Opzoeken

Algemeen zoeken

Doorzoek de hele website door een trefwoord in te voeren of kies hierboven een databank om specifiek te zoeken

Zoeken


Zoekresultaten 3,171 - 3,180 15,366 resultaten gevonden
Mosterdpoederlepel (m.)
Klein (ca. 10-15 cm lang), bolvormig (ca. 1,5 cm doorsnede) houten lepeltje waarmee mosterdpoeder geserveerd kan worden (1). Voor het serveren van mosterd in pastavorm bestaan er houten, benen, keramische, metalen mosterdspateltjes of -lepels. [MOT] (1) Volgens CAMPBELL: 126 wordt deze lepel gebruikt als zoutlepel.
Muskaatrasp (v.)
Meestal halfronde, maar ook wel eens volledig ronde langwerpige metalen rasp van plaatijzer waarmee muskaatnoten fijn geraspt kunnen worden. Deze raspen hebben een apart plaatsje waar de noten bewaard kunnen worden, veelal bovenaan en met een klepje afgesloten. De rasp kan ook in een houdertje geplaatst zijn waarin zowel de noten bewaard kunnen worden als waarin de fijn geraspte nootmuskaat in opgevangen kan worden. Zie ook muskaatmolen. [MOT]
Lookmolen (m.)
Met een lookmolen wordt look fijn gemalen. Hij lijkt op de vleesmolen maar is kleiner (ca. 15-20 cm lang). Hij heeft een huis van (vertind) gietijzer of plastic met bovenaan een vultrechter en langszij een gatenschijf. Binnenin zit een Archimedesschroef die door een draaizwengel in beweging wordt gebracht. De lookmolen wordt met een schroefklem aan het tafelblad bevestigd. De fijn te malen look wordt in de vultrechter gedaan en komt op het draaiende schroefblad terecht dat de look doorheen de gatenschijf drukt. [MOT]
Nageldrijver (m.)
Met de nageldrijver kan men zonder hamer kleine spijkers indrijven. Het bestaat uit een metalen holle schacht met veermechanisme dat in een houten of kunststoffen hecht steekt. De spijker wordt in de holle schacht gestoken. Door met de hand een stevige klap op de kop - die breder en afgerond is - te geven, gaat de spijker in één beweging in het materiaal. [MOT]
Myoomtrekker (m.)
De myoomtrekker is een handwerktuig dat bestaat uit een stevige metalen spiraal en een ringvormig of recht handvat, waarmee de chirurg een myoom, d.i. een goedaardig gezwel dat uit glad spierweefsel bestaat, verwijdert. Te onderscheiden van de kurkentrekker. [MOT]
Plaatschaar (v.)
"Plaatschaar" duidt een aantal scharen aan om blik of dunne (ca. 0,5mm) metalen platen door te knippen. Als het om dikker materiaal gaat, hakt men eerst een ruwe snijlijn in met een koubeitel of gebruikt men een stokschaar. De plaatschaar bestaat uit 2 hefbomen van de eerste soort die rond een spil draaien. De vrij lange, rechte armen eindigen in ogen of zijn op het uiteinde licht naar binnen gebogen; bij het Japans model (Japans: kanekiri hasami) zijn de bladen smaller en de armen gebogen. Er bestaan verschillende modellen, die soms een eigen benaming dragen, al is het gebruik ervan niet altijd constant. Met de blikschaar knipt de plaatwerker rechte sneden in de plaat. De bladen liggen in hetzelfde vlak als de armen en worden steeds haaks ten opzichte van het materiaal gehouden. Zo voorkom je ruwe snijkanten in de plaat. Bij een ander model, soms doorloopschaar genoemd, zijn de arme, gebogen zodat de hand zich een vijftal centimeter boven de plaat bevindt. Hierdoor kan men langere stukken...
Pijptang (v.)
