Rijshaak (m.)

identificatiecode

MOT V 2005.0108

morfologie

hak-/disselvormig

beroep

holotype

MOT V 2005.0108 L=49cm B=15cm G=920gr

alias

hakoord (syn.)

alias

hiep (syn.) (VAN BREEN: 50)

alias

oord (syn.) (V.A.W.P.: 3.162)

alias

hakoort (syn.) (Catalogus 1851:34)

omschrijving

Bij het oogsten van het zware rijshout in hakgrienden (1) gebruikt de griendwerker een rijshaak (2). De loten worden met een opwaartse beweging zo dicht mogelijk bij de stoof afgehakt.

De rijshaak bestaat uit een min of meer rechthoekig ijzeren blad (ca. 15-20 cm bij 10-12 cm; gewicht ca. 850 gr) met afgeronde hoeken dat door middel van een angel met een licht gebogen steel (ca. 35 cm) verbonden is; door steel en angel steekt een nagel. De snede en de steel vormen een hoek van ca. 60°. Er bestaan modellen voor linkshandigen en voor rechtshandigen.

Terwijl de hakker de tak in de ene hand iets gebogen, onder spanning, vasthoudt wordt met de rijshaak van onder schuin naar boven – hooguit in twee slagen - gehakt.

Het hout dat later wordt geschild (zie schilklem) wordt onmiddellijk na het hakken rechtop in zo’n 10-15 cm water geplaatst. Het andere hout wordt gesorteerd en met behulp van een hakmes opgewerkt.

Zie ook lattentrekker dat ook wel in de hakgrienden wordt gebruikt om het hout af te snijden dat te dun is voor de rijshaak (3). [MOT]

(1) In de griendcultuur onderscheidt men hakgriend als griend die om de 3 à 4 jaar gehakt wordt, in tegenstelling tot snijgriend dat jaarlijks of tweejaarlijks wordt gesneden. “Snijgriend levert twijg voor bind- en vlechtwerk; dus hoofdzakelijk voor de mandenmakerijen. Hakgriend levert materiaal voor verschillende bestemmingen: bonestokken voor de tuinbouw, zwaardere stammen en rijshout (takkenbossen) voor de waterbouw, hout voor schop- en harkstelen, hoephout (hoepels) voor vaten en band voor de lichtere haringkuipen.” (WEIJS 1990: 126). In beide gevallen worden de stoven, d.i. de levende stronken, vlak boven de grond geknot.

(2) VAN BREEN: 51 vermeldt: "De hiep (rijshaak) is het wapen der bovenlandsche rijswerkers, die gewend zijn in de grienden te werken, terwijl de rijswerkers aan zee dit werktuig niet kennen en bij voorkeur het hakmes gebruiken."

(3) VINK: 17.