Opzoeken

Algemeen zoeken

Doorzoek de hele website door een trefwoord in te voeren of kies hierboven een databank om specifiek te zoeken

Zoeken

Zoekresultaten 4,171 - 4,180 16,123 resultaten gevonden
Mattenklopper (m.)
Handwerktuig waarmee men tapijten uitklopt, die men daarvoor op een waslijn hangt (1). Hij bestaat uit een blad van gevlochten riet (ca. 20 cm bij 30 cm) en een rechte rieten steel (ca. 50 cm). Een ander model bestaat uit een houten steel (ca. 30 cm) waaraan een rubberen lus (ca. 25 cm) is bevestigd en nog een andere is gemaakt van geplooid bamboe, dat door middel van ijzerdraad is samengebonden. Het werktuig kan ook uit gedraaide en getorste ijzerdraad bestaan. Zie ook kleerklopper. [MOT] (1) Er bestaan ook "kussenkloppers" van paardenhaar (DU CAJU: 240).
Marmertang (v.)
De marmertang wordt door de marmerwerker gebruikt om stukjes van marmerplaten (tot 3 cm dikte) af te knijpen (1). De oneffenheden worden daarna met het bordijzer verwijderd. De marmertang bestaat uit twee brede (ca. 3 cm) kaken met scherpe snede evenwijdig aan elkaar en haaks op het vlak van het werktuig. De opening tussen de twee kaken kan door stelschroeven aangepast worden van ca. 0,5 cm tot ca. 3 cm. De armen bestaan uit dubbele hefbomen. Zie ook dakpantang en tegeltang. [MOT] (1) Een jop wordt gebruikt bij harde steensoorten en marmerplaten dikker dan 3 cm om de overtollige steen af te slaan met behulp van een steenhouwersvuist.
Manenkam (m.)
Een manenkam is een korte kam met lange dikke tanden (ca. 2 - 3,5 cm lang, 1 mm dik) van hoorn, brons, koper of aluminium waarmee stof en stro uit de manen van een paard verwijderd worden; men raadt af dat werktuig te gebruiken voor de staart omdat het de haren zou uitrukken (1). Een bijzonder model is bevestigd op een kort handvat dat haaks op het vlak van het werktuig ligt (2). Zie ook roskam. [MOT] (1) BENOIST-GIRONIERE: 114. (2) Nouveau Larousse Illustré: s.v. peigne.
Malieroller (m.)
De malieroller is een handwerktuig van de schoenmaker om de nestel op het uiteinde van de veter te klemmen, net als de malietang. Die nestel was oorspronkelijk een rechthoekig stukje ijzer, dat afgerond moest worden. De malieroller bestaat uit een gietijzeren voet, die de schoenmaker kan vastzetten op zijn werktafel. Aan weerszijden is een gleuf voorzien voor de veter. Met een rechtopstaande houten steel, die functioneert als hendel, beweegt hij vlot een ijzeren plaatje heen en weer over de gleuf tegen een lage opstaande rand. Het onderliggende stukje ijzer wordt rond de veter geplooid. De werkende delen links en rechts van het plaatje dienen voor verschillende diameters van nestels. [MOT]
Maatlepel (m.)
Lepel (ca. 30 cm lang) met een eivormig blad en een steel met een houten handvat. In het blad zijn vier cirkels gemarkeerd die de maat van thee- en eetlepels aanduiden. Er is een tuitje om het uitschenken te vergemakkelijken. Zie ook sauslepel. [MOT]
Malietang (v.)
De schoenmaker zet de malie of de nestel op de veter met een malieroller of met deze malietang. Hij plaatst dit ijzeren bandje op de veter om het uitrafelen te voorkomen en het rijgen te vergemakkelijken. De kaken zijn licht uitgehold voor de ronding van de nestel. [MOT]
Moersleutel (verstelbare) (m.)
