Opzoeken

Zoek op heel de website

Zoek op heel de website door een trefwoord in te voeren of kies hierboven een databank om specifiek te zoeken

Zoeken


Zoekresultaten 91 - 100 15,113 resultaten gevonden
Blekijzer (o.)
Het blekijzer is een handwerktuig om de eiken (Quercus) van schors en bast te ontdoen (1) om er run van te maken. Niet zelden wordt een uiteinde van een tamelijk dik been van ca. 20 cm afgeschuind (2); het is dikwijls een paardenscheenbeen (3). Het kan ook om een stuk hout van 25-30 cm gaan; een uiteinde wordt afgeschuind en de vouw wordt met een ijzeren plaat beslagen. Het ander uiteinde is recht of knopvormig, soms T-vormig (4). Het blekijzer kan tenslotte bestaan uit een half- of cirkelvormig betrekkelijk dik metalen blad, ca. 3-4cm breed, op een ca. 10 cm lange dille gesmeed (5); in de dille steekt een houten steel van ca. 20-30 cm. In alle gevallen steekt er aan het uiteinde tegenover de vouw of het ijzer meestal een zijdelings mesje van 1-4 cm of in de verlenging van de steel een haakvormig mesje (6). Voor dikke bomen wordt een lang blekijzer (60-70 cm) zonder mesje gebruikt (7). Met een hakmes (hout) wordt de schors horizontaal rond de boom doorgehakt; met het mesje worden schors en bast van boven tot...
Beslagbijl (v.)
De beslagbijl dient tot het beslaan van stammen en zware stukken hout. Ze wordt ook soms aangewend om een boom te schillen. Deze bijl weegt ca. 1,5-3,5 kg en is gekenmerkt door een breed blad (tot 40 cm) met één vouw en dikwijls een lange dille. De steel is 25-40 cm lang en wordt met één of beide handen gevat. De stam wordt eerst gesmet (zie smetlijn) om de te bekomen vorm aan te duiden. Indien weinig hout verwijderd moet worden, gaat de timmerman aanstonds te werk met de beslagbijl; hij staat naast de stam en hakt dus in de richting van de vezels. Wanneer het spint te dik is, hakt hij er kepen in met de aks (1) tot ca. 0,5-1 cm van de lijn; de afstand tussen de kepen (90-180 cm)(2) hangt van de houtsoort af en ook van het stuk (rechte vezels of niet). Het hout tussen de kepen wordt dan weggehakt met de aks. Het ruw vlak wordt tot tegen de lijn met de beslagbijl effen gehouwen. De beslagbijl is hét werktuig van de (scheeps)timmerman (3). Het werktuig is te onderscheiden van de timmermansbijl. [MOT] (1) Volgens...
Bilhamer (m.)
Bij het onderhoud of de restauratie van de maalstenen, gebruikt de molenaar of molenbouwer een bilhamer (1) om te billen, de maalsteen scherpen door groeven te houwen om het malen te vergemakkelijken. De kerven in een maalsteen uit natuursteen vormen vaak een soort tekening met schuine, radiale groeven, die door de wrijving tussen beide stenen uitslijten en dus opnieuw uitgehamerd dienen te worden (2). De kop loopt steeds aan beide zijden naar onderen uit tot een scherpe pen, uitzonderlijk in de vorm van een omgekeerde piramide met brede punt. Hij is vrij zwaar in verhouding tot zijn omvang, de uiteinden zijn van zeer hard staal vervaardigd. Er zijn twee hoofdmodellen te onderscheiden. Bij het eerste steekt een houten steel (ca. 20-30 cm lang) in het oog van een lange, smalle symmetrische kop (ca. 12-28 cm lang). Het andere heeft een langer hecht met breder uiteinde en een rechthoekig gat, een uitsparing in het hout, vaak versterkt met ijzeren beslag, waarin een verwisselbare kop wordt vastgezet met een wig. De...
Blesbijltje (o.)
