Opzoeken

Zoek op heel de website

Zoek op heel de website door een trefwoord in te voeren of kies hierboven een databank om specifiek te zoeken

Zoeken


Zoekresultaten 21 - 30 14,646 resultaten gevonden
Smidswerktuig bestaande uit een ijzeren afgeknotte kegel, piramide of cilinder (ca. 10 cm hoog), met een bolvormige uitsparing (diam. ca. 2-30 mm) in één uiteinde waarin de kop van de (klink)nagel gevormd wordt. Bij het klinken, d.i. verschillende stukken ijzer of staal aan elkaar bevestigen door klinknagels, gebruikt de smid, na het aanstuiken van een klein kopje aan de klinknagel met de smeedhamer, een snapper om de kop van de nagel, ook wel sluitkop genoemd, te vormen. Klinknagels dikker dan ca. 1 cm worden gewarmd, voordat er een sluitkop wordt aangebracht; voor dergelijke klinknagels wordt soms een snaphamer gebruikt, d.i. een snapper met een houten steel. Eerst wordt de snapper loodrecht op de aangestuikte kop geplaatst en met de smeedhamer geslagen. Nadien wordt de snapper schuin op de te maken sluitkop geplaatst zonder de plaat te raken en dit in 4 richtingen (schuin naar achter, links, rechts en voor) (1). Soms is de snapper gecombineerd met een ophaler, voorzien van een uitsparing waar de stift van de klinknagel in past. Hij dient om, na het plaatsen van de klinknagel in de openingen, de randen ervan vlak te slaan waardoor de twee delen tegen elkaar aan komen te liggen. Zie ook klinknageltegenhouder. [MOT] (1) Bv. MONTAGNE: 239.
Kruishout waarvan het puntje vervangen is door een opening (ca. 0,8 bij 0,8 cm) waarin een mesje met een wigje wordt opgespannen. Het dient om fineerplaten in stroken (z.g. biezen) te snijden die nadien als inlegwerk of marquetterie worden gebruikt. Soms is het mesje voorzien van tanden om het hout niet te scheuren (vgl. fineerzaag). Het snijkruishout wordt met behulp van een biezenplank gebruikt. Deze bestaat uit een plank van ca. 60 cm bij 15 cm waarop een aanslag, strook fineer van ca. 2,5 cm breed, langs de rand van de langste en de kortste zijde wordt gekleefd, die een hoek van 90° of 120° vormen. De fineerplaat wordt tegen de 2 aanslagen van de biezenplank gelegd. De breedte van de biezen plus de breedte van de aanslag wordt op het kruishout ingesteld die nadien langs de rand van de biezenplank glijdt. Het mesje snijdt dan de fineerplaat in stroken. In plaats van een voorsnijmes op hun bossingschaaf te plaatsen, snijden sommige vaklui liever het hout met een snijkruishout (1). [MOT] (1) RAUWERDA 1958: 30.
Zware (tot 5 kg) houten hamer met lange steel (70-100 cm) om palen in de grond te slaan, hout te kloven, een dikke pen in een gat te drijven, grond aan te stampen (1), enz. De sleg kan uit een ruw stuk hout vervaardigd zijn of beslagen zijn met een metalen band. Ze wordt zo mogelijk uit een kwasterig stuk gemaakt. Zie ook dolhamer. [MOT] (1) Bv. DE MAS: 382. Zie ook grondstamper
De slokdarmsonde dient om in de slokdarm van het vee vast zittende voorwerpen - zoals stukjes aardappelen of voederbiet - voort te duwen tot in de maag. Zij wordt tevens gebruikt om de gezwollen pens, de eerste afdeling der maag van herkauwers, te ledigen van opgestapelde gassen (zie ook trocart). De slokdarmsonde is een buigzame buis (ca. 140-200 cm) in leer of spiraalsgewijs gewikkelde ijzerdraad of rubber met aan het uiteinde een mondstuk in hout of metaal en, in de buis, een puntige houten stang. Aan het ander uiteinde is soms een houten dwarsstuk voorzien om de bek van het dier open te houden. [MOT]
Ronde of vierkantige stalen staaf (70-120 cm) met een breder kopeinde, die onderaan plat uitgesmeed is, bestemd voor zwaar sloopwerk, het opbreken van bestratingen en het lichten van spoorwegbalken (zie ook handspaak). Het is een zwaardere (ca. 5 kg), uitvergrootte versie van het breekijzer maar er wordt niet met de hamer op geslagen. Zie ook rooiijzer. [MOT]
