ID-DOC: algemeen zoeken

Hieronder kan u een algemeen trefwoord invoeren en een algemene zoekactie doen. 

Geef ons een seintje als je problemen ondervindt met deze pagina via info@mot.be.

Zoek naar: werktuig


Zoekresultaten 1,301 - 1,340 1,340 resultaten gevonden
Blokschaaf (v.)
De blokschaaf (1) is een korte schaaf (tot ca. 30 cm) met vlakke zool en soms een hoorn; zeer kleine blokschaven met hoorn zijn soms monoxiel. De neus van sommige modellen is uitgesneden opdat de hand van de vakman op het bewerkt stuk niet zou wrijven. Men onderscheidt de ruwe blokschaaf van de zoete blokschaaf. De eerste dient om de kleine stukken glad te schaven, die met de voorloper niet bewerkt kunnen worden. Omdat ze voor ruw werk bestemd is, had ze vroeger geen keerbeitel (2). De zoete blokschaaf daarentegen heeft er wel een. Ze dient om dezelfde stukken zuiver te schaven. Sommige zoetschaven hebben boogvormige zijkanten om langs gebogen randen te kunnen schaven (Fr. navette). Om het werktuig doelmatiger te maken, wordt vaak een keerbeitel op de ruwe blokschaaf bevestigd (3). Het onderscheid ruwe/zoete blokschaaf is dan overbodig (4). De Japanse blokschaaf (Japans: jo shiko hira kanna), zonder keerbeitel, heeft een wat ruw uitzicht. Nochtans wordt zij in plaats van schuurpapier, gebruikt voor de allerlaatste...
Fritessnijder (m.)
Keukenwerktuig waarmee men frietjes uit aardappelen kan snijden. Het heeft een rond of vierkantig messenblok, bestaande uit verscheidene rijen vierkantige, snijdende openingen (ca. 6-12 mm), bevestigd in een metalen of plastic huis. Er bestaan talloze modellen. Het eenvoudigste heeft een drukplaatje dat door middel van twee handvatten naar beneden geduwd wordt en zo de aardappel doorheen het messenblok duwt. Bij andere modellen wordt het drukplaatje door middel van een hefboom naar het messenblok bewogen. [MOT]
Alligatorbeksleutel (m.)
Een bijzonder type van steeksleutel is de alligatorbeksleutel die op alle maten van vierkante moeren of op buizen past. De V-vormige bek is meestal langs één zijde getand. De sleutel wordt stevig op het werkstuk geplaatst en naar de gladde bek toe gedraaid, zodat de getande zijde het steeds vaster klemt. De alligatorbeksleutel kan enkel of dubbel zijn en is soms gecombineerd met een verstelbare moersleutel, een bandenlichter of een draadsnijtap (voor metaal). [MOT]
Klauwenschaar (v.)
De dierenarts knipt de nagels van katten en honden met een klauwenschaar. De kaken bestaan uit een vaste kaak met uitsparing voor de nagel en een snijdende kaak, die over de uitsparing glijdt en de nagel knipt. Een veer op één van de armen opent de tang automatisch (1). [MOT] (1) De term klauwentang wordt gehanteerd voor een artsinstrument.
Boogschaaf (v.)
Schaaf waarvan de beitel meestal recht is en de zool in de lengte hol- (holronde boogschaaf) of bolrond (bolronde boogschaaf) (1) (2) is. De boogschaven dienen om hol- en bolronde vlakken te bewerken. De kromming van hun zool is derhalve aangepast aan die vlakken maar ze hoeft niet juist dezelfde te zijn, ze kan kleiner zijn. Bovendien is de kromming niet altijd regelmatig; een schaaf met zulke zool zou dienen tot het ruw schaven van het stuk. Er bestaan boogschaven, al dan niet uit metaal, met verstelbare zool. Er bestaan ook enkele boogschaven waarbij de zool zowel in de langs- als de dwarsdoorsnede bol of hol is (V 2001.0445)(3) (zie ook kuipersboogschaaf). Het Japanse model dient om respectievelijk de binnenzijde of de buitenzijde van houten schalen af te ronden. [MOT] (1) Japanse benaming is sori dai kanna (ODATE: 120). (2) Een boogschaaf met hoorn (bv. PODOLAK: 372) komt in onze streken niet voor. (3) Japanse benaming is shiho sori dai kanna (four-sided round plane) (ODATE: 120).
