Rijentrekker (hand) (m.)

identificatiecode

MOT V 2006.0131

morfologie

beroep

beroep

beroep

holotype

MOT V 2006.0131 L=146cm B=147cm G=2200gr

alias

geulentrekker (syn.)

alias

markeur (syn.)

alias

trekker (landbouw) (syn.)

alias

zaairijf (syn.) (DE BACKER 1917: 14)

omschrijving

Zaaien op lijnen is voordelig omdat men zaad bespaart, men met machines kan werken, het onderhoud gemakkelijker is en men makkelijker tussenzaaiingen kan doen. Wanneer uit de hand gewerkt wordt, gebruikt men daarvoor een rijentrekker. Daarmee kan men in een handeling verschillende zaaivoren trekken die evenwijdig aan en op gelijke afstand van elkaar liggen. Vooreerst spant men op de rand van het zaaibed een richtsnoer, die door de laatste tand gevolgd wordt. Daarna steekt men die laatste tand in de eerste groef.

De rijentrekker is een houten of ijzeren werktuig, ca. 50-150 cm breed met, al dan niet afneembare en/of verplaatsbare, afgeronde of afgeplatte tanden. Het werkend deel staat haaks op de ca. 100-140 cm lange steel. Nu bestaan er ook modellen waarbij de richting van de balk instelbaar is. Het aantal tanden (lengte ca. 10-20 cm) varieert van twee tot vijf of meer. Soms is de balk aan beide zijden voorzien van vaste tanden die op een verschillende afstand (1) van elkaar staan. Zo kunnen beide zijden van het werkend deel gebruikt worden. Vaak verstevigt een schuin stuk of een beugel de verbinding tussen het werkend deel en de steel, of is de steel zelf gaffelvormig of gespleten.

Zelf een rijentrekker maken kan door over de ijzeren tanden van een grondhark grotere afgeronde houten tanden, op de juiste afstand van elkaar, te schuiven. (2)

In boomkwekerijen waar er met grote hoeveelheden moet gezaaid worden en wildelingen, d.i. onge├źnte bomen, verplant worden, maakt men gebruik van een rijentrekker met ca. 13 tanden en met dubbele steel waarop een dwarsbalk met 2 handvaten is bevestigd (3). [MOT]

(1) De grootte van het gewas bepaalt de afstand tussen de tanden.

(2) Zie DE BACKER: 14.

(3) Zie BURVENICH: 16.