werktuig
Hak (v.)
Land- en tuinbouwwerktuig met een rechthoekig, halfcirkelvormig, driehoekig
of hartvormig blad dat niet in het vlak maar schuin tegenover de houten,
rechte steel ligt. De hoek tussen blad en steel varieert van 30° tot 80°.
Vaak is het blad, dat van beslagen hout of ijzer kan zijn, met een oog of
een dille met de steel verbonden; in enkele gevallen door middel van een
zwanenhalsschacht. Meestal is de steel halflang (ca. 100-120 cm) en wordt
de hak al staande gebruikt; er bestaan echter ook hakken met een kortere
steel (ca. 50-60 cm) waarvoor men zich moet bukken of op de knieën moet
(1). Afmetingen en gewicht variëren sterk en zijn aan de bestemming
aangepast. Zo worden hakken gebruikt om de grond te bewerken, aardappelen
aan te aarden (zie ook aanaardploegje), aardappelen te rooien (zie ook
aardappelrooivork en aardappelrooihaak), bomen te planten, greppels te
graven enz. In de griendcultuur (en in de weidebouw) worden de greppels na
iedere oogst (zie rijshaak) uitgediept en verbreed...