Moersleutel (zie glossarium) met verstelbare bek die - binnen bepaalde grenzen - elke maat van een vier- of zeskantige moer of kopbout kan vatten. De bek staat ofwel haaks op de steel of in een standhoek van ca. 15°. Deze laatste modellen zijn meestal lichter met een kleinere bek. Beide kenmerken vergemakkelijken het gebruik in nauwe ruimtes. Afhankelijk van het model is de bek op verschillende manieren verstelbaar. Bij modellen waarvan de bek haaks op de steel staat, wordt het verstelbare deel, dat zich parallel langs de steel verplaatst, ingesteld door een wig (bv. MOT V 88.0745 a-c3) (1), een draaispil aan de steel (bv. MOT V 2011.0485, MOT V 90.0245) (2) of een tandreep aan de zijkant van de steel waar een stelmoer over draait (bv. MOT V 84.0476) (3). De stelmoer kan ook vervangen zijn door een hefboom (bv. MOT V 97.0259) (4). De draaispil kan zich ook in de steel bevinden. De bediening gebeurt dan met een stelmoer (5) of met een draaiend handvat (bv. MOT V 91.0772). Bij deze laatste...
Mijnwerkersbijl (v.)
Met zijn bijl (1) bewerkt de mijnwerker al het mijnhout. Het is een handwerktuig van ca. 1-1,2 kg met meestal gebogen steel (ca. 40 cm), waarvan de snede (ca. 6 cm; het geklonken ijzer is breder: ca. 9 cm) (2) schuin tegenover de steel ligt. Het ijzer is van één of twee stukken gemaakt. In het eerste geval is het asymmetrisch bovenaan (zie glossarium) en eindigt het soms tegenover het blad in een vierkantige hamer. In het ander geval is een rechthoekig blad aan een U-vormig stuk geklonken. Dat laatste dient als oog. [MOT] (1) Het Franse dialectwoord (h)apiète, gebruikt door FELLER & TOURET: 79 en RUELLE: 8, duidt niet alleen de mijnwerkersbijl aan. Zie bv. BAL 1949: 112. (2) Brede bijlen (bv. HATON DE LA GOUPILLIERE: 1.646, die van 17 cm spreekt) zijn uitzonderlijk. Op te merken valt dat de bijlen voor mijnwerkers, afgebeeld in oude handboeken, soms gewone bijlen zijn.
Moker (m.)
De moker is een zware metalen hamer (tot 15 kg) met lange steel (ca. 80 cm) voor allerlei doeleinden. Hij wordt door vele vaklui gebruikt. Er schijnt geen vorm te bestaan die eigen is aan de houtbewerkers maar ze geven de voorkeur aan mokers met dubbele baan. Een model met verbrede rechthoekige banen dient net als de sleg om houten palen in te slaan.De steenhouwer hanteert een moker om de wigvormige kielen in een rots te slaan om een groot blok natuursteen los te maken uit het vaste gesteente.Te onderscheiden van de vuist (metselaar) die lichter is en een kortere steel heeft. [MOT]
Mestkrabber (m.)
Om in een stal de goot achter de veestanden - groep, grep of grup genoemd - schoon te schrapen, gebruikt men een mestkrabber. De breedte van het werkend deel is ongeveer gelijk aan de breedte van de groep. Het werktuig wordt ook soms gebruikt om de paardenstal of het kippenhok uit te schrapen of op straat om de uitwerpselen van trekdieren of modder te verzamelen. De mestkrabber bestaat uit een houten plank (1) maar meestal uit een stalen plaat (ca. 15-50 cm bij 15 cm) al dan niet met een haaks gebogen (ca. 4 cm) bovenrand en dille; uitzonderlijk is haaks in het midden van het blad een beugel met dille voorzien. In de dille steekt een steel van ca. 150-180 cm. In de catalogus van J.-C. Tissot (2) wordt een gelijkaardig werktuig aangeboden bestaande uit een houten plank (ca. 50, 60, 70 of 80 cm) met rubberen rand, waarvan de stand gewijzigd kan worden. De steel zou verstelbaar zijn. De tuinier gebruikt het om modder en dergelijke bijeen te schrapen. Zie ook hak en klauwkrabber. [MOT] (1)...