Kraanzaag (v.)

identificatiecode

MOT V 91.0702

morfologie

zaagvormig

beroep

holotype

MOT V 91.0702 L=198cm B=27,5cm G=7100gr

alias

trekzaag, lange (syn.) (VAN DER HOEVEN: 89)

omschrijving

Grote zaag (tot 2,50 m / 30 cm) met stijf, smaller toelopend blad, om bomen in de lengte te zagen (vgl. raamzaag, schulpzaag).

Aan het breedste uiteinde is een gebogen staaf bevestigd, waaraan een dwarsstang vastgemaakt is (1). Deze stang wordt door de bovenstaande zager met beide handen gevat. Aan het ander uiteinde wordt de rug van de zaag in de gleuf van een houten blok met twee handvatten bevestigd door middel van een wig. Daar deze zaag stijf moet blijven, is haar blad tamelijk dik.

De kraanzaag, evenals de raamzaag, dient om in de richting van de vezels te zagen. Haar tanden moeten derhalve groot zijn en breed staan. Beide zagen werken tijdens het naar beneden gaan. Bij het optrekken wordt het blad enigszins van de snede verwijderd om de weerstand te verminderen.

De te zagen stam wordt gemeten en gesmet (zie smetlijn), soms wordt een zijde vlak gehakt met de beslagbijl.

Hij wordt dan op steigers gerold, al dan niet boven een kuil (2). Daar wordt hij vastgemaakt door grote krammen (3) of door een ketting, soms een touw. De ploegbaas klimt op de stam en zijn helper gaat eronder staan. De baas leidt de zaag op de getrokken lijn en trekt het werktuig naar boven, de helper trekt de zaag naar beneden om te zagen. Om het klemmen van de zaag te voorkomen, wordt een wig in de snede gedreven. Wanneer al de planken of de twee zijden van een balk tot tegen de steiger gezaagd zijn, wordt de dwarsbalk verplaatst of wordt de stam omgedraaid om verder te kunnen zagen.

De kraanzaag werd ook algemeen gebruikt om op meren de ijsblokken te zagen die in de ijskelders bewaard werden, en om in het verre Noorden een weg voor het schip door het ijs te zagen. In deze gevallen stond er uiteraard niemand onderaan. [MOT]

(1) Soms is er daar ook een houten handvat (MAISSEN: afb. 56).

(2) Er bestaan verschillende werkwijzen: overdwarse steun: kuil, twee schragen met of zonder kuil; overlangse steun: lange balk waarvan een uiteinde op de grond rust en het ander op twee schuine poten staat. Op vaste zagerijen worden soms lange schragen gebouwd waarop twee stammen tegelijk gezaagd kunnen worden (bv. WACHHOLTZ: 60).

(3) Die krammen (Fr. clameau; ook hape, clampe: N.L.I.) kunnen U- of S- vormig zijn, ze kunnen ook een verstelbare punt hebben (bv. MERCER: fig. 77). Ze gelijken sterk op de krammen van de timmerlieden, maar de punten van deze laatste krammen zijn vaak aan de buitenkant afgeschuind om de twee balken samen te trekken (bv. BARBEROT: 262).