men met de mond lucht blaast om het vuur van de haard aan te wakkeren (1). Het benedenuiteinde kan eventueel puntvormig - opdat het niet dadelijk in de as terecht zou komen - gaffel- of spatelvormig zijn en doet dan eveneens dienst als haardvork of -schopje. Het benedenuiteinde kan ook dicht gesmeed zijn met in het midden een klein gaatje. Zo kan men veel effectiever lucht blazen. Aan het andere uiteinde is er een haak of ring waarmee de pijp wordt opgehangen. Zie ook blaaspijp (glasblazer). [MOT] (1) Soms werd voor dat doeleinde een oude geweerloop gebruikt (WEYNS 1974: 73).
Bladhark (m.)
Waaiervormige hark die wordt gebruikt voor het opharken van bladeren op gazons en paden. Het ca. 20-60 cm brede, al dan niet verstelbaar, werkend deel van een bladhark is uit ijzer, bamboe of plastic en heeft 10 à 30 meestal verende, platte, op het einde gebogen tanden (ca. 30 cm). Er bestaan ook bladharken met ronde tanden (1) die tevens het gazon helpen verluchten (zie gazonbeluchter (roller)) en mos eruit trekken. Op het blad is meestal een dwarsverbinding voorzien om te voorkomen dat de tanden in elkaar komen of breken. De houten steel (ca. 100-140 cm) steekt in een dille. Zie ook gazonhark. [MOT] (1) Ook draadhark genoemd (LOGAN: 257). Volgens DAILLY: 36 is een model gemaakt met spaken van een fiets beter.
Blekersschop (v.)
Houten, lange (ca. 2-2,15 m) gootvormige schep waarmee de bleker het linnen - dat op de wei uitgespreid lag - besproeide met water uit de gracht. Door de combinatie van het zonlicht, het gras waarop het linnen lag en het water werd het grauwe linnen wit van kleur. In Duitsland werd hiervoor een koperen lepel met lange dille gebruikt, die enigszins gelijkt op de beerlepel, of een gieter (1). Zie ook boezemschop. [MOT] (1) ''Die grosse Wäsche'': 161.
Blekijzer (o.)
Het blekijzer is een handwerktuig om de eiken (Quercus) van schors en bast te ontdoen (1) om er run van te maken. Niet zelden wordt een uiteinde van een tamelijk dik been van ca. 20 cm afgeschuind (2); het is dikwijls een paardenscheenbeen (3). Het kan ook om een stuk hout van 25-30 cm gaan; een uiteinde wordt afgeschuind en de vouw wordt met een ijzeren plaat beslagen. Het ander uiteinde is recht of knopvormig, soms T-vormig (4). Het blekijzer kan tenslotte bestaan uit een half- of cirkelvormig betrekkelijk dik metalen blad, ca. 3-4cm breed, op een ca. 10 cm lange dille gesmeed (5); in de dille steekt een houten steel van ca. 20-30 cm. In alle gevallen steekt er aan het uiteinde tegenover de vouw of het ijzer meestal een zijdelings mesje van 1-4 cm of in de verlenging van de steel een haakvormig mesje (6). Voor dikke bomen wordt een lang blekijzer (60-70 cm) zonder mesje gebruikt (7). Met een hakmes (hout) wordt de schors horizontaal rond de boom doorgehakt; met het mesje worden schors...
Blesbijltje (o.)
Bijltje met hamer - te onderscheiden van de stempelhamer (houthakker) - waarop de stempel van de eigenaar van het bos of van de houthandelaar staat. Vooral de boswachter gebruikt dit handwerktuig om bomen te merken (1). Op de voet of op ca. 1,20 m wordt een stuk bast met het bijltje weggehakt en op de witte plek wordt de stempel geslagen. Gevelde bomen worden op de doorsnede gemerkt, het bijltje is dan nutteloos. Omgekeerd wordt soms enkel een strook bast afgekapt en dan wordt de stempel niet gebruikt; in dat laatste geval kan om het even welk bijltje gebruikt worden.[MOT] (1) De slagstempel wordt hiervoor zelden gebruikt (zie echter CHERBLANC die van een broche à timbrer spreekt).