De pijptang is speciaal ontworpen om pijpen aan- en los te draaien.  De arm van de onderste kaak is hol zodat de andere arm erin past. Hij kan tevens door een bout versteld worden om de opening tussen de kaken te vergroten of te verkleinen. Deze bout vormt ook het scharnier van de tang. De bovenste kaak is naar achter getand, de onderste naar voor. De tang grijpt de pijp wanneer men ze naar beneden drukt, maar glijdt erover wanneer men ze terug naar boven brengt. Men hoeft dus niet telkens de tang te openen om de pijp verder aan te draaien. Deze tang wordt soms ook Blitztang of klemtang genoemd. Ze bestaat in verschillende maten (15-40 cm) maar meestal gebruikt men een tang van ca. 30 cm. Er bestaat ook een pijptang die de smid gebruikt om ronde of lange stukken te vatten. De lange stukken vat men haaks tussen de kaken. Deze bestaan uit een haakvormige ronde haak en een korte rechte kaak die het bewerkt stuk tegen de haak drukt. Men kan ook pijpen aandraaien met deze tang. Het Stillson...
Pijpfrees (v.)
Nadat de metalen pijpen (binnendiameter 0,3-5 cm) met de pijpsnijder of de metaalzaag zijn afgekort, gebruikt de loodgieter of de fitter een pijpfrees om de braam, die zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van de pijp voorkomt, te verwijderen. Daarvoor wordt respectievelijk een mannelijke en een vrouwelijke pijpfrees gebruikt. De mannelijke pijpfrees bestaat uit een stalen kegel van verschillende afmetingen met 7 à 20 gefreesde groeven die rechte of spiraalvormige snijkanten vormen. Het vrouwelijke model bestaat uit een cilinder of kegel waarvan de binnenzijde kegelvormig is uitgehold en voorzien is van 20 à 25 gefreesde groeven met rechte snijkanten. De pijpfrees wordt, zoals de ruimer, in beweging gebracht door een wringijzer, een omslagboor of een borstboor. Soms is het uiteinde voorzien van een opening waar een stangetje (ca. 10 cm) doorsteekt en als handvat dient. Andere modellen zijn voorzien van een handvat met palrad. [MOT]
Pijpsleutel (m.)
Met de pijpsleutel worden verzonken of moeilijk bereikbare schroefbouten, moeren, autobougies enz. aan- of losgedraaid. Hij bestaat uit een metalen pijp waarvan een uiteinde vier- of zeshoekig uitgedreven is om te passen op een moer of een bout; er bestaan er ook dubbele, waar beide uiteinden een bout van verschillende afmetingen kunnen vatten. Een combinatie van pijpsleutel en dopsleutel van zelfde afmetingen komt ook voor. Doorgaans is er door de pijp een gat geboord waardoor een stang gestoken wordt die als draaikruk dient. Er bestaan ook gebogen pijpsleutels. Kleine pijpsleutels eindigen vaak in een ring. Zie bougiesleutel, horlogesleutel, sleutel voor rolschaatsen. [MOT]
Plaan (steenbakker) (v.)
Handwerktuig van de steenbakker dat bestaat uit een rechthoekig blokje, meestal van wilgenhout, al dan niet met één boogvormige zijde (1), met gladgeschaafde onderkant, voorzien aan de bovenkant van één of twee hechten, loodrecht op het blokje geplaatst. Bij de steenvorm waarvan de dwarsplankjes minder hoog zijn dan de lange hoort een plaan met twee groeven in de onderkant (2). Nadat de steenbakker met beide duimen het teveel aan klei van de steenvorm heeft weggestreken, maakt hij met de natte plaan uit de waterbak de steen effen en glad. Wanneer de onderkant van de plaan te veel is afgesleten wordt hij opnieuw glad en vlak gemaakt. [EMABB] (1) Soms driehoekig (LEJEUNE, E: 129). (2) Bv. DUHAMEL 1763: pl.4.18.