Zwaaispits (m.)
De zwaaispits (1) is een handwerktuig van de steenbewerker met een lange houten steel (ca. 30-100 cm) die met twee handen gevat wordt en een lange (ca. 30-50 cm) symmetrische ijzeren kop (2 à 3 kg zwaar) met twee piramidale punten. De steenhouwer hanteert hem om de grovere oneffenheden in natuursteen weg te hakken op de verticale vlakken. Zie ook de afhouwhamer. De hamer is verwant met de bilhamer die door de molenaar wordt gehanteerd om een maalsteen te billen, maar diens banen vormen doorgaans een bredere pen. Het handwerktuig is niet te verwarren met de polka en sommige modellen van de vlecht en houweel. [MOT] (1) De term is een verbastering van het Duitse Zweispitz (twee punten).
Pikhouweel (o.)
Het pikhouweel wordt door de groefwerker en de mijnwerker gebruikt om steen(kool) los te hakken.Het pikhouweel van de mijnwerker heeft zeer verschillende vormen. Het heeft een 25-35 cm lange vierkantige (ca. 2,5 bij 2,5 cm) of rechthoekige (ca. 3 bij 1,5 cm) punt met aan het andere uiteinde een oog waar de houten steel (ca. 60 cm) in steekt. In plaats van een pikhouweel gebruikt de mijnwerker ook een soort van recht houweel zodat hij met hetzelfde werktuig twee maal langer kan werken. Zie de rivelaine. Om niet het hele werktuig naar de smidse te moeten brengen wanneer het versleten is, wordt ook een pikhouweel gebruikt waarvan de punt losgeschroefd kan worden (1).Het model gebruikt voor rotsen is zwaarder (ca. 3-4 kg) dan dat van de mijnwerker (ca. 1,5-2 kg). Naast de punt is dit model aan het ander uiteinde voorzien van een hamer. [MOT](1) HATON DE LA GOUPILLIERE: 285.
Pompboor (boortuig) (v.)
Boortuig die in een heen- en weergaande beweging wordt gebracht door een touw dat op en afrolt rond een spil met onderaan een vliegwiel en een boorhouder. Het touw steekt door een opening bovenaan de spil en beide uiteinden zijn vastgemaakt aan een dwarshout waar de spil doorsteekt. Het vliegwiel zorgt voor extra stuwkracht. De pompboor wordt gebruikt om in harde materialen zoals steen of metaal te boren (1). De kleinere pompboren worden door juweliers gebruikt. Soms is het vliegwiel vervangen door een steen (2). [MOT] (1) Bij zachte houtsoorten zou de boor vast komen te zitten in het hout en zo beletten dat het vliegwiel het touw terug opwindt. (SALAMAN 1976: 191). (2) SELLENS: 82.
Ceseel (o.)
Zware geheel metalen steenhouwersbeitel met dubbele vouw waarvan de hoek tussen 10° en 40° bedraagt, afhankelijk van de hardheid van de steen. De rechte snede is tussen ca. 3,5-12 cm en meer breed. Soms heeft het ceseel een houten hecht, gebruikt voor zachtere steensoorten (1). Na het steenoppervlak bewerkt te hebben met de bouchardbeitel of de bouchardhamer gebruikt de steenhouwer hoofdzakelijk een ceseel om te scharreren (2) en te frijnen. Dit is het steenoppervlak eerst ruw bewerken en daarna afwerken door het aanbrengen van ribben en (smalle) groeven waarbij deze bij het frijnen evenwijdig liggen en bij het scharreren niet. Hiervoor kan ook een vlecht worden gebruikt. In tegenstelling tot het bordijzer, waarmee men enkel langs de rand van het te bewerken vlak werkt, bewerkt men met het ceseel het hele vlak. De richting van het snijvlak wordt enigszins schuin t.o.v. de reeds bestaande rand geplaatst. [MOT] (1) BESSAC: 121. (2) Door JELLEMA: 47 ook schreren genoemd.
Bordijzer (o.)