Bijltje met hamer - te onderscheiden van de stempelhamer (houthakker) - waarop de stempel van de eigenaar van het bos of van de houthandelaar staat. Vooral de boswachter gebruikt dit handwerktuig om bomen te merken (1). Op de voet of op ca. 1,20 m wordt een stuk bast met het bijltje weggehakt en op de witte plek wordt de stempel geslagen. Gevelde bomen worden op de doorsnede gemerkt, het bijltje is dan nutteloos. Omgekeerd wordt soms enkel een strook bast afgekapt en dan wordt de stempel niet gebruikt; in dat laatste geval kan om het even welk bijltje gebruikt worden.[MOT] (1) De slagstempel wordt hiervoor zelden gebruikt (zie echter CHERBLANC die van een broche à timbrer spreekt).
Blaaspijp (huisraad) (v.)
Ijzeren of houten buis (ca. 50-60 cm) waardoorheen men met de mond lucht blaast om het vuur van de haard aan te wakkeren (1). Het benedenuiteinde kan eventueel puntvormig - opdat het niet dadelijk in de as terecht zou komen - gaffel- of spatelvormig zijn en doet dan eveneens dienst als haardvork of -schopje. Het benedenuiteinde kan ook dicht gesmeed zijn met in het midden een klein gaatje. Zo kan men veel effectiever lucht blazen. Aan het andere uiteinde is er een haak of ring waarmee de pijp wordt opgehangen. Zie ook blaaspijp (glasblazer). [MOT] (1) Soms werd voor dat doeleinde een oude geweerloop gebruikt (WEYNS 1974: 73).
Blikprikker (keuken) (m.)
De blikprikker is een langwerpig, plat en kort (ca. 10 cm) metalen keukengereedschap met een spits en omgebogen benedenuiteinde waarmee men schenk- en luchtgaatjes kan prikken in blikjes koffiemelk, vruchtensap, olie e.d. Vaak is het gecombineerd met een flesopener voor kroonkurk of een kurkentrekker. Er bestaat ook een blikprikker met deksel. In een rond (plastieken) dekseltje bevinden zich dan twee korte nageltjes. Zo kan na het prikken het blik afgesloten worden. Zie ook verfbusopener. [MOT]
Biscuittaartsnijdraad (m.)
Keukengerei dat bestaat uit een in de hoogte verstelbare snijdraad (ca. 30 cm lang) die gespannen is in een U-vormige houder. Daarmee kan men biscuittaarten in gelijkmatige lagen van elke gewenste dikte snijden, opdat er bv. pudding of slagroom tussen gesmeerd kan worden. De biscuittaartsnijdraad wordt met één hand vastgehouden terwijl de andere op de taart rust; met een lichte zaagbeweging dient men horizontaal doorheen de taart te schuiven. Gelijkaardige maar steviger instrumenten worden gebruikt om klei (zie kleisnijdraad) en grote blokken kaas (zie kaassnijdraad) te snijden. [MOT]
Blekersschop (v.)
Houten, lange (ca. 2-2,15 m) gootvormige schep waarmee de bleker het linnen - dat op de wei uitgespreid lag - besproeide met water uit de gracht. Door de combinatie van het zonlicht, het gras waarop het linnen lag en het water werd het grauwe linnen wit van kleur. In Duitsland werd hiervoor een koperen lepel met lange dille gebruikt, die enigszins gelijkt op de beerlepel, of een gieter (1). Zie ook boezemschop. [MOT] (1) ''Die grosse Wäsche'': 161.
Blaaspijp (edelsmid) (v.)
Bij het solderen kan de edelsmid gebruik maken van een blaaspijp. Dat is een taps toelopend metalen, vaak messing, pijpje (ca. 20 cm lang; ca. 5 mm doorsnede) met een haaks omgebogen uiteinde. Vaak bevindt er zich op ca. 1/3 een bolletje. Het wordt samen met een soldeerbrander gebruikt. De combinatie van ingeblazen lucht met gas produceert de grote warmte die vereist is voor soldeerwerk. [MOT]
Biljartstrijkijzer (o.)
Om een biljartlaken glad te maken, kan men een biljartstrijkijzer gebruiken. Dat is een volledig metalen strijkijzer met een dik (ca. 3-4 cm) rechthoekig (ca. 25 bij 10 cm) blad en een U-handvat. Het lijkt op het massieve strijkijzer dat men vroeger thuis gebruikte, maar is veel zwaarder (ca. 7-8 kg). De schrijnwerker gebruikte soms een biljartstrijkijzer als lijmijzer. [MOT]