Opzoeken

Algemeen zoeken

Doorzoek de hele website door een trefwoord in te voeren of kies hierboven een databank om specifiek te zoeken

Zoeken

Zoekresultaten 15,221 - 15,230 16,186 resultaten gevonden
Smeed-Doe
Verlostang (v.)
Om een kind bij een bevalling te halen, werd soms een verlostang gebruikt. Kenmerkend zijn het roestvrij staal, de brede kaken en de korte armen. Men mocht immers geen grote kracht uitoefenen op het hoofdje. De armen van vele verlostangen waren verbonden zonder draaispil, zodat men ze makkelijk uit elkaar kon nemen. De geneesheer kon dan zonder gevaar één gedeelte van de tang links, het ander gedeelte rechts van het hoofd van het kind duwen.Zie ook de verlostang (dierenarts) [MOT]
Keukenbreektang (v.)
De keukenbreektang kraakt noten, schalen van schaaldieren en oesters. Men steekt het voedsel tussen de kaken en knijpt de tang dicht. Hierdoor krikt men de tandheugel omhoog tot bijvoorbeeld de noot boven in de tang zit vastgeklemd. Men drukt vervolgens de armen verder samen tot de schaal breekt. Voor noten kan men ook een notenkraker gebruiken, voor kreeften ook een kreefttang. Voor oesters is er onder meer de oestertang. [MOT]
Draadsnij-ijzer (voor bouten) (o.)
Werktuig om een uitwendige schroefdraad te snijden aan ijzeren bouten en dunne staven. Er bestaan verschillende modellen, die allemaal van gehard staal zijn. Het kan een troffelvormig werktuig zijn van variërende grootte (ca. 15-35 cm lang) met in het blad verscheidene gaatjes met draad van verschillende diameter (van enkele millimeters tot 1 cm), voor bouten van verschillende grootte (1). De bout wordt in een bankschroef geklemd en het overeenstemmende gat van het snij-ijzer wordt op het uiteinde geplaatst. De vakman draait vervolgens het werktuig over de bout naar beneden, erop lettende dat het loodrecht op de bout blijft. Het draadsnij-ijzer kan ook een rechthoekig plaatje zijn met in het midden een - eventueel verstelbare - uitsnijding, met rechte handvatten aan de twee korte zijden (2). Daarmee kan men makkelijker draaien. In sommige gevallen is er op hetzelfde draadsnij-ijzer ook een snijtap om inwendige draad te snijden aan de bijbehorende moer (zie draadsnijtap (voor metaal)). Zie ook draadsnij-ijzer (voor...
Splijthoutje (o.)
Het splijthoutje dient om tenen, bramen (Rubus) (1) e.d. in drie of vier te splijten. Het is een rond stukje hout, bv. palmhout (Buxus sempervirens), sleedoorn (Prunus spinosa), metaal, been (2) of ivoor (3) van ca. 5-10 cm (doorsnee 1-10 cm), waarin aan een uiteinde, drie of vier driehoekige inkepingen gesneden zijn zodat er drie of vier sneden ontstaan. Sommige splijthoutjes hebben drie inkepingen aan een uiteinde en vier aan het ander. Bij dikke tenen wordt soms begonnen met een voorsplijthout (4) om het verdere splijten te vergemakkelijken, een steviger model met handvat, ijzerbeslag en grotere diameter (ca. 7-9 cm). De mandenmaker neemt de teen in zijn linkerhand en splijt er het uiteinde van over 5-10 cm met zijn krommes. Daarna duwt hij de sneden van het splijthoutje in de spleten zodat de teen over de hele lengte open gaat. Elk stuk heeft een driehoekige doorsnee. Wanneer platte banden bekomen moeten worden, wordt het splijthoutje niet gebruikt. De mandenmaker snijdt dan de twijg in en buigt ze op zijn...
Draadtrekijzer (o.)
Het draadtrekijzer is een werktuig van de edelsmid om koperen, zilveren of gouden draden te trekken. Het is een stalen blok met steeds grotere gaten van verschillende vormen: rond, vierkantig, rechthoekig, halfrond, ovaal, ovaal met punt, driehoekig, peer, ster enz.; vaak is er een trekijzer per vorm, maar soms ook verschillende vormen in een trekijzer. Aan een zijde is de opening van de gaten trechtervormig om het insteken van de draad te vergemakkelijken; aan de andere zijde is de scherpe rand verwijderd om geen sporen na te laten. Bij het trekken van dunne draad wordt het trekijzer in de bankschroef bevestigd en werkt men uit de hand of met een draadtrektang. Voor dikkere draad wordt met een draadtrekbank gewerkt. [MOT]
Kettingzaag (hand) (v.)
De kettingzaag (hand) (1) is een vouwbare zaag en maakt deel uit van het gereedschap van de genie en de artillerie in het leger. Ze dient om betrekkelijk kleine bomen te vellen en takken van nog niet gevelde bomen af te zagen. Ze bestaat uit een opeenvolgende reeks getande blaadjes van 8-10 cm, telkens verbonden door een plaatje en twee klinknagels (2). Het geheel meet ca. 1,20 m en eindigt in twee ringen. Aangezien niet alleen het blad maar ook de klinknagels in de snede moeten kunnen, is de zaag zeer breed gezet (zie glossarium). Hoewel de kettingzaag door één man gehanteerd kan worden, wordt ze meestal door twee man getrokken. Om een beter houvast te bieden, worden vaak twee stukken hout of twee buisjes in de ringen gestoken. Wanneer een hoge tak afgezaagd moet worden, worden twee touwen aan de ringen bevestigd, waaraan getrokken wordt (3). Zie ook draadzaag (houthakker). [MOT] (1) V.A.W.P. (2) De firma Goldenberg maakte een model met 2 en 3 tanden per blaadje voor de artillerie, en met 11 tanden voor de genie...
Stage bronsgieten
Houtdraai-Doe
Buigijzer (mandenmaker) (o.)
Het buigijzer is een werktuig van de mandenmaker om tenen te buigen. Het is een metalen (1) staafje van ca. 25-30 cm met een oog aan beide uiteinden (het een groter dan het ander) of met twee evenwijdige haaks staande staafjes van ca. 5 cm aan één uiteinde. De teen wordt in het gat, het oog of de keep, of tussen de twee staafjes geplaatst en het werktuig tegen de teen gedrukt (2). Het buigijzer is vaak gecombineerd met een klopper (mandenmaker). Met zwaardere modellen kan men dikkere stokken rechten. [MOT] (1) Er bestaan ook houten modellen. Het bestaat uit een korte houten stang van ca. 30 cm met een gat in het uiteinde of een lange stok van 60-80 cm met een verdikking aan een uiteinde waarin een diepe keep gesneden is. De hoepelmaker gebruikt ook soms zulk een werktuig. DUHAMEL DU MONCEAU 1764: 1.234 en DARTHUY: 2.15 noemen het billard maar voor BRUNET 1925: 44 en RENARD 1921: 45 is de billard een soort raam om de hoepels te maken, dat in de grond gestoken wordt. DUHAMEL DU MONCEAU 1760: pl. 5 fig. 45 duidt...