werktuig
Tegelvorm (m.)
Houten raam (wilgen, beuken, soms eiken), waarin de klei omgevormd wordt
tot een tegel (of een platte pan). Het bestaat uit vier houten plankjes,
samengehouden door pen-en-gatverbindingen. De twee lange plankjes zijn naar
buiten toe verlengd, aan één zijde vrij kort en aan de andere langer om als
handvatten te dienen. Ook hier (zie steenvorm) duidt een inkeping de
onderkant aan. De afmetingen van de tegelvorm houden rekening met de krimp
van de klei tijdens het drogen. Het gebruik van de tegelvorm is de eerste
stap in het vormingsproces van de tegel. Na een gedeeltelijke droging,
waardoor de kleitegel voldoende gekrompen zal zijn, zal men hem op het
juiste formaat snijden (zie snijvorm (tegelbakker). [EMABB]