Snuiter (m.)

identificatiecode

MOT V 2003.0034

morfologie

beroep

holotype

MOT V 88.0655 L=14cm B=5cm G=48gr. Opschrift: LUTTERS & CO SOLINGEN.

holotype

MOT V 92.0533 L=14cm B=4cm G=50gr

holotype

MOT V 2003.0034 L=16cm B=5cm G=69,5gr

alias

lampenschaar (syn.) (Tech-term: 16)

alias

lampeschaar (syn.)

"De pit van een kaars is gedrenkt in stoffen zoals borax, waardoor het ombuigen van de pit in de vlam bevorderd en nagloeien voorkomen wordt. Het ombuigen van de pit is noodzakelijk, omdat deze buiten de zoom van de vlam komend verbrandt en zodoende op een constante lengte blijft. Vroeger moest de pit voortdurend afgeknipt (gesnoten) worden. Een te lange pit geeft een roetende vlam." (1)

Met een snuiter knijpt en knipt men de verbrande pit van een kaars of olielamp af opdat ze minder zou roken. Het is een schaar (ca. 12-16 cm) waarvan, meestal, beide bladen halfcirkelvormig zijn en één een opstaande rand heeft zodat het een gesloten doosje vormt. De afgeknipte pit belandt veilig in het bakje zonder brandgevaar.

De oudere modellen hebben één halfcirkelvormig blad waarmee enkel wordt geknipt. Nadien wordt het stukje pit, op de grond, uitgedoofd.

Soms bevindt er zich een pin aan het einde van de bladen van de schaar om de pit te ontkrullen alvorens ze te knippen.

Snuiters zijn vaak mooi versierd en zijn soms voorzien van kleine pootjes. De kleinere modellen werden soms met een kettinkje aan de kaarsenhouder bevestigd.

Er bestaan ook snuiters met een veermechanisme (2). [MOT]

(1) DEN HERDER & SCHELTEMA: 294.

(2) MANDEL: 23.