Blikopener (m.)
Er bestaan verschillende werktuigen om blikken dozen te openen. De meest gebruikelijke en meest moderne zijn tangvormig en prikken een gat in het deksel wanneer men ze dichtknijpt. Deze blikopeners kunnen een snijwieltje hebben dat rond de rand van het deksel draait wanneer men aan het krukje draait. Men houdt de tang met de linkerhand op het blik geklemd terwijl men met de rechterhand aan het krukje draait. Een andere tang heeft geen snijwieltje en geen krukje om de tang te laten draaien, maar beweegt men zelf rond de rand. De gehele tang gebruikt men telkens als hefboom om de scherpe kaak door het deksel te boren. Andere blikopeners zijn geen tangen maar bestaan uit een scherp, spits toelopend en haakvormig lemmet dat men langs de rand van het deksel naar binnen steekt. Door de rechte steel telkens op en neer te bewegen - en dus als een hefboom te gebruiken - snijdt men het deksel van het blik. Het kan ook bestaan uit een scherp, langwerpig lemmet dat verticaal in een metalen plaatje steekt welk...
Blikprikker (keuken) (m.)
De blikprikker is een langwerpig, plat en kort (ca. 10 cm) metalen keukengereedschap met een spits en omgebogen benedenuiteinde waarmee men schenk- en luchtgaatjes kan prikken in blikjes koffiemelk, vruchtensap, olie e.d. Vaak is het gecombineerd met een flesopener voor kroonkurk of een kurkentrekker. Er bestaat ook een blikprikker met deksel. In een rond (plastieken) dekseltje bevinden zich dan twee korte nageltjes. Zo kan na het prikken het blik afgesloten worden. Zie ook verfbusopener. [MOT]
Blindklinktang (v.)
Dun materiaal als canvas, leer, kunststof enz. kan men vastklinken met een blindklinktang. Het grootste voordeel is dat u er 'blind' mee kunt klinken, dus ook waar u het materiaal slechts aan één zijde kunt bereiken. Men boort eerst gaatjes van de juiste diameter voor de nagels. Vervolgens opent men de tang en stopt er de nagel in. Men drukt de nagel in het gat, duwt de tang met kracht op het werkstuk en knijpt de tang dicht tot de nagel 'springt'. Bij zachte materialen gebruikt men best ringetjes om de stof niet te scheuren. [MOT]
Bloembollenzeef (v.)
Bloembollen of -knollen, regelmatig van vorm, kunnen worden gesorteerd naar omtrekmaat, uitgedrukt in zeefmaat, door middel van een bloembollenzeef (1). De zeefopeningen zijn ongeveer een halve centimeter groter dan de werkelijke omtrekmaat, vooral als de vorm enigszins onregelmatig is, zoals bij tulpen. De bloembollenzeef bestaat uit een aantal losse houten ziftplaten (ca. 60 cm) waarin zich gaten van verschillende diameter (ca. 2,5 cm; 3,5 cm; 4 cm; 4,5 cm) bevinden. Deze rechthoekige of ronde platen passen in een houten houder waarmee men al schuddend de bollen of knollen in oplopende maat sorteert. [MOT] (1) Bollen en knollen die onregelmatig van vorm zijn (en ook wortelstokken) worden eveneens gesorteerd naar grootte, uitgedrukt in 1e, 2de en 3de grootte maar dat wordt in hoofdzaak met de hand gedaan.
Bloemenschaar (v.)
Op de kaken van de bloemenschaar is een v-vormige veer bevestigd. De punt van de 'v' zit vast op de draaispil en de beide uiteinden ervan, op de uiteinden van de kaken; soms is de veer vervangen door twee repen ijzer, die haaks op de kaken bevestigd zijn. Er bestaat een kort model, van zo'n 15 cm, en een lang, van zo'n 60 cm. Met de bloemenschaar kan men de stengel van een bloem doorknippen én vasthouden: wanneer men knipt, drukt men de veer dicht of komen de twee reepjes naar elkaar, en vat men de stengel tussen de armen of de veertjes. Vaak kan men het werktuig sluiten met twee haakjes aan de ogen van de schaar wanneer men het op zak draagt. [MOT]