Opzoeken

Zoek op heel de website

Zoek op heel de website door een trefwoord in te voeren of kies hierboven een databank om specifiek te zoeken

Zoeken


Zoekresultaten 41 - 50 14,646 resultaten gevonden
De stukadoor schept een hoeveelheid mortel uit de kuip op het spaarbord (1) en brengt de mortel daarna aan op muren en/of plafonds. Het spaarbord kan van verschillende grootte, - van ca. 15 cm bij 15 cm met twee aansluitende opstaande randen van 2,5 cm tot een grootte van 40 cm bij 48 cm met twee aansluitende opstaande randen van 1 cm -, en van verschillend materiaal (zink, plaatijzer, hout of multiplex) zijn. Het kleine spaarbord is voorzien van een rond handvat van ongeveer 11 cm lang en een diameter van ca. 3 cm. Bij het grotere spaarbord is het handvat onder het blad vastgemaakt, maar niet precies in het midden van het spaarbord, zodanig dat een deel van het gewicht op de onderarm van de stukadoor kan rusten. Het spaarbord met kniesteun is ongeveer 30 cm bij 50 cm en heeft hogere randen (ca. 25 cm) dan de twee vorige modellen. De kniesteun is een houten lat van ongeveer 50 cm lang en aan het uiteinde voorzien van een holle uitsparing voor de knie. Dat spaarbord, met meer mortel, plaatst men op de linkerknie, terwijl men het in evenwicht houdt met de linkerhand. Met de rechterhand wordt dan de mortel met een raapspaan op de muur aangebracht. [MOT] (1) GELDOF, WILLEMSEN, SCHLEIGER: 8.
Ondanks haar naam is de spaakschaaf geen schaaf. Het is een kort stuk hout van ca. 30-40 cm waarop in het midden een ermee evenwijdig lopend scherp blad bevestigd is (vgl. trekschaaf). De afstand tussen blad en hout kan door middel van twee punten of twee schroeven geregeld worden. Het blad is recht of bolrond. De vakman vat de uiteinden met beide handen en trekt het werktuig naar zich toe. Het werkt dus zoals een trekmes (zie glossarium) maar het wordt vooral gebruikt om een stuk glad te snijden (1), terwijl het trekmes ook tot het uitsnijden dient. [MOT] (1) Te vergelijken met de rohkel van de Lappen (MANKER: 191).
Hulpmiddel dat de smid gebruikt bij het smeden van sommige spaden en schoppen, gemaakt uit twee stukken ijzer. De twee stukken worden aan elkaar gesmeed en er wordt met de voorhamer vanuit het midden, waar een verdikking blijft, gewerkt naar de kanten toe voor het uitsmeden. Nadien worden de rug en het blad opgewerkt en de dille, die hier in de spade loopt, wordt met behulp van de spadevorm uitgezet (1). De spadevorm bestaat uit een stalen staaf (diam. ca. 3,5cm) die aan het uiteinde in de vorm van een driehoek is uitgesmeed en naar de zijkanten toe dun uitloopt. Het is deze vorm die de dille van de spade gaat aannemen. De onderzijde van de driehoek is vlak, de bovenzijde bol. [MOT] (1) VAN DONGEN: 210.
Houten, vlakke snijmal aan de bovenkant voorzien van een klein houten blokje als handvat. De pannenbakker gebruikt deze mal om de juiste vorm en oppervlakte uit een kleiplaat te snijden. Vervolgens maakt hij hiermee het kapje van een ventilate- of duivenpan. In tegenstelling tot de snijvorm van de tegelbakker (zie snijvorm (tegelbakker)) wordt deze mal niet voorzien van metalen randen om slijtage tegen te gaan. Dat is niet nodig daar de productie van ventilatie- en duivenpannen eerder klein is. Zie ook vorm voor ventilatiepan. [EMABB]
De tuinier knipt soms dunne takjes met een snoeitang. De bovenste kaak is de snijdende kaak en heeft een scherp snijvlak. Ze rust op de bredere onderste kaak, die bekleed is met een zachtere koperlegering om het snijvlak niet te beschadigen. Deze tang is minder geschikt dan de echte snoeischaar met twee snijdende vlakken, aangezien men de takken gedeeltelijk verplettert in plaats van ze langs beide zijden af te snijden. Dit levert een brokkelige wonde op die moeilijker herstelt. Men kan de tang sluiten met een haakje, zodat men ze veilig op zak kan steken. [MOT]
Met deze tang grijpt men de spaghetti uit de kom om ze op de borden te scheppen. De kaken zijn breed en getand om de bovenste laag spaghetti te vatten. Wanneer men te diep grijpt, is de spaghetti moeilijk te vatten of neemt men teveel ineens mee. De kaken staan licht schuin op de as zodat men makkelijk in de kom kan en toch de volle breedte van de kaken kan benutten. Zie ook spaghettilepel. [MOT]