Het bordijzer is een stompe geheel metalen beitel met dubbele vouw, waarvan de rechte snede tussen 12 en 35 mm breed is. Het bordijzer wordt door de steenhouwer hoofdzakelijk gebruikt om een randslag of ruigeslag (1) aan te brengen. Dit bestaat uit het slaan van een vlakke rand van enkele centimeters breedte rondom het te bewerken oppervlak, die de referentie vormt. Hiervoor wordt het bordijzer met de houten steenhouwershamer geslagen. Daarnaast wordt het bordijzer gebruikt om af te schrijven en om zo'n 10 cm dikke natuursteen te kloven. De steenhouwer hakt met het bordijzer een rits, d.i. een keepvormige gleuf van ongeveer 2cm breed en diep, in de steen. Door met een moker op het in de rits geplaatst bordijzer te slaan, en deze bewerking enige centimeters verder te herhalen, splijt de steen (2). Te onderscheiden van de ceseel die een bredere (ca. 3,5-12 cm en meer) snede heeft en de miniatuurbeitel met afgeronde snede. Zie ook marmertang. [MOT] (1) Randslag (Fr: bordure) volgens JANSE: 26; ruigeslag volgens...
Draadsnijtap (voor hout) (v.)
De draadsnijtap is een handwerktuig om een draad in een houten moer te snijden. Het kan een houten cilinder zijn waarin een draad gesneden is. Aan het uiteinde zijn één of twee zijdelingse mesjes bevestigd; door het ander steekt een kruk om het werktuig te doen draaien. Het kan ook een stalen cilinder zijn, soms met vier overlangse gleuven, waarin een draad getrokken is. Hier snijdt de stalen draad zelf het hout uit, er is dan geen mesje. Een uiteinde van de cilinder heeft dezelfde doorsnee als de binnendiameter van de schroefdraad; het ander is vierkantig en past in een kruk. De vakman boort met een gewone boor een gat in de moer; de doorsnee ervan is gelijk aan de binnendiameter van de draad zelf. Hij smeert dan zijn snijtap en snijdt de draad in het gat (vgl. schroefkam). [MOT]
Cichoreischep (v.)
De cichoreischep is een handwerktuig om de net gebrande cichoreibonen op te scheppen of om ze vanuit de brandtrommel rechtstreeks in te gieten. Na het brandproces moeten ze snel afkoelen wegens het gevaar op zelfontbranding. Een model gelijkt sterk op een eestschop maar de houten bak met opstaande randen is aan de binnenkant met metaal beslagen of het gaat om een volledig metalen bak. Bij een recipiëntvormig model zijn er wieltjes onder de bak gemonteerd om de cichorei vlot naar de afkoelingsvloer of opslagplaats bij de maalderij te brengen (1). [MOT] (1) VAN DER LINDEN Renaat, Cikorei, in Uitgaven van de Koninklijke Bond der Oostvlaamse Volkskundigen, XXXII: 19.
Boterlepel (m.)
Houten lepel (ca. 20 cm) met een geribbeld, holrond blad. Hij wordt gebruikt om boter te nemen van een groter boterblok. Soms wordt hij ook gebruikt bij het kneden en opwerken van de boter, maar meestal gebeurt dat met een boterspaan. Zie ook botermesje. [MOT]
Rondeel (m.)
De rondeel is een metalen beitel met afgerond of gebogen snijvlak. Modellen met een houten hecht dienen eerder voor zachte steensoorten zoals mergel. Beeldhouwers gebruiken de rondeel bij het uithouwen van gebogen groeven, zoals de haren of ogen aan een beeld. De steenhouwer hanteert hem onder meer bij het uithouwen van rondingen en dorpels met een waterhol, een groef om te vermijden dat regenwater langs de muur afloopt. [MOT]
Draaihaak (m.)
De draaihaak is een metalen staaf (ca. 20-30 cm) waarvan een uiteinde in een hecht steekt, het ander haaks gebogen is. Dat uiteinde is afgeschuind. Soms is de staaf T-vormig zodat er twee sneden zijn.  De houtdraaier hanteert het handwerktuig aan de draaibank om een stuk hout zijdelings uit te hollen. [MOT]
Bruineertand (m.)
Werktuig (ca. 20 – 43 cm) gebruikt door de boekbinder om de sneden van het boekblok na het beitsen, marmeren of vergulden glad te strijken. De gedroogde sneden worden in de was gezet (1). Vervolgens wordt met de bruineertand in de breedte over de gehele snede gestreken om een glans te bekomen (2). Het kan ook worden gebruikt voor het delicate werk op de met leer beklede platten van het boek (zie ook bruineerijzer). Met de grote modellen wordt vanuit de schouder gewerkt. Het werkend deel bestaat uit geslepen agaat of hematiet (3), staal of soms vuursteen in een metalen kraag en gemonteerd op een houten handvat. Het kan plat trapeziumvormig (ca. 3 – 4 cm), puntvormig of tandvormig (4) zijn. Deze laatste worden meestal gebruikt op het gebogen voor- of frontsnede van het boekblok. [MOT] (1) "Met een waslap, een zachte flanellen of wollen lap, bestreken met gele was." (DUYVEWAARDT: 8). Volgens CHANAT: 165 met een velletje papier, zoals gebruikt bij het vergulden, waarbij de zijde die op de snede rust is ingestreken...
Haagspanner (o.)
Wanneer een opening ontstond in een haag die het vee moest tegenhouden, werd om het gat te dichten soms aan beide zijden van de haag een horizontale staak bevestigd. De twee staken werden samengebonden en drukten dus de takken op één rij. Om ze bij elkaar te trekken, werd gebruik gemaakt van een touw of van een haagspanner. (1) Dat werktuig bestaat uit een recht stuk hout van ca. 60 cm waarin één of meerdere holronde uitsnijdingen zitten en dat als hefboom dient. Aan één uiteinde van de hefboom is een metalen ketting bevestigd die eindigt in een grote haak (10-15 cm). Deze haak wordt rond één van de staken gehangen terwijl de andere staak in een uitsnijding van de hefboom geplaatst wordt. Naargelang de gewenste afstand tussen de twee staken, kan de ketting ingekort worden met behulp van een kleine haak die zich aan het andere uiteinde van de ketting bevindt. Wanneer er op de hefboom geduwd wordt, worden de twee staken naar mekaar toe getrokken. De plaats van de holronde uitsnijdingen in het stuk hout bepaalt...
Bonensnijder (m.)
Met een bonensnijder snijdt men bonen in reepjes. Meestal bestaat hij uit een snijschijf (ca. 10-20 cm doorsnede), met daarin verscheidene langwerpige gleuven waar mesjes aan bevestigd zijn, die met een draaizwengel in beweging gebracht wordt. Langszij bevinden er zich één of meerdere trechtertjes waar de bonen één voor één ingestoken worden, terwijl men aan de zwengel draait. De schijf zit verticaal in een houten of metalen ombouw op voetjes; er bestaan ook modellen voorzien van een zuignap of die aan de tafelrand kunnen vastgeklemd worden. Soms bestaat het werkend deel uit een reeks snijwieltjes (ca. 5-6 cm doorsnede) (zie ook snijroller (groente-)) die met een zwengel in beweging worden gebracht. De bonen gaan er via het vultrechtertje in en komen er als lange dunne reepjes uit. Voor kleinere hoeveelheden kan men ook gebruik maken van een bonensnijder die men in de hand houdt. Vooreerst worden de uiteinden van de boon verwijderd met een mesje dat zich aan het uiteinde van het geheel bevindt. De boon wordt...
Pennensnijder (m.)
De pennensnijder is een handwerktuig om een ronde pen te snijden aan een spaak van een wiel, als alternatief voor het courante recht trekmes. De wagenmaker hanteert het nadat hij de spaken in de naaf heeft geklopt, de velgen heeft gepast en met de voorsnijder voor wielspaken (1) een taps uiteinde aan de spaak heeft gesneden. De stoelenmaker hanteert de pennensnijder voor de uiteindes van de spaken (ook dwarshout of sporten genoemd) die in de poten van de stoel worden geslagen. Er bestaat een grote verscheidenheid aan vormen, afmetingen en patronen. De pennensnijder bestaat meestal uit een cilindervormig ijzeren lichaam en eindigt in een rond blok voorzien van een opening (ca. 1-4 cm) in het midden en 1 of 2 schaafmessen die haaks op de opening staan en door het blok steken. De meeste modellen hebben een instelbare diepteaanslag. Een ander model kan een tapse pen snijden (2). De pennensnijder past doorgaans in een booromslag om het werktuig te roteren. Oudere, niet verstelbare modellen kunnen een houten omhulsel...
Stempel (tegelbakker) (pottenbakker) (m.)
Metalen drukstempel gebruikt om tegels en potten te merken. Op bakstenen (zie stempel (steenbakker)), tegels en dakpannen worden soms tekens aangebracht. Doorgaans, letters die naar de fabrikant verwijzen. Tegels worden soms ook voorzien van een omcirkelde M op één van de smalle zijkanten; hij duidt niet aan dat de tegel machinaal wordt gevormd, maar dat de klei waaruit de tegel is gemaakt machinaal wordt voorbereid, dus fijner is. Cijfers op vaatwerk verwijzen vaak naar de inhoud. [EMABB]
Tosti-ijzer (o.)
Tangvormig keukenwerktuig dat bestaat uit twee rechthoekige (ca. 10-20 cm breed; ca. 10-15 cm lang), aluminium, hol uitgewerkte, scharnierende kaken en twee relatief lange (ca. 25-30 cm) armen, vaak met plastic handgrepen. Op de éne kaak worden twee sneden brood met beleg - meestal ham en kaas - gelegd en vervolgens knijpt men het ijzer dicht. Wanneer dat nu boven het vuur gehouden of op de kachel gelegd wordt, worden brood en beleg geroosterd. [MOT]
Eiersnijder (m.)
De eiersnijder snijdt in één beweging een hardgekookt, gepeld ei in dunne schijfjes of partjes. Er bestaan verschillende modellen, waarvan enkele tangen. Men plaatst het ei tussen de kaken en drukt de tang dicht. De staaldraden versnijden het ei in partjes of schijfjes naargelang het model.  Bij het schijfjesmodel bestaan de kaken uit een houder, waarvan de bovenzijde uit staaldraden bestaat en de bodem uit een geribde plaat die het ei tegen de draden drukt. De tang kan uit elkaar genomen worden om ze te reinigen.  Het partjesmodel bestaat uit een eierdopje met zes gleuven, waarin de staaldraden passen. Het ei wordt in het dopje geplaatst en men drukt de tang dicht. Het ei wordt in zes partjes verdeeld. De tang opent zich automatisch door een veer. Andere modellen bestaan eveneens uit een eierdopje met zes gleuven dat op tafel geplaatst kan worden. Erlangs bevindt zich een verticaal onderdeel met een gleufje waarin een metalen ring met drie kruisende staaldraden op en neer kan bewegen. Men plaatst het ei in het...
Ei-ontdopper (m.)
Met een ei-ontdopper kan men het kopje van een ei afsnijden. Het kan van plastic zijn met een cirkelvormige uitsnijding en een mesje dat zich aan een bewegende arm bevindt. Men plaatst het ei in de uitsnijding, beweegt de arm naar binnen en het kopje wordt afgesneden. Het kan ook een langwerpig stuk metaal zijn met een cirkelvormige uitsnijding. Met een scharnierend mesje - waar zich ook nog een puntig uitsteeksel aan bevindt dat dienst kan doen als eierprikker - wordt het kopje van het ei verwijderd. Zie ook eierschaalsnijder. [MOT]
Flessenkurker (m.)
Met een flessenkurker kan men een kurk in een fles duwen of slaan. Het kan een houten of metalen holle cilinder zijn die binnenin naar beneden toe smaller toeloopt en met een staaf erin waarop geklopt wordt. De vooraf gekookte kurk wordt langs boven in de flessenkurker gestopt en door een krachtige slag op de kop van de steel in de fles gedreven. De staaf kan ook verbonden zijn met een dubbele hefboom. Door beide handvatten naar beneden te drukken, duwt de staaf de kurk in de fles, die gevat wordt door het V-vormige uiteinde op elk handvat. Handig is het model met kurkknijper. Men plaatst de kurk in de kurkknijper en zet deze op de flessenhals; zijn kaken zijn aangepast aan de vorm van een kurk. Vervolgens drukt men de hendel die op één van de armen van de kurkknijper bevestigd is, naar beneden. Zo duwt een staaf de kurk doorheen de bek van de kurkenknijper, in de fles. Deze staaf kan in- of uitgeschroefd worden, al naargelang de lengte van de kurk. Zwaardere modellen kunnen op tafel gezet of aan de tafel vastgeschroefd...
Glasafsteekmes (o.)
Na het schilderen van glassponningen zit er altijd wel wat verf op het glas. Met het glasafsteekmes, voorzien van een veiligheids- of cuttermesje, schraapt men de verf gemakkelijk van het venster af. Hierbij houdt men het blad van het glasafsteekmes nagenoeg parallel met de ruit. Sommige modellen worden gebruikt bij het onderhoud van een keramische kookplaat. Het blad waartussen het mesje wordt vastgeschroefd, is van staal of plastic. Het handvat kan uit ijzer, hout of plastic vervaardigd zijn. Bij sommige modellen zitten de verwisselbare mesjes veilig in het hecht opgeborgen. Omdat de snede zo scherp is, is de glasschraper meestal voorzien van een metalen beschermkapje of kan je het bovenste deel van het hecht zo verschuiven dat het over het mesje zit. Het mesje van enkele modellen kan in verschillende posities (haaks, recht en schuin) t.o.v. het hecht bevestigd worden. Zo kunnen ze voor andere doeleinden aangewend worden. Bv. een potlood slijpen, als mes, om ijs, etiketten, kauwgom, enz. van harde oppervlakken...
Grondschaaf (v.)
De grondschaaf dient tot het gladschaven van met de beitel uitgeholde kloostersponningen, tot het uitschaven van een groef waarvan de kanten gezaagd werden, en van korte groeven waar onmogelijk met een boogschaaf gewerkt kan worden (1). Op de grondschaaf staat de snede van de bijna verticale beitel niet dwars op het blok (ca. 20/10/3 cm) zoals op de andere schaven. Ze is in de lengte gericht. De beitel steekt onder de zool uit en kan hoger of lager geplaatst worden naargelang van de behoefte. Aangezien de beitel niet meer ondersteund is wanneer hij onder de zool uitsteekt, is hij doorgaans veel dikker dan die van een gewone schaaf, om niet te plooien of te trillen; het is vaak een al dan niet afgedankte beitel of een schietbeitel (2). Soms is het uiteinde van de beitel onderaan gebogen zodat hij horizontaal snijdt. Er bestaan ook grondschaven met twee geleiders. [MOT] (1) De trekmessen (zie glossarium) die voor hetzelfde werk zouden dienen (WILDUNG: 49) schijnen onbekend in onze streken. Volgens VAN KEIRSBILCK...
Fietssleutel (alligatorbeksleutel) (m.)
Kleine alligatorbeksleutel met bandenlichter. De bek is langs één zijde getand. [MOT]
Haartoestel (o.)
Haartoestel om het blad van zeis of zicht te haren (scherpen). De meeste modellen beogen hetzelfde principe als de haarspit en haarhamer maar het haren verloopt sneller en gemakkelijker. De gebruiker verschuift geleidelijk het zeisblad langs het toestel tijdens het haren van het snijvlak. Een model bevat een slagpen en spiraalveer, waarbij men met een hamerslag telkens de pen op het zeisblad slaat. De veer komt telkens terug voor de volgende haarslag. Zwaardere modellen werken met een klein strookje metaal om het snijvlak te walsen. Om voldoende kracht te zetten bij het knellen van het blad, is een lange en zware arm met handvat voorzien. Er bestaan ook haartoestellen met een zwengel, waarmee de gebruiker stalen kogels langs het snijvlak perst (1). [MOT] (1) BLAAS J. & VINK G., Strekels, haartuigen en haarapparaten, in Gildebrief Ambacht & Gereedschap 2020: 52-53.
Sigarenkistopener (m.)
De sigarenkistopener is een handwerktuig waarmee men een sigarenkistje kan openen. Het heeft een plat, afgerond, stomp blad met een kleine inkeping langszij, en een recht hecht. Met het afgerond uiteinde snijdt men het papieren bandje rond het deksel van de kist los en met de inkeping wrikt men het nageltje los. Bij sommige modellen is er ook een hamerkopje aanwezig om het nageltje er terug in te slaan. Soms is de sigarenkistopener gecombineerd met een sigarenschaartje. Om kistjes met primeurs te openen wordt hetzelfde werktuig gebruikt (1). De sigarenkistopener kan ook een onderdeel zijn van een zakmes. [MOT] (1) Paul Duflos. Outillage pour le travail du bois. Tarif nr. 5. 1920: 13 marteaux-couteaux pour primeurs.
Glansstrijkijzer (o.)
Wanneer men een kledingstuk of een deel ervan glanzend gesteven wilde hebben, gebruikte men een glansstrijkijzer. Eerst werd het kledingstuk in een stijfselpapje gedaan, daarna gedroogd, ingevocht en tenslotte droog gestreken. Wanneer dat met een strijkijzer met vlakke zool gebeurde (zie massief strijkijzer, strijkijzer met kolen en strijkijzer met strijkbout), kon de waterdamp die bij dit proces vrijkwam, niet weg. Daarom gebruikte men een glansstrijkijzer, dat een bolle zool had en waarmee al schommelend gestreken werd. Andere modellen hebben een zool die voor het grootste gedeelte vlak is maar waarvan de punt en/of de achterkant afgerond is. [MOT]
Halmenhaak (m.)
De halmenhaak is een handwerktuig van de strodekker en van sommige landbouwers om strohalmen naar zich toe te trekken en samen te trekken. Het sikkelvormig metalen blad is verbonden met een recht houten hecht. De halmenhaak onderscheidt zich van de bredere sikkel omdat hij niet snijdt en van de pikhaak, waarvan het blad haaks staat op een lange steel. [MOT]
Kraanmoersleutel (m.)
De kraanmoersleutel is een verstelbare moersleutel die dient voor het vast- en losdraaien van bevestigingen op moeilijk bereikbare plaatsen, vooral de schroefverbindingen van sanitairkranen aan de onderzijde van wastafels. De sleutel heeft een flexibele bek aan het uiteinde van een metalen schacht van ca. 25 cm, vaak van chroom vanadium. Soms is het scharnierpunt een klein bolgewricht. De metalen of kunststof bek is in alle richtingen beweegbaar om een kraanmoer te omknellen. Om los te draaien, kan men eenvoudig de bek omkeren. Het werktuig wordt stevig gegrepen en geroteerd met een handgreep, die op sommige modellen scharniert. [MOT]
Tandenborstel (m.)
Door tandpasta op de borstelharen van een tandenbostel aan te brengen en er 2 à 3 maal per dag je tanden en kiezen mee te poetsen verwijder je voedselresten en tandplak. Zo bestrijd je tandcariës, tandvleesaandoeningen en een slechte adem (halitose). Een voorloper van de tandenborstel is de 'miswak', een soort kwastje uit de wortel van de arakboom (salvadora persica). Al in het Oude Egypte gebruikte men dit om de tanden schoon te maken, en het was lange tijd de enige vorm van mondhygiëne. Toch wordt de miswak nu nog veel gebruikt in grote delen van Azië en Afrika en in een deel van de Verenigde Staten. De tandenborstel heeft meestal een klein rechthoekig borstellichaam (ca. 2 - 2,5 cm x 1 - 1,5 cm) met korte dicht op elkaar staande borstelharen van niet meer dan 1 cm lang en heeft een hecht van ca. 15 – 17 cm in het verlengde ervan. De borstelharen kunnen van varkens- paarden- of dassenhaar zijn (1) en vanaf eind jaren dertig ook uit nylonvezels. De steel kan bestaan uit been, ivoor, hout, bamboe of plastic. Een...
Ragebol (m.)
Borstel - soms van geitenhaar - in de vorm van een hele of halve bol of rond een driehoekige beugel bevestigd, aan een lange, houten of plastic steel die vaak uitschuifbaar is (tot ca. 3 m) en die gebruikt wordt om spinrag te verwijderen. [MOT]
Trekmes, recht (o.)
Trekmes (zie glossarium) met recht of enigszins gebogen blad van 10-40 cm en twee houten knoppen. Op recente trekmessen zijn deze soms vervangen door twee verstelbare rechte handvatten. Hoewel door de wagenmaker dikwijls als zijn werktuig beschouwd, wordt het recht trekmes door verscheidene vaklui gebruikt. Nagenoeg al de in de lengte bolronde voorwerpen worden ermee gesneden (spaken, sporten, stelen, bomen van ladders enz.) evenals de bodem van een kuip, latten enz. Bomen worden ermee geschild. Het trekmes glijdt over het algemeen niet haaks op het te bewerken stuk maar wel schuin zodat het beter snijdt. Zie ook het gebogen trekmes. [MOT]
Tamponneerkwast (m.)
De tamponneerkwast wordt gehanteerd bij decoratieve technieken en het mat schilderen van grote effen vlakken, Door de kwast gelijkmatig en loodrecht met de muur op de nog natte verflaag in te kloppen, krijgt de muur een gelijkmatig dof uitzicht en worden strepen van verfkwasten weggewerkt (1). Met slaande bewegingen kan men ook een stippeleffect aanbrengen in een natte verflaag, bv. in de dieper liggende panelen van binnendeuren (2). Het is een langwerpige, meestal rechthoekige borstel met lang, bleek, en stug varkenshaar. De gebogen houten steel staat niet in het verlengde van de haren maar dwars op het blok. Er bestaan modellen met open of gesloten beugelvormig handvat en ook een tamponneerroller, die sterk gelijkt op andere verfrollers (3). De tamponneerkwast is niet te verwarren met sommige behangersborstels en blokkwasten. [MOT] (1) VAN DER KLOES & VAN DER BEEK 1908/2: Handleiding van den verver en glazenmaker: 60, 113. ZWIERS 1920: Bouwkundig woordenboek: 442b.(2) JACKSON: 291. (3) Volgens JELLEMA: 138 heeft...
Paletmes (o.)
Het paletmes is een spatel- of troffelvormig werktuig (ca. 15-20 cm lang) met over de gehele lengte buigzaam blad, dat de kunstschilder gebruikt om verfstoffen op het palet te mengen en om verf op het doek aan te brengen (1). Vroeger, toen de schilder zelf zijn verven wreef, was een tempermes onmisbaar om de door de loper verspreide verf van de wrijfsteen te verzamelen. De spatelvormige kunnen van metaal, hout of plastic zijn en worden tevens gebruikt om, met de zijkant van het blad, natte verf weg te schrapen zonder de ondergrond te beschadigen. De troffelvormige hebben een metalen blad waarvan vorm en grootte (ca. 3-12 cm lang; ca. 3-4 cm breed) sterk variëren: het kan driehoekig, ruitvormig, ovaal of rechthoekig zijn - met of zonder afgeronde hoeken - en is met een knik aan het rechte hecht bevestigd (2). Deze laatste worden vooral gebruikt om kleine stippen of brede banen verf op het doek aan te brengen. Het paletmes met smal, rechthoekig blad bestaat ook als zakmes. Dan is het een handig kleinood om kleuren...
Plumeau (m.)
De plumeau is een stoffer, bestaande uit een houten of plastic steel, met aan het uiteinde een reeks veren. Deze veren of pluimen waren van oorsprong natuurlijke veren (bv. struisvogel, nandoe) maar zijn nu vooral uit kunststof gemaakt. De plumeau dient voornamelijk om in het interieur onregelmatige, moeilijk bereikbare en kwetsbare oppervlakken en breekbare voorwerpen te ontstoffen, zoals meubels, schilderijen, vazen, lampen, enz. Het stof blijft door elektrostatische energie hangen en dient nadien te worden uitgeklopt. Zie ook de ragebol. [MOT]
Dweilwringer (m.)
De dweilwringer is een toestel of handwerktuig waarmee men makkelijk een dweil kan uitwringen. Eén model betreft een geperforeerde metalen bak (ca. 20 cm breed; ca. 35 cm hoog) met een hendel, die men over de rand van een emmer kan hangen. Men stopt de natte dweil erin en drukt de hendel naar beneden; twee stevige plastic onderdelen bewegen nu naar beneden en persen het water uit de dweil. Een hangmodel met houten rollen haakt men rond een emmer. Door het hecht naar beneden te drukken, beweegt een rol met wieltjes naar een vaste rol toe om zo het water uit de dweil te persen. Een model met vergelijkbare constructie is ingebouwd in een emmer en wordt met de voet bediend door een pedaal. [MOT]
Blaaspijp (huisraad) (v.)
Ijzeren of houten buis (ca. 50-60 cm) waardoorheen men met de mond lucht blaast om het vuur van de haard aan te wakkeren (1). Het benedenuiteinde kan eventueel puntvormig - opdat het niet dadelijk in de as terecht zou komen - gaffel- of spatelvormig zijn en doet dan eveneens dienst als haardvork of -schopje. Het benedenuiteinde kan ook dicht gesmeed zijn met in het midden een klein gaatje. Zo kan men veel effectiever lucht blazen. Aan het andere uiteinde is er een haak of ring waarmee de pijp wordt opgehangen. Zie ook blaaspijp (glasblazer). [MOT] (1) Soms werd voor dat doeleinde een oude geweerloop gebruikt (WEYNS 1974: 73).