Komvormig recipiënt van vertinde staaldraad met twee hengsels waarmee men de mand afsluit of opendoet. Stop de gewassen sla erin en zwier de slamand rond; het water zal doorheen de mand naar buiten geslingerd worden. Een modern model is de slacentrifuge. Deze is van plastic en volledig dicht, met een geperforeerd mandje binnenin. Door middel van een krukje worden de tandwielen in het deksel in beweging gebracht; het geperforeerd mandje draait rond en het water wordt eruit geslingerd en opgevangen in de trommel. Het mandje kan ook ronddraaien door aan een touwtje te trekken. [MOT]
Met een slagersmes snijdt men grotere stukken vlees en brengt men het in vorm. Een slagersmes heeft een lang (ca. 25-35 cm) en stevig lemmet met een snede die naar het uiteinde toe gebogen is, eindigend in een scherpe punt. Het houten of plastic hecht is zo gevormd is dat de hand niet kan wegschuiven bij het snijden. [MOT]
Gebogen beitel, al dan niet met borst, in de Angelsaksische landen ook met dille, waarmee men smalle gaten uitholt. De vouw is zeer scherp om zo weinig mogelijk weerstand te bieden. [MOT]
Het snoeimes dient tot het snoeien van heesters, jonge bomen en wijnstokken. Het is een mes met meestal gebogen snede, waarvan het 8 tot 15 cm lang blad vast of vouwbaar is. In het eerste geval is het blad op het hecht door middel van een angel bevestigd of steekt het in een spleet. In het tweede geval draait het rond een spil en wordt het mes door een veer opengehouden; modellen zonder enig middel om het blad tegen te houden komen zelden voor. Wanneer de snede recht is, staat ze dikwijls schuin tegenover het hecht (1). Het van hout, hertshoorn (2) of been (3) gemaakt hecht is vaak gebogen om een beter houvast te bieden (4); met het snoeimes wordt immers al trekkend gesneden, doorgaans met de punt naar boven (5). Het Turks snoeimes is getand als een zaag en wordt uitsluitend gebruikt om wijnstokken te snoeien (6). Het snoeimes is nu meestal vervangen door de snoeischaar, die sneller werkt maar minder gladde wonden nalaat. Het wordt door sommige mandenmakers gebruikt in plaats van het krommes. Zie ook zakmes. [MOT] (1) Bv. BURVENICH: 93. (2) Bv. HOCQUART & NOISETTE: 46 (= DAVID 1975a: 112). (3) Bv. VAN HERTUM: 386. (4) Om scheuten van eiken af te snijden wordt in Duitsland ook een snoeimes met T-handvat gebruikt (KOLTZ: 38) (=DAVID 1975a: 255). (5) Zie in DUHAMEL DU MONCEAU 1760: 326 een snoeimes op een klomp bevestigd. Hier zal waarschijnlijk door druk gewerkt worden. (6) PAGE: 1238.
Deze benaming duidt een aantal zagen aan om bomen te snoeien. De twee hoofdvormen zijn de zaag met stijf blad en de beugelzaag (zie glossarium). De eerste kan in een recht of gebogen hecht of in een pistoolkolf steken. Haar blad is puntig en smal (ca. 4-6/20-40 cm), soms enigszins gebogen. Het kan vouwbaar zijn; het werktuig gelijkt dan sterk op de mijnwerkerszaag. Een haakje op het uiteinde maakt het soms mogelijk een doorgezaagde tak naar zich toe te trekken. Het is een licht werktuig (150-250 gr.). Sommige snoeizagen die op een handzaag gelijken, hebben een tweesnijdend blad. De tanden hebben dan aan een verschillende vorm om groen en droog hout te kunnen zagen. Wanneer het zaagblad gespannen is door een beugel, is deze laatste minder hoog aan het uiteinde om niet aan de takken te haperen. Het blad is smal (1-1,5 cm). De tanden zijn altijd tamelijk groot en worden breed gezet (zie glossarium) vermits groen hout gezaagd wordt. Ze werken doorgaans bij het trekken, ook eens bij het duwen of in beide richtingen. De Japanse snoeizaag (1) heeft een haakvormig hecht en een puntig blad met rechte snede. Opmerkelijk aan de driehoekige tanden van de Japanese snoeizaag is dat ze niet geschrankt zijn en beurtelings aan twee kanten schuin geslepen zijn (2). Doordat het blad dun uitloopt naar de punt toe en door de speciaal geslepen tanden kan het zaagsel gemakkelijk uit de snede worden gewerkt. Deze zaag zaagt bij het trekken. Zie ook stokzaag. [MOT] (1) Kogata kataba noko. (2) Nezumi-Ba zaagtanden dienen om dwars op de vezelrichting van hard hout te zagen waarbij de snede niet loodrecht t.o.v. het hout moet lopen. (ODATE: 52).