Ronde of vierkante ijzeren (1) stang (0,80-4 m lang; 1-5 cm dik) eindigend onderaan in een punt en bovenaan in een oog waardoor een stok gestoken wordt dat als handvat dient; bij kleine modellen is het werktuig helemaal van ijzer en T-vormig. “Veelal zijn in de sondeerstaaf op onderlinge afstanden van ongeveer 30 cm, onder een hoek van 45° schuin naar beneden gerichte gaatjes geboord, met een wijdte van ongeveer 8 mm. Bij het uittrekken van de staaf worden deze gaatjes, vooral wanneer de grond nat is, gevuld met grond, zoodat met behulp van de sondeerstaaf dan tevens op afstanden van 30 cm eenvoudige grondmonsters kunnen worden verkregen.” (2) Bij bouw- en dijkwerken wordt het werktuig in de grond gedrukt of geslagen om de bodemgesteldheid en de dikte van de lagen te bepalen. “Uit den weerstand, welke hierbij wordt ondervonden, kan een, zij het eenigszins oppervlakkig denkbeeld worden verkregen van het draagvermogen van den grond en van den aard en van de vastheid van de door het ijzer doorboorde grondlagen. Ook het geluid, dat bij het indrukken van de sondeerstaaf wordt gehoord, geeft een indruk omtrent den aard van de grondlagen. Zand en grind geven hierbij een schurend, knarsend geluid; de sondeerstaaf komt bij het uittrekken blank uit den grond. Klei en leem klemmen de staaf vast en bieden een gelijkmatigen weerstand aan het indrukken. Is de klei of de leem vochtig, dan is de sondeerstaaf bij het uittrekken eenigszins blauw of geelachtig gekleurd. Veen is zacht en sponsachtig en biedt een zeer geringen weerstand, terwijl de sondeerstaaf na het uittrekken een eenigszins kleverig oppervlak heeft." (3). Op recente modellen kan de weerstand gelezen worden op een schijf met wijzer. Om na te gaan of stenen, muren of buizen onder de oppervlakte aanwezig zijn, wordt een kort sondeerijzer gebruikt. Ook om zich ervan te vergewissen dat de grond diep genoeg omgewoeld werd voor beplantingen. Bij het zoeken naar onder de sneeuw bedolven mensen worden eveneens sondeerijzers gebruikt, soms lawinesondes genoemd, maar ze zijn meestal van aluminium of kunststof (11 mm dik), zo'n twee à drie meter lang, gegradueerd (om de 5 of 10 cm) en vouwbaar. De punt ervan is breder dan de schacht om makkelijker door de sneeuw te glijden. [MOT] (1) Volgens WIND: 11 "vervangt een eiken visiteerlat soms het -ijzer". (2) SCHARROO 1946: 31. (3) SCHARROO 1946: 31.
De snijpasser dient om schijven of ringen uit leer te snijden, bv. voor pompkleppen, dichtingen of aansluitingen van een naafbus. Ook een fineerblad kan zo bewerkt worden. Sommige kuipers boren er wel eens een spongat of een als greep dienend gat in een tobbe mee (1) omdat het werktuig het hout niet doet barsten. De snijpasser bestaat uit een verticaal metalen staafje van ca. 10-15 cm met een kruk van ca. 10 cm aan een uiteinde en een punt aan het ander. In een door het staafje geboord gat glijdt een tweede, aan een uiteinde haaks gebogen staafje van 15-20 cm, dat vastgezet kan worden door een wig of een schroef. Dat gebogen stuk snijdt aan één of beide zijde(n). Om gaten te maken in hout gebruikt men een snijpasser met schroef in plaats van een punt. De vakman vat de kruk, plaatst de punt in het midden van de schijf of in een vooraf geboord gat en doet het werktuig draaien. Daar het mesje verstelbaar is, kan het werktuig schijven van verschillende diameter uitsnijden (2). Zie ook sponzaag. [MOT] (1) Bv. MAISSEN: fig. 113. (2) Het werktuig is gemakkelijk te onderscheiden van het verstelbaar boorijzer, dat steeds in een booromslag steekt, door zijn vorm en door het feit dat het een schijf uitsnijdt daar waar het boorijzer het hout verkorrelt.
De snoeibeitel dient om hoogstammige bomen te snoeien. Hij bestaat uit een metalen trapezium of half-cirkelvormig blad met een dille in hetzelfde vlak, op een lange (1) schacht gestoken. De zijde tegenover de schacht is scherp. De snoeier staat aan de voet van de boom, plaatst het ijzer tegen de tak en slaat met een houten hamer op het uiteinde van de schacht. Soms steekt hij de tak af door een asgerichte beweging. Sommige modellen hebben een zijdelingse haak waarvan de binnenzijde scherp is. Daarmee kan al trekkend gesneden worden en kunnen de losse takken neergetrokken worden. Hetzelfde kan gedaan worden met het, weinig courant, S-vormig model. Soms beschikt de snoeier over een stel snoeibeitels of ten minste over een stel schachten zodat hij tot acht meter hoog kan werken (2). De snoeibeitel wordt nu ook steeds meer gebruikt om de vruchten van de cacaoboom te oogsten. [MOT] (1) Snoeien met een beitel op kort hecht (WITTEWALL: 38) schijnt zeldzaam te zijn. (2) Opgetekend bij J. Schuddings, Weert, Antwerpen.
Keukengereedschap met snijwieltjes waarmee men peterselie, munt, uien, enz. op een snijplank fijn kan snijden (zie ook snijmolentje). Eén model bestaat uit één of twee reeksen metalen snijwieltjes (ca. 3-4 cm doorsnede) en een recht handvat bovenaan.  Een ander model heeft een reeks grotere snijwieltjes (ca. 8 cm doorsnede) rond een as, die in een plastic kap bevestigd is. Met deze snijroller kan ook groente, vlees, vis, fruit, noten, e.d. fijn gesneden worden. Wanneer de as uitgetrokken wordt, kunnen de snijwieltjes uit de kap genomen worden om ze af te wassen. Bij sommige van deze laatste modellen kan de roller vervangen worden door een andere met breed getande snijwieltjes. Wanneer men daarmee over een lapje vlees rolt, worden zelfs de fijnste vezels doorgesneden (zie ook vleesvermalser (hand)). [MOT]