werktuig
Doorslag (smid) (m.)
Korte (10-17 cm) stalen cilinder, aan de omtrek vaak gekarteld, met steeds
een vlak uiteinde (diam. ca. 1,5-6 mm), om gaten in dun plaatijzer te
slaan. Onder de plaat wordt een stukje lood of kopshout gelegd, de doorslag
wordt op de plaat geplaatst en aan het andere uiteinde wordt er met een
bankhamer op geslagen. De smid gebruikt ook een zwaarder (15-25 cm; diam
ca. 1 cm) model om in een gloeiend stuk ijzer gaten te slaan. Onder het
werkstuk wordt dan een onderlegplaat gelegd en er wordt op de doorslag
geslagen met de smeedhamer. De doorslag kan verschillende vormen aannemen
naargelang het gat rond, vierkantig of langwerpig moet zijn (1). Zie ook
stokdoorslag. Te onderscheiden van de drevel die een kegelvormig of licht
uitgehold uiteinde heeft. [MOT] (1) Bv. ZWIERS: s.v. doorslag.