ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder vindt u een ....

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 1 - 12 12 resultaten gevonden
Bodemrandschaaf (v.)
De rand van de bodem van een kuip wordt doorgaans met een recht trekmes afgeschuind. Sommige kuipers gebruiken daarvoor een speciale schaaf. Haar kort of zijdelings gebogen blokje, waarin een beitel met meestal schuine snede steekt, is op een houten stangetje van ca. 40-60 cm bevestigd. In dat stangetje zijn gaatjes geboord waardoor een nagel gestoken wordt die in het midden van de bodem geplaatst wordt. De schaaf draait zo rond een middenpunt. Daar op een deel van de omtrek dwars op de vezels geschaafd moet worden, gebruiken de kuipers liever het trekmes. [MOT]
Dekkersheugel (m.)
Zodra de dekker het stro of het riet op het dak gespreid heeft, legt hij er een twijg op. Om te vermijden dat ze voor en tijdens het binden van het dak zou glijden - en ook om het stro te persen - steekt de vakman er door het stro een dekkersheugel naast. De dekkersheugel bestaat uit een plat ca. 35-45 cm lang stuk ijzer met twee tot vijf diepe zijdelingse inkepingen, waarop een haakvormige stang van ca. 10 cm loodrecht gesmeed is. Een van de uiteinden eindigt in een punt, het ander steekt in een houten hecht of vormt een ring die als handvat dient. Een van de inkepingen haakt achter de lat, de kleine stang drukt de twijg naar beneden. Zo kan ze niet meer weg en is het samendrukken van de laag stro met haak- en schoppriem (zie haakpriem) gemakkelijker. De dekkersheugel wordt soms door houten mikken vervangen. Die houden de twijgen goed tegen maar drukken ze niet naar beneden. [MOT]
Grondschaaf (v.)
De grondschaaf dient tot het gladschaven van met de beitel uitgeholde kloostersponningen, tot het uitschaven van een groef waarvan de kanten gezaagd werden, en van korte groeven waar onmogelijk met een boogschaaf gewerkt kan worden (1). Op de grondschaaf staat de snede van de bijna verticale beitel niet dwars op het blok (ca. 20/10/3 cm) zoals op de andere schaven. Ze is in de lengte gericht. De beitel steekt onder de zool uit en kan hoger of lager geplaatst worden naargelang van de behoefte. Aangezien de beitel niet meer ondersteund is wanneer hij onder de zool uitsteekt, is hij doorgaans veel dikker dan die van een gewone schaaf, om niet te plooien of te trillen; het is vaak een al dan niet afgedankte beitel of een schietbeitel (2). Soms is het uiteinde van de beitel onderaan gebogen zodat hij horizontaal snijdt. Er bestaan ook grondschaven met twee geleiders. [MOT] (1) De trekmessen (zie glossarium) die voor hetzelfde werk zouden dienen (WILDUNG: 49) schijnen onbekend in onze streken.%3c%3cVolgens VAN KEIRSBILCK 1898: s.v. grondschaaf wordt de grondschaaf ook door de trappenmaker gebruikt voor het maken van de "nesten" in de trapboom. (2) ROUBO: 2.281.
Hakmes (hout) (o.)
Werktuig om dunne takken door te hakken, bomen te snoeien, tenen te oogsten enz. (vgl. machete). Met het hakmes wordt altijd geslagen, in tegenstelling tot het snoeimes waarmee gesneden wordt (wrijving) (1). Het hakmes bestaat uit een 25-35 cm lang blad (breedte ca. 7-20; gewicht ca. 0,7-1,3 kg) (2), waarvan de angel (de tong is uitzonderlijk) in een kort houten of leren hecht (ca. 15 cm) steekt dat over het algemeen in de as van het blad ligt (zie hieronder). Dat hecht kan recht zijn maar eindigt vaak in een bol of een houten of metalen haak om het werktuig tegen te houden. Een lichter (ca. 0,5 kg) model (3) heeft een smaller blad (ca. 20 cm bij 7-8 cm), met licht bol gebogen snede, dat in een parallel vlak van het handvat ligt. Het wordt, na het hakken van het rijshout met een rijshaak, gebruikt om de takken op te werken en op de hakblok op de gewenste lengte te hakken. Er bestaan modellen voor linkshandigen en voor rechtshandigen. Onder de hakmessen kunnen vier hoofdvormen onderscheiden worden: het blad met rechte snede, betrekkelijk kort en breed; het blad met boogvormige snede en al dan niet eindigend in een korte stompe haak; het haakvormig blad, betrekkelijk smal en lang, waarvan de snede aan het uiteinde gebogen is, tenslotte het griendhakmes. Op de rug van het haakvormig blad wordt soms een bijltje gesmeed. Aan het hakmes wordt soms tegen het hecht een haakje gesmeed om het werktuig aan de gordel te hangen. Dat schijnt evenwel betrekkelijk weinig voor te komen. Vaak hangt het hakmes hangt aan een haak aan de gordel of wordt het in een schede of in de gleuf van een stuk hout gestoken. Het Japans hakmes heeft een langwerpig, relatief kort (ca. 15-20 cm) gebogen blad van gelaagd staal, dat haaks aan een langere (ca. 30-40 cm) steel bevestigd is. De snede is lichtjes holrond; de rug is bolrond en relatief breed (ca. 2-6 mm). Dit hakmes gelijkt sterk op de Japanse sikkel maar is zwaarder (ca. 500 gr). Zie ook machete en struikhakmes. Sommige modellen gelijken op het bietenhakmes. [MOT] (1) Soms worden met het hakmes enkele stroken schors afgesneden. Het werktuig wordt dan met beide handen gevat en zoals een trekmes gehanteerd. (2) Volgens MOUILLEFERT: 193 moet de boomsnoeier lichte en zware hakmessen hebben (tussen 700 en 1200 gr). (3) VAN BREEN: 51 maakt een onderscheid tussen het "snoeihakmes gebruikt om de zware takken van hun bleezen (= topeinde) te ontdoen, tot het maken van hoepelhout, haringband en tuinlatten" en het "gewone hakmes gebruikt om de hooger groeiende takken van knotwilgen af te hakken."
Kroostrekmes (o.)
(1) Het kroostrekmes dient tot het effen snijden van de binnenzijde van de duigen, waar de kroos uitgeschaafd of uitgezaagd zal worden (zie kuipersboogschaaf en kuipersdissel, holle). Het is een gebogen trekmes (zie glossarium) van ca. 30 cm met één gebogen angel waarop een houten hecht steekt, en een recht metalen hecht. Dat laatste wordt in de kuip gestoken. [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. Duidt blaajmes (VAN BAKEL 1962/ 12) enkel het kroostrekmes aan? Vgl. DE BONT: 1.37 en 1.88, die ook dondermes aanhaalt maar twee verschillende tekeningen geeft.
Schiltrekmes (o.)
Met een schiltrekmes worden bomen van hun schors ontdaan. Het is een trekmes (zie glossarium) met gebogen snede, zoals het gebogen trekmes (zie gebogen trekmes), maar hiervan te onderscheiden doordat de handvatten in hetzelfde vlak liggen als het mes. Zie ook machete. Zie ook hol trekmes. [MOT]
Spaakschaaf (v.)
Ondanks haar naam is de spaakschaaf geen schaaf. Het is een kort stuk hout van ca. 30-40 cm waarop in het midden een ermee evenwijdig lopend scherp blad bevestigd is (vgl. trekschaaf). De afstand tussen blad en hout kan door middel van twee punten of twee schroeven geregeld worden. Het blad is recht of bolrond. De vakman vat de uiteinden met beide handen en trekt het werktuig naar zich toe. Het werkt dus zoals een trekmes (zie glossarium) maar het wordt vooral gebruikt om een stuk glad te snijden (1), terwijl het trekmes ook tot het uitsnijden dient. [MOT] (1) Te vergelijken met de rohkel van de Lappen (MANKER: 191).
Staarttrekmes (o.)
(1) Hoewel ook gebruikt in plaats van het hol trekmes om smalle holronde vlakken te bewerken, dient het staarttrekmes hoofdzakelijk om het binnenste van een ton glad te schaven. De ambachtsman drukt het werktuig tegen het hout met zijn linkerhand en trekt met zijn rechterhand. Het is een trekmes (zie glossarium) met half-cirkelvormig of cirkelvormig (2) kort blad waarvan het ijzer in een dille eindigt. Een ander model heeft een recht of gebogen blad en beugel, die overgaat in twee angels, die al dan niet zijn samen gesmeed. De houten steel is 20-40 cm lang. Tenslotte kan het een gebogen blad (ca. 10 cm bij 4 cm) zijn dat haaks op het uiteinde van een stang (ca. 20 cm), al dan niet met dille, is gesmeed. De houten steel is hier ca. 40-45 cm lang. Het werktuig onderscheidt zich van de steelschraper door het feit dat het vlak van het blad en dat van het bewerkt stuk hier nagenoeg evenwijdig zijn. In tegenstelling tot het lepelmes wordt met het staarttrekmes asgericht gewerkt. Het Japanse staarttrekmes, met rechte snede, dient ook om boompjes te schillen (vgl. schiltrekmes) en hout glad te schaven (3). [MOT] (1) Eigen benaming onbekend. (2) Het vormt ook soms een kwadraat (NORMAN: fig. 11d). (3) Bij het Japanse staarttrekmes is het ijzer uitneembaar.
Trekmes, gebogen (o.)
Trekmes (zie glossarium) waarvan het blad minder of meer holrond is maar geen halve cirkel vormt. Op de angels steken twee korte hechten. Het gebogen trekmes wordt aangewend wanneer veel hout moet weggenomen worden van betrekkelijk brede stukken (bv. een duig) en om holronde vlakken te bewerken. Zie ook schiltrekmes. [MOT]
Trekmes, hol (o.)
Trekmes (zie glossarium) met U-vormig blad en twee rechte handvatten. Deze kunnen haaks of schuin tegenover de rug van het blad staan, dus nooit in het verlengde van het blad zoals bij het schiltrekmes. De gebogen delen van het blad zijn meestal gelijk maar er bestaan modellen met een verschillende straal (1). Het hol trekmes wordt vooral door de kuiper gebruikt om de holronde zijde van de duigen te bewerken. Zie ook staarttrekmes. [MOT] (1) Een driehoekig trekmes (GELINSKY: 85) is uitzonderlijk.
Trekmes, recht (o.)
Trekmes (zie glossarium) met recht of enigszins gebogen blad van 10-40 cm en twee houten knoppen. Op recente trekmessen zijn deze soms vervangen door twee verstelbare rechte handvatten. Hoewel door de wagenmaker dikwijls als zijn werktuig beschouwd, wordt het recht trekmes door verscheidene vaklui gebruikt. Nagenoeg al de in de lengte bolronde voorwerpen worden ermee gesneden (spaken, sporten, stelen, bomen van ladders enz.) evenals de bodem van een kuip, latten enz. Bomen worden ermee geschild. Het trekmes glijdt over het algemeen niet haaks op het te bewerken stuk maar wel schuin zodat het beter snijdt. [MOT]
Trekschaaf (v.)
(1) De trekschaaf (2) dient om zeer kleine vlakken waar geen andere schaaf aan kan, en de buitenzijde van duigen (3) glad te schaven. Haar blok beweegt niet in de richting van zijn as maar er dwars op. Het kan een gewoon blok zijn (ca. 25/4/2 cm) waarvan beide uiteinden gevat worden door de vakman, of een kort blok met twee handvatten. De zool kan vlak zijn of in de breedte bolrond. Thans wordt de trekschaaf vaak uit metaal gemaakt. Met die werktuigen is het soms mogelijk af te biljoenen (4) (zie afbiljoenschaaf) en lijsten uit te schaven (5); in dat laatste geval kan er een geleider op bevestigd worden, zodat het werktuig op een profielschraper gelijkt (6). Hoewel de trekschaaf min of meer op dezelfde wijze als een spaakschaaf gehanteerd wordt, is er een groot verschil tussen beide werktuigen. Op de spaakschaaf zijn blad en blok immers evenwijdig, op de trekschaaf staat de beitel schuin, zoals op een gewone schaaf (vgl. grondschaaf). De trekschaaf is ook te onderscheiden van het schraapstaal (kuiper), geklemd in een plankje of een hecht. Laatstgenoemde wordt bijna verticaal op het hout getrokken. [MOT] (1) Fr. rabot transversal. Eigen benaming onbekend. Vaak wabstringue genoemd (bv. RAMAT: fig. 383). Zie echter spaakschaaf. Het woord trekschaaf verwijst naar een bepaald type en is geen algemene benaming voor schaven die tijdens het werk getrokken worden zoals de Japanse schaven. (2) Japans: nankin kanna (ODATE: 121). (3) KARMARSCH: 1. 737-738 spreekt van (dwarse) afstroopschaaf. Zijn beschrijving is echter niet duidelijk genoeg om uit te maken of hij een trekschaaf, een holle schaaf of een holronde boogschaaf bedoelt. (4) STEEL: 1. 44 spreekt van bastrain en stokschaaf. (5) We zouden van afbiljoentrekschaaf en van lijsttrekschaaf kunnen spreken. (6) MERTENS: 1.14, 17 spreekt van een baguettentrekker.