Avegaar (m.)

identificatiecode

MOT V 810467

morfologie

boorvormig

beroep

beroep

beroep

beroep

beroep

holotype

MOT V 81.0467 L=48cm B=42cm G=0,91kg. Opschrift: 14.

alias

egger (syn.) (VAN DER HOEVEN: 38)

alias

buiker (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 34)

alias

zwikboor (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 34)

alias

krukboor (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 34)

alias

avegeer (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 34)

alias

avergeer (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 34)

alias

navegeel (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 34)

alias

agger (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 34)

alias

erger (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 34)

alias

enger (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 34)

alias

effer (syn.) (BERGHUIS a: 36)

alias

penboor (syn.) (W.N.T.)

alias

schudavegaar (syn.) (VAN KEIRSBILCK 1898: 389)

alias

sluitboor (syn.) (CORNELISSEN & VERVLIET: 2041)

alias

vrille (syn.)

alias

wringboor (syn.)

omschrijving

Werktuig om gaten te boren, bestaande uit een kruk en een boorijzer. De 20 tot 50 cm lange kruk (zie naafboor, fretboor en pomplepelboor)

is van hout, soms van metaal. Ze steekt door het oog van het boorijzer of laatstgenoemde steekt erin. Het boorijzer kan verschillende vormen hebben (zie glossarium).

De vakman neemt de kruk aan beide uiteinden vast en draait ze al drukkend. Na een halve wending moet hij de kruk loslaten en ze opnieuw vatten. De grootste moeilijkheid bij het hanteren van de avegaar is het werktuig in goede stand houden tijdens het draaien. Verscheidene hulpmiddelen worden daarvoor soms aangewend: een houten gestel (1) twee latten (2), een schraag (3), enz. Meestal is de kwaliteit van het werk echter enkel toe te schrijven aan de vaardigheid van

de vakman. Met de borstavegaar gaat het gemakkelijker.

De avegaar wordt door veel houtbewerkers gebruikt; vandaar de talrijke benamingen: de penavegaar (4) om gaten te boren voor de toognagels, de boutboor voor de bouten, de spijkerboor om een nagelgat te boren. Die benamingen worden echter weinig gebruikt en zijn doorgaans zonder groot nut omdat ze geen bijzonder type aanduiden.

Zie verder borstavegaar, belboor, fretboor, klompenmakersboor, naafboor,

pomplepelboor, sponboor, voorboor,

zwikboor.

Zie ook sponzaag. [MOT]

(1) Bv. DELFORGE: 50.

(2) TIDEMAN: s.v. boren.

(3) Zie pomplepelboor.

(4) Penboor (W.N.T.); schudavegaar (VAN KEIRSBILCK 1898: 389); sluitboor (CORNELISSEN & VERVLIET